Rechtbank Overijssel, 03-06-2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1905, C/08/246690 / KG ZA 20-76
Rechtbank Overijssel, 03-06-2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1905, C/08/246690 / KG ZA 20-76
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 3 juni 2020
- Datum publicatie
- 3 juni 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2020:1905
- Zaaknummer
- C/08/246690 / KG ZA 20-76
Inhoudsindicatie
Aanbesteding. Geen sprake van een ondeugdelijk principebesluit. Geen willekeur of schending van het gelijkheidsbeginsel.
Uitspraak
vonnis
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer: C/08/246690 / KG ZA 20-76
Vonnis in kort geding van 3 juni 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats],
eiseres,
advocaten: de mrs. L.J. Vermeulen en A.B.B. Gelderman te Enschede,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon op basis van Wet Gemeenschappelijke Regelingen
REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN TWENTE (RBT),
zetelende te Bornerbroek,
gedaagde,
advocaten: de mrs. R. Blom en I.C. Dunhof-Lampe te Enschede.
Partijen zullen hierna [eiseres] en RBT genoemd worden.
1 De procedure
[eiseres] heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals staat te lezen in de op 20 april 2020 uitgebrachte dagvaarding. Partijen hebben, naast (aanvullende) producties, ook reeds voor de zitting pleitaantekeningen toegezonden. De pleitnota van [eiseres] bevat tevens een eiswijziging.
De behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2020 via een Skypeverbinding vanwege de geldende maatregelen in verband met het Corona-virus. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- namens [eiseres] de heer [A], bestuurder, en de heer
[B], bijgestaan door mr. Vermeulen;
- namens RBT de heer [X], voorzitter van het (dagelijks) bestuur van RBT en de heer [Y], secretaris van het (dagelijks) bestuur van RBT alsmede de heer [Z] , projectdirecteur XL Business Park Twente, bijgestaan door de mrs. Dunhof-Lampe en Blom.
Na verder debat is vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak is bepaald op 3 juni 2020, dan wel eerder in het geval het vonnis eerder kan worden uitgesproken.
Vervolgens is op heden uitspraak gedaan. Afschrift hiervan is conform toezegging ter zitting per email aan de advocaten van partijen verzonden.
2 Waarvan kan worden uitgegaan
Ook hier kan worden uitgegaan van de feiten zoals die zijn vastgelegd in het tussen partijen op 22 januari 2020 in kort geding gewezen vonnis, dat is gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RBOVE:2020:235.
In vervolg daarop en in navolging daarvan heeft het (dagelijks) bestuur van RBT op 25 maart 2020 besloten:
-
dat het principebesluit van 1 oktober 2019 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo (hierna: het principebesluit en het college) niet evident onjuist is;
-
dat er geen redenen zijn om het college te vragen het principebesluit te heroverwegen;
-
conform het bepaalde in paragraaf 5.1 van het Beschrijvend Document en op basis van het negatieve principebesluit van 1 oktober 2019 van het college, om [eiseres] van deze aanbestedingsprocedure uit te sluiten;
-
niet terug te komen op het besluit van 28 november 2019 tot voorlopige gunning aan EG Retail, en voor zover nodig dat besluit te bekrachtigen, en (voorlopig) te besluiten de erfpachtovereenkomst aan EG Retail te gunnen.
Bij brief van 1 april 2020 is [eiseres] door RBT op de hoogte gebracht dat het dagelijks bestuur heeft besloten om haar aanbieding ter zijde te leggen, waardoor zij niet voor gunning van de erfpachtovereenkomst in aanmerking komt.
3 Het geschil
[eiseres] vordert - na wijziging van eis, waartegen als zodanig geen processuele bezwaren zijn geuit -:
primair:
- RBT te gebieden om de onderhavige aanbesteding te staken en gestaakt te houden en over te gaan tot heraanbesteding van de onderhavige uitgifte van grond in erfpacht op een wijze waardoor [eiseres] daaraan kan deelnemen, voor zover RBT de grond nog in erfpacht wenst uit te geven;
subsidiair:
- enkel voor zover [eiseres] in appèl wil komen van het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis: RBT te verbieden om over te gaan tot definitieve gunning en het sluiten van een erfpachtovereenkomst met EG Retail totdat in (turbo) spoed appèl door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest is gewezen;
meer subsidiair:
- elke andere voorlopige voorziening te treffen die in goede justitie passend wordt geacht en recht doet aan de belangen van [eiseres];
primair, subsidiair en (nog) meer subsidiair:
alles op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van RBT in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eiseres] stelt daartoe - kort samengevat - dat RBT in strijd heeft gehandeld met het vonnis van 22 januari 2020 door het principebesluit niet, althans niet op de in dat vonnis voorgeschreven wijze te beoordelen. Daarnaast kan [eiseres] zich om inhoudelijke redenen niet vinden in de beslissing van RBT om haar aanbieding terzijde te stellen en in het (negatieve) principebesluit dat daaraan ten grondslag ligt. RBT en het college hebben naar zeggen van [eiseres] in strijd gehandeld met het (aanbestedingsrechtelijke) gelijkheidsbeginsel en transparantiebeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair-playbeginsel. Op grond van willekeur, favoritisme en niet vooraf in de aanbestedingsstukken kenbare eisen/wensen (waarbij met name wordt gewezen op lang parkeren) is haar aanbieding terzijde gesteld, aldus [eiseres]. RBT had bij het college moeten aandringen op heroverweging van het principebesluit.
Tijdens de mondelinge behandeling op 20 mei 2020 heeft [eiseres] daar - kort gezegd - nog aan toegevoegd dat het besluit van 25 maart 2020 van het (dagelijks) bestuur van RBT moet worden getoetst op basis van de inhoud van de motivering die daarbij is gegeven, en niet op basis van wat daarna nog bekend is geworden, waaronder een nadien door RBT ontvangen schriftelijke reactie van het college op de dagvaarding van [eiseres], waarin (nogmaals) het standpunt wordt ingenomen dat heroverweging van het principebesluit niet aan de orde kan zijn omdat dat besluit – kort gezegd – zowel qua wijze van totstandkoming als qua inhoud deugdelijk is.
RBT voert verweer in de kern inhoudende dat het meergenoemde besluit van 25 maart 2020 voldoet aan de daaraan in rechte te stellen aanbestedingsrechtelijke eisen, en dat daarbij (ook) is voldaan aan voormeld eerder tussen partijen gegeven kort geding vonnis. Het door [eiseres] gevorderde moet dan ook integraal worden afgewezen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.