Rechtbank Overijssel, 22-08-2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:3023, ak_18 _ 1315 en ak_18_1316 en ak_18_1317
Rechtbank Overijssel, 22-08-2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:3023, ak_18 _ 1315 en ak_18_1316 en ak_18_1317
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 22 augustus 2019
- Datum publicatie
- 26 augustus 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2019:3023
- Zaaknummer
- ak_18 _ 1315 en ak_18_1316 en ak_18_1317
Inhoudsindicatie
Wet op de Bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ). Belastingjaren 2016 en 2017: verweerder had eisers verzoek om de betaalde BIZ-aanslagen 2016 en 2017 terug te betalen niet als een bezwaar tegen de aanslagen moeten aanmerken, maar als een verzoek om ambtshalve teruggaaf of vermindering. Ten onrechte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend. Verweerder moet nog beslissen over het verzoek om ambtshalve vermindering. Tegen een beslissing op zo’n verzoek staat geen bezwaar en beroep open. Belastingjaar 2018: de BIZ-bijdrage voor 2018 strekt niet in overheersende mate ter bestrijding van de kosten voor activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid, de veiligheid, de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de BI-zone. Beroepen gegrond; vernietiging uitspraken op bezwaar 11 juni 2018; herroeping aanslag BIZ-bijdrage 2018.
Uitspraak
Bestuursrecht
Zittingsplaats Zwolle
Registratienummers: Awb 18/1315, 18/1316 en 18/1317
wonende te [woonplaats] , eiser,gemachtigde: [naam 1]
en
de heffingsambtenaar van het gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT), verweerder,
gemachtigde: mr. K.M.H. de Boer.
Procesverloop
Belastingjaar 2016
Verweerder heeft aan eiser onder nummer [nummer] voor het jaar 2016 een aanslag BIZ-bijdrage opgelegd ten bedrage van € 750,-, op grond van de – ter uitvoering van de Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ) vastgestelde – Verordening bedrijveninvesteringzones Spakenburg Centrum 2016.
Het door eiser tegen deze BIZ-bijdrage ingediende bezwaar is door verweerder bij uitspraak op bezwaar van 11 juni 2018 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft op 23 juli 2018 tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd onder Awb 18/1315. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belastingjaar 2017
Verweerder heeft aan eiser onder nummer 62355892 voor het jaar 2017 onder meer een aanslag BIZ-bijdrage opgelegd ten bedrage van € 750,-.
Het door eiser tegen deze BIZ-bijdrage ingediende bezwaar is door verweerder bij uitspraak op bezwaar van 11 juni 2018 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft op 23 juli tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd onder Awb 18/1316.
Belastingjaar 2018
Verweerder heeft aan eiser onder nummer [naam 2] voor het jaar 2018 onder meer een aanslag BIZ-bijdrage opgelegd ten bedrage van € 750,-.
Het door eiser tegen deze BIZ-bijdrage ingediende bezwaar is door verweerder bij uitspraak op bezwaar van 11 juni 2018 ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 23 juli 2018 tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd onder Awb 18/1317.
Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met het onderzoek in beroepen van andere belastingplichtigen tegen de BIZ-bijdrage voor 2016, 2017 en 2018, plaatsgevonden op
16 mei 2019. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder zijn verschenen [naam 3] , werkzaam bij de gemeente Bunschoten-Spakenburg, [naam 4] voorzitter van Stichting Ondernemersfonds Spakenburg-centrum, en [naam 5] .
Overwegingen
Belastingjaren 2016 en 2017
De aan eiser over deze belastingjaren opgelegde aanslagen BIZ-bijdrage zijn bij beschikkingen van 31 mei 2016 en 28 februari 2017 aan hem opgelegd. Eiser heeft tegen deze aanslagen geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor deze aanslagen in rechte vaststaan.
De meervoudige belastingkamer van deze rechtbank heeft op 18 december 2017 in het door één van de ondernemers van Bunschoten-Spakenburg ingestelde beroep tegen de opgelegde aanslag BIZ-bijdragen 2016 geoordeeld dat in het BIZ-plan 2016 geen concrete activiteiten worden genoemd, zodat niet is voldaan aan de Wet BIZ en de Uitvoeringsovereenkomst. Daarnaast was de rechtbank niet gebleken van een uitgewerkte begroting voor het jaar 2016. Op grond hiervan heeft de rechtbank de opgelegde aanslag BIZ-bijdrage 2016 vernietigd.
Eiser heeft in deze uitspraak van de rechtbank aanleiding gezien om van de gemeente Bunschoten de over de jaren 2016 en 2017 betaalde aanslagen terug te vorderen. De gemeente heeft deze verzoeken doorgezonden naar verweerder.
De rechtbank stelt vast dat verweerder het terugvorderingsverzoek heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de over de belastingjaren 2016 en 2017 opgelegde aanslagen BIZ-bijdrage en deze bezwaren bij uitspraken op bezwaar van 11 juni 2018 niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat deze te laat zijn ingediend.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van eiser aangemerkt dient te worden als een verzoek om ambtshalve teruggaaf of vermindering van de over de jaren 2016 en 2017 opgelegde en betaalde aanslagen BIZ-bijdrage. Verweerder heeft dan ook op onjuiste gronden het verzoek aangemerkt als een te laat ingediend bezwaar tegen de over deze jaren opgelegde BIZ-aanslag en heeft ten onrechte de thans bestreden uitspraken op bezwaar genomen.
