Rechtbank Overijssel, 12-04-2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:1508, 08-997504-17 (P)
Rechtbank Overijssel, 12-04-2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:1508, 08-997504-17 (P)
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 12 april 2021
- Datum publicatie
- 12 april 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2021:1508
- Zaaknummer
- 08-997504-17 (P)
Inhoudsindicatie
De eigenaren van Chickfriend en Chickclean zijn door de rechtbank veroordeeld tot 12 maanden celstraf. De twee Barnevelders hebben willens en wetens honderden pluimveestallen ontsmet met een bestrijdingsmiddel waar het verboden en schadelijke fipronil in zat. Zij verwaarloosden het belang van voedselveiligheid, zorgden voor gezondheidsrisico’s, milieuschade en een enorme economische schade.
Uitspraak
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-997504-17 (P)
Datum vonnis: 12 april 2021
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 december 2020, 10, 11 en 29 maart 2021.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mr. D. van Ieperen en mr. F.A. Demmers en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman
mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte telkens in de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 februari 2018 al dan niet samen met [medeverdachte] :
feit 1: feitelijk leiding heeft gegeven aan het verkopen van een middel dat de werkzame stof fipronil bevatte door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] wetende dat dit middel voor het leven of de gezondheid schadelijk is en die schadelijkheid heeft verzwegen;
feit 2 en feit 3: feitelijk leiding heeft gegeven aan het voorhanden of in voorraad hebben van biociden zonder toelating, door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] ;
feit 4 en feit 5: feitelijk leiding heeft gegeven aan het op de markt aanbieden en/of gebruiken van biociden zonder toelating, door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] ;
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam
[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met 12
februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of elders in Nederland, en/of België
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
meermalen, maar in ieder geval eenmaal,
(telkens), een waar/waren, te weten
‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-
boast, (telkens) bevattende de werkzame stof Fipronil,
heeft/hebben verkocht en/of te koop heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben
afgeleverd,
wetende dat (een of meer van) die waar/waren voor het leven of de gezondheid schadelijk is / zijn,
terwijl die [bedrijf 1] v.o.f. en/of die [bedrijf 3] v.o.f. en/of hun mededader(s) (telkens) dat schadelijk karakter hebben/heeft verzwegen;
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] ,
tot bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan
bovenomschreven verboden gedraging(en);
ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat
[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam
[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )
in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met 12 februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of elders in Nederland, en/of België
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
opzettelijk niet aan haar verplichting heeft voldaan om op zorgvuldige wijze om te gaan met biociden en/of de daarbij behorende werkzame stoffen,
immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s)
- Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast,
bevattende (telkens) de werkzame stof Fipronil
op de markt gebracht en/of gebruikt en/of verkocht en/of te koop aangeboden en/of afgeleverd,
waardoor zij en/of haar mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) kunnen
vermoeden, dat door dit handelen en/of nalaten gevaar ontstond en/of kon ontstaan voor een mens en/of voor een dier en/of voor de bodem en/of voor het water;
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] ,
tot bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan
bovenomschreven verboden gedraging(en);
2.
[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam
[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met 12
februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of
elders in Nederland, en/of
België
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
meermalen, maar in ieder geval eenmaal,
(telkens), opzettelijk, een of meer biocide(n), te weten
‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast
en/of
‐ Miteclean
voorhanden of in voorraad heeft gehad,
terwijl (telkens) dat/die biocide(n) niet ingevolge de "Wet gewasbeschermingsmiddelen
en biociden" was/waren toegelaten;
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , tot
bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan
bovenomschreven verboden gedraging(en);
3.
[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam
[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met 12
februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of
elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
meermalen, maar in ieder geval eenmaal,
(telkens), opzettelijk, een of meer biocide(n), te weten
‐ Formaline en/of
‐ Kilcox en/of
‐ Envirex en/of Virex en/of
‐ Neporex en/of
‐ Fatal en/of
‐ Lurectron,
voorhanden of in voorraad heeft gehad,
terwijl (telkens) dat/die biocide(n) niet ingevolge de "Wet gewasbeschermingsmiddelen
en biociden" was/waren toegelaten;
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , tot
bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan
bovenomschreven verboden gedraging(en);
4.
[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam
[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met
12 februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen
en/of elders in Nederland, en/of
België
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
meermalen, maar in ieder geval eenmaal,
(telkens), opzettelijk, heeft/hebben gehandeld in strijd met artikel 17, eerste, vijfde en/of
zesde lid van verordening (EU) Nr. 528/2012 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde
verordeningen,
immers heeft/hebben die [bedrijf 1] v.o.f. en/of die [bedrijf 3] v.o.f. en/of
hun mededader(s)
een of meer biocide(n), te weten
‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast
en/of
‐ Miteclean
op de markt aangeboden en/of gebruikt,
terwijl (telkens) voor die biocide(n) geen toelating overeenkomstig die verordening was
verleend,
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , tot
bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan
bovenomschreven verboden gedraging(en);
5.
