Home

Rechtbank Overijssel, 22-10-2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:3502, 08-760068-19 (P)

Rechtbank Overijssel, 22-10-2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:3502, 08-760068-19 (P)

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22 oktober 2020
Datum publicatie
22 oktober 2020
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2020:3502
Zaaknummer
08-760068-19 (P)

Inhoudsindicatie

Een zoon en vader uit Zwolle zijn veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur omdat zij de geheimhoudingsplicht van een Bibob-advies hebben geschonden door het te delen met een journalist.

Hoewel het de vader was die de conclusie van dat geheime rapport met een journalist deelde, zijn beide mannen even schuldig. Zij werkten namelijk nauw samen. Vader en zoon hadden bijvoorbeeld afgesproken wie naar de journalist zou gaan, wat hij te zien zou krijgen en waar de afspraak zou zijn.

De rechtbank neemt het de mannen kwalijk dat zij niet integer hebben gehandeld. Zij wilden het handelen van de gemeente Zwolle aan de kaak stellen en hadden dat ook via andere wegen kunnen doen.

Uitspraak

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-760068-19 (P)

Datum vonnis: 22 oktober 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.C. Pol en van hetgeen door de raadsvrouw mr. I.A. Kamans, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, samen met een ander of alleen, een geheim heeft geschonden, waarvan hij wist dat hij het op grond van een wettelijk voorschrift verplicht was te bewaren.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij in of omstreeks de periode van 26 maart 2019 tot en met 28 maart 2019 te Zwolle, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geheim waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist/wisten of redelijkerwijs moest/moesten vermoeden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) uit hoofde van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 28 Wet Bibob, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door; - meerdere malen, althans eenmaal, het BIBOBadvies van het Landelijk Bureau Bibob, althans één of meerdere delen van het BIBOBadvies van het Landelijk Bureau Bibob, heeft verstrekt/afgeleverd/ter beschikking gesteld aan (medeverdachte) [medeverdachte] en/of [journalist] (journalist);

3 De voorvragen

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1

Klachtvereiste

De raadsvrouw heeft, met de raadsman van de medeverdachte, aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat gelet op artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), voor vervolging van dit feit een klacht nodig is van degene die door het schenden van het voorschrift, het geheim houden van het advies, wordt geraakt. Een dergelijke klacht ontbreekt in het dossier.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het delict waarvan verdachte wordt verdacht niet gericht is tegen bepaalde personen. Om die reden is geen sprake van een klachtplicht voor dit delict, zoals bedoeld in artikel 272, tweede lid, Sr.

De rechtbank overweegt als volgt. Aan verdachte wordt verweten dat hij een advies openbaar heeft gemaakt dat hij verplicht was geheim te houden op grond van artikel 28 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). De schending van dit geheim is een misdrijf uit hoofde van artikel 272 Sr. Op grond van het tweede lid van dit artikel vindt vervolging voor het schenden van genoemde wettelijke geheimhoudingsplicht, indien dit misdrijf is gepleegd tegen een bepaald persoon, niet plaats dan op klacht van degene tegen wie dit misdrijf is begaan.

In dit geval is van een klachtplicht echter geen sprake. Artikel 28 Wet Bibob strekt tot bescherming van de privacy van derden. Een doeltreffende uitvoering van de Wet Bibob vergt dat degenen aan wie een Bibob-advies wordt verstrekt, dit advies geheim houden zodat eenieder die in het advies wordt genoemd erop kan vertrouwen dat zijn gegevens niet verder worden verspreid. Het is daarmee niet zo dat elke openbaarmaking van een Bibob-advies dús gericht is tegen de in dat advies genoemde derden. In dit geval is het handelen van verdachte helemaal niet gericht tegen bepaalde personen. Verdachte heeft immers gehandeld om het handelen van de gemeente Zwolle aan de kaak te stellen en niet om de in het advies genoemde derden te schaden. Het schenden van het geheim raakt in dit geval het algemeen belang en niet het persoonlijke belang van derden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

3.1.2

Een redelijke belangenafweging

Vervolgens heeft de raadsvrouw, met de raadsman van de medeverdachte, bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, omdat het Openbaar Ministerie de beslissing verdachte te vervolgen heeft gemaakt zonder een redelijke belangenafweging. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het doel van artikel 28 Wet Bibob, het beschermen van privacygevoelige gegevens van derden is. Bij een behandeling van de feiten ter terechtzitting zal de geheime informatie waar het in deze zaak om gaat alleen nog maar meer mensen bereiken. Door het vervolgen van verdachte gaat het Openbaar Ministerie derhalve in tegen het doel van de wetgever en schaadt het juist de belangen van het individu.

De officier van justitie heeft gesteld dat voorafgaande aan de beslissing om tot vervolging over te gaan wel degelijk een zorgvuldige belangenafweging is gemaakt tussen de belangen van de gemeente die aangifte heeft gedaan van het doelbewust naast zich neerleggen van wetgeving door verdachte en de belangen van derden wiens gegevens zich in het Bibob-advies bevinden en waarvan de privacy moet worden bewaakt. Het is het doelbewuste handelen van verdachte geweest wat heeft gemaakt dat toch tot vervolging is overgegaan.

De rechtbank overweegt dat krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, het aan het Openbaar Ministerie is om zelfstandig te beslissen of – en zo ja – wie vervolgd wordt. Hierbij heeft het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid. Slechts indien zou blijken dat het Openbaar Ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen raken. Dit betekent dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld, doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met die vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is in onderhavige zaak van een zodanige aperte onevenredige vervolgingsbeslissing volstrekt geen sprake. De aangifte van de gemeente vormde voor het Openbaar Ministerie meer dan voldoende aanleiding om de vervolging in te stellen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

3.1.3

Willekeur

Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat het Openbaar Ministerie door het vervolgen van verdachte volstrekt willekeurig heeft gehandeld en daarmee heeft gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Als het Openbaar Ministerie besluit verdachte te vervolgen voor het schenden van zijn geheimhoudingsplicht, dan moet het Openbaar Ministerie ook de gemeente vervolgen, aangezien de gemeente ook informatie uit het Bibob-advies heeft verstrekt, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de officier van justitie om die reden niet-ontvankelijk te verklaren.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van enige willekeur. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat het niet juist is een vergelijking te maken tussen de gemeente die vanuit haar publieke taak gebruik heeft gemaakt van haar recht op het doen van aangifte van een strafbaar feit en de twee verdachten die er doelbewust voor hebben gekozen hun geheimhoudingsplicht te schenden.

De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om verdachte te vervolgen niet leidt tot een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing zodanig dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur. Het is aan het Openbaar Ministerie om een afweging te maken ten aanzien van het al dan niet vervolgen van een persoon en ten aanzien van de keuze voor het strafbare feit waarvoor die persoon wordt vervolgd. Hetgeen is aangevoerd door de raadsvrouw leidt niet tot de conclusie dat sprake is van schending van het verbod van willekeur. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

3.2

De overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

6 De strafbaarheid van verdachte

7 De op te leggen straf of maatregel

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

9 De beslissing