De rechtbank dient hetgeen is bepaald over de toegang tot de bezwaarprocedure ambtshalve te toetsen. De uitspraken van 11 juni 2018, door verweerder gegeven naar aanleiding van de verzoeken van eiser om de aanslagen over 2016 en 2017 alsnog op nihil te stellen kunnen, gezien het voorgaande, niet in stand blijven. De beroepen daartegen zijn gegrond en de bestreden uitspraken worden vernietigd.
Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank op dat verweerder dus nog een beslissing zal moeten nemen op het verzoek van eiser om de volgens hem onjuiste belastingaanslagen over 2016 en 2017 ambtshalve te verminderen. Tegen de beslissing op zo’n verzoek staat volgens vaste rechtspraak geen bezwaar en beroep open.
Belastingjaar 2018
Eiser is aan het begin van het kalenderjaar 2018 gebruiker van het object [adres] te Bunschoten-Spakenburg. Het [adres] is gelegen in het bij de Verordening bedrijveninvesteringszone Spakenburg-Centrum 2016 (hierna: de Verordening) aangewezen gebied in de gemeente Bunschoten waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven (hierna: de BI-zone).
Verweerder heeft de WOZ-waarde van dit object per waardepeildatum 1 januari 2017 voor het belastingjaar 2018 vastgesteld op € 177.000,-. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening is het tarief van de BIZ-bijdrage voor eiser vastgesteld op € 750,-.
3. Tussen partijen is in geschil of verweerder eiser voor het belastingjaar 2018 op juiste gronden een aanslag BIZ-bijdrage van € 750,- heeft opgelegd. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of de krachtens de Verordening geheven BIZ-bijdrage strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan de activiteiten zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid,
van de Wet BIZ.
In artikel 1, tweede lid, van de Wet BIZ is bepaald dat de BIZ-bijdrage een bestemmingsheffing is die strekt ter bestrijding van kosten van activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, gericht op het bevorderen van de leefbaarheid, de veiligheid, de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling in of van de bedrijveninvesteringszone.
In de Verordening is bepaald dat onder de naam “BIZ-bijdrage” gedurende een periode van vijf jaar jaarlijks een directe belasting wordt geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a van de Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het kalenderjaar.
Tussen de gemeente Bunschoten en de [naam 6] (de stichting) is een uitvoeringsovereenkomst (hierna: de uitvoeringsovereen-komst) gesloten. Deze uitvoeringsovereenkomst is gebaseerd op artikel 7, derde lid, van de Wet BIZ en beoogt de afspraken tussen partijen te regelen om te komen tot de inrichting van een BI-zone in het centrumgebied van Spakenburg. Daarbij wordt verwezen naar het door de stichting opgestelde plan van aanpak (BIZ-plan Spakenburg-Centrum 2016-2020) van
5 augustus 2015, waarin is aangegeven hoe de stichting voornemens is de BIZ-subsidie te besteden.
In dit BIZ-plan is onder meer aangegeven dat afgesproken is om activiteiten en acties in gang te zetten die:
1. leiden tot het behouden van een breed aanbod van winkelvoorzieningen;
2. kansen bieden voor een goed ondernemersklimaat;
3. zorgen dat het Spakenburgs-Centrum de kwaliteit biedt die hoort bij een centrale verblijfs- en ontmoetingsplek.
In het BIZ-plan is als doelstelling opgenomen dat de activiteiten van de stichting met de betrokken samenwerkingspartijen moeten leiden tot het verhogen van de aantrekkelijkheid van Spakenburg-Centrum voor de bezoeker, te weten de eigen inwoners, de (dag)toeristen en het winkelend publiek uit de regio. In het BIZ-plan zijn verder vijf thema’s opgenomen en zijn per thema de beoogde activiteiten voor 5 jaar aangegeven.
5. De rechtbank stelt voorop dat de Wet BIZ ervan uitgaat dat tussen de gemeente en de stichting een uitvoeringsovereenkomst wordt gesloten waarin dwingend is vastgesteld welke activiteiten moeten worden verricht waarvoor de uit de BIZ-bijdrage gevormde subsidie moet worden aangewend. Daarbij dient de gemeente te beoordelen of de voorgenomen activiteiten van de stichting voldoen aan de omschrijving in artikel 1, tweede lid, van de Wet BIZ. De rechtbank wijst hiervoor op het arrest van de Hoge Raad van 11 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3425), rechtsoverweging 2.3.1. Dit vereiste is neergelegd in artikel 14, eerste lid, van de Verordening, waarin bepaald is dat de subsidie wordt verstrekt aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst.
6. In de bestuursvergadering van 28 december 2017 van [naam 7] zoals het bestuur van de stichting wordt aangeduid, is de begroting voor 2018 vastgesteld. Bij deze begroting is een overzicht met de geplande activiteiten voor 2018 (hierna: het overzicht) gevoegd. De rechtbank merkt daarbij op dat de tekstkopjes in de begroting overeenkomen met de tekstkopjes in het overzicht met de geplande activiteiten. De begroting voor 2018 luidt als volgt:
“Omzet
Biz gelden [bedrag]
Bijdrage Rabobank -
---------
[bedrag]