[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam
[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )
op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met 12
februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of
elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
meermalen, maar in ieder geval eenmaal
(telkens), opzettelijk, heeft/hebben gehandeld in strijd met artikel 17, eerste, vijfde en/of
zesde lid van verordening (EU) Nr. 528/2012 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde
verordeningen,
immers heeft/hebben die [bedrijf 1] v.o.f. en/of die [bedrijf 3] v.o.f. en/of
hun mededader(s)
een of meer biocide(n), te weten
‐ Formaline en/of
‐ Kilcox en/of
‐ Envirex en/of Virex en/of
‐ Neporex en/of
‐ Fatal en/of
‐ Lurectron,
op de markt aangeboden en/of gebruikt,
terwijl (telkens) voor die biocide(n) geen toelating overeenkomstig die verordening was
verleend,
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , tot
bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan
bovenomschreven verboden gedraging(en).
3 De voorvragen
De geldigheid van de dagvaarding
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft partiële nietigheid van de dagvaarding bepleit, voor zover het gaat om het onder feit 1 primair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe gesteld dat de dagvaarding onduidelijk is, omdat niet is gespecificeerd op welke gevaren de tenlastelegging ziet. Hoewel strikt juridisch bekeken, de strafbaarstelling in artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ook kan zien op dieren, blijkt dat niet uit de onderhavige dagvaarding. Wanneer andere gevaren, dan de gevaren voor mensen, onder de dagvaarding worden geschaard, dient de dagvaarding in zoverre nietig te worden verklaard.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de dagvaarding voldoende duidelijk en feitelijk is omschreven, zodat de dagvaarding geldig is. Het in de tenlastelegging opgenomen element “leven of gezondheid” is een bestanddeel afkomstig uit de wettekst en betreft, zoals blijkt uit jurisprudentie, wetsgeschiedenis, plaatsing van het artikel in titel VII Sr en de literatuur, het leven en de gezondheid van mens èn dier. De lezing van de raadsman is derhalve een te beperkte interpretatie van het bestanddeel. Deze interpretatie blijkt ook reeds uit het appelschriftuur van het Openbaar Ministerie ter zake de gevangenhouding van verdachten, waar op pagina 8 is opgenomen: “(..) vooropgesteld moet worden dat blijkens de memorie van toelichting bij artikel 174 Strafrecht onder gezondheid de gezondheid van mensen, dieren en planten moet worden gevat.”.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ziet op waren die schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid van mens, dier en/of plant en dat dit ook uit het dossier blijkt. Tijdens de zitting is gebleken dat het bij de verdediging bekend was dat de verdenking daar mede op zag. De tenlastelegging voldoet naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan de eisen gesteld door artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu het voor alle procespartijen duidelijk is wat de inzet van het geding is. Ten aanzien van feit 1 primair is de rechtbank van oordeel dat voldoende concreet is op welke mogelijke gevaren het gemaakte verwijt betrekking heeft, nu uit de jurisprudentie, wetsgeschiedenis, plaatsing van het artikel in titel VII Sr en de literatuur duidelijk de reikwijdte van artikel 174 Sr volgt. Dat in het onderhavige geval in de tenlastelegging niet feitelijk is uitgeschreven welke schade zich heeft voorgedaan, maakt dit niet anders. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman omtrent de nietigheid van de dagvaarding en stelt vast dat deze geldig is.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie, op grond van het wettelijke uitgangspunt van artikel 94 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) en het geldende handhavingsbeleid – waaraan het Openbaar Ministerie zich ondubbelzinnig heeft gecommitteerd –, niet tot strafvervolging mocht overgaan en dat het Openbaar Ministerie daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van feit 1 subsidiair en de feiten 2, 3, 4 en 5. Hij voert daartoe aan dat uit artikel 94 Wgb volgt dat alleen in (zeer) ernstige gevallen, of als de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, een strafvervolging kan worden ingesteld. In het zogenoemde Handhavingsdocument voor de Wgb van 26 augustus 2008 wordt een nadere invulling gegeven aan het in artikel 94 van die wet genoemde afstemmingsvereiste. De raadsman heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie onvoldoende aan de hand van de in dit Handhavingsdocument genoemde criteria en factoren heeft gemotiveerd dat in het onderhavige geval sprake is van een (zeer) ernstig feit.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat er sprake is van duale handhaving, maar dat uit de memorie van toelichting blijkt dat er een nadrukkelijke rol voor het strafrecht blijft, als het gaat om aanmerkelijke en opzettelijke vormen van illegaal middelengebruik. Wanneer strafrechtelijk moet worden opgetreden, dient te worden getoetst aan een aantal criteria die zijn uitgewerkt in een drietal documenten, te weten het Handhavingsdocument voor de Wgb van 26 augustus 2008, de Sanctiestrategie Wgb van 9 maart 2011 en het Algemeen interventiebeleid en het specifiek interventiebeleid. De officier van justitie heeft gesteld dat de Sanctiestrategie van 9 maart 2011 het beleidskader geeft in de onderhavige zaak en dat is voldaan aan de criteria genoemd in de Sanctiestrategie en het Handhavingsdocument. Zo werd er door de gedraging een potentieel gevaarlijke situatie in het leven geroepen voor mens, dier en milieu, hebben de gedragingen ernstige economische gevolgen gehad, werden de feiten in georganiseerd verband gepleegd en zijn er malversaties gepleegd om wederrechtelijk verkregen voordeel te behalen en de kans op ontdekking van het feit tot een minimum te beperken. De officier van justitie heeft gesteld dat het verweer daarom moet worden verworpen en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek al dan niet strafvervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing en wel in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo'n uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer de vervolging in strijd is met gepubliceerde handhavingsdocumenten, zoals die behorende bij de Wgb, indien die bij verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet zal worden vervolgd.
In de memorie van toelichting bij de Wgb is opgenomen dat strafrechtelijk moet worden opgetreden indien de overtreding maatschappelijke verontrusting of een geschokte rechtsorde oplevert. In het handhavingsdocument voor de Wgb van 26 augustus 2008 staan de volgende, nader uitgewerkte, criteria genoemd:
“het is een overtreding met ernstige gevolgen voor mens, dier of milieu: dat wil zeggen de overtreding heeft ernstige gevolgen veroorzaakt voor mens, dier of milieu, dan wel dreigt die te veroorzaken;
het is een overtreding begaan in georganiseerd verband;
het is een overtreding begaan met behulp van malversaties zoals frauduleuze constructies, omkoping of geweld om wederrechtelijk voordeel te behalen of de kans op ontdekking te minimaliseren;
het is de derde overtreding in een tijdsbestek van 5 jaar; dat wil zeggen herhaalde recidive binnen 5 jaar (...)”
Indien voldaan is aan één van deze criteria kan strafrechtelijk worden opgetreden.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie in deze zaak tot strafvervolging mocht overgaan. Daarbij acht de rechtbank de volgende omstandigheden - die al bekend waren op het moment dat het Openbaar Ministerie tot vervolging overging - ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 tot en met 5 ten laste gelegde feiten van belang:
- -
-
nu het vermoeden bestond dat verdachte een niet toegelaten middel op de markt heeft gebracht waarvan onduidelijk was welke mogelijke schadelijke gevolgen het middel kon hebben, werd een potentieel gevaar in het leven geroepen voor mens, dier en milieu;
- -
-
het onderzoek in Nederland startte nadat de NVWA een tip kreeg van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de Voedselketen, de Belgische toezichthouder op dit gebied, dat fipronil in eieren was aangetroffen bij een Belgisch bedrijf dat door [bedrijf 2] met Dega-16 was behandeld. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] waren professioneel opgezette ondernemingen en de verdachten in Nederland werkten onderling samen. Daarnaast maakten zij ook afspraken met hun Belgische leverancier;
- -
-
tot slot zijn er malversaties gepleegd om wederrechtelijk verkregen voordeel te behalen en de kans op ontdekking van het strafbare feit te minimaliseren. Zo werd er tijdens de eerste controle op 7 juli 2017 bewust bewijsmateriaal verstopt en achtergehouden.
De rechtbank is op grond van vorenstaande overwegingen van oordeel dat van een vervolging in strijd met handhavingsdocumenten niet is gebleken. De rechtbank stelt dan ook vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte voor het ten laste gelegde onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5.
De overige voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. De rechtbank overweegt daarbij ambtshalve dat weliswaar verdachte niet gedagvaard is te verschijnen voor de meervoudige economische kamer van deze rechtbank ook al betreffen enkele ten laste gelegde feiten economische delicten, maar dat zij op grond van artikel 39, tweede lid van de Wet op de economische delicten (WED) toch bevoegd is ook deze economische delicten te berechten, nu deze in samenhang zijn begaan met het eerste primair ten laste gelegde feit, welk geen economisch delict betreft, en waarvan de rechtbank bevoegd is kennis te nemen.