Home

Rechtbank Overijssel, 23-11-2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:3628, C/08/270484 HA ZA 21-364

Rechtbank Overijssel, 23-11-2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:3628, C/08/270484 HA ZA 21-364

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23 november 2022
Datum publicatie
5 december 2022
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2022:3628
Zaaknummer
C/08/270484 HA ZA 21-364

Inhoudsindicatie

In deze zaak is de vraag aan de orde of ING aansprakelijk is tegenover de boedel in het faillissement van X Vastgoed B.V. . Volgens de curator heeft ING haar vordering op X uit hoofde van verstrekte financiering op ongeoorloofde wijze opgeëist en geïncasseerd. Tussen partijen staat onder meer ter discussie: of ING inbreuk heeft gemaakt op het verrekeningsverbod uit artikel 54 Fw; of sprake is van paulianeus handelen in de zin van artikel 42 Fw; of een geldig hypotheekrecht is gevestigd op het woonhuis van de indirecte bestuurder van X ; en of ING als pandhouder bevoegd was om een schikking te treffen met een schuldenaar van X . De rechtbank zal tot het oordeel komen dat ING niet tegenover de boedel aansprakelijk is. De vorderingen van de curator zullen worden afgewezen.

Uitspraak

vonnis

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/270484 HA ZA 21-364

Vonnis van 23 november 2022

in de zaak van

NICK JOHAN HERMAN LEFERINK, in hoedanigheid van curator in het faillissement van [X] VASTGOED B.V.,

kantoorhoudend in Enschede,

eiser,

hierna genoemd: “de curator”,

advocaten: mrs. A.T. Brouwer en N.J.H. Leferink,

tegen

ING BANK N.V.,

gevestigd in Amsterdam,

gedaagde,

hierna genoemd: “ING”,

advocaten: mrs. E.J.R. Verwey, S. Klinkhamer en F.J. van den Bergen.

1 Inleiding

1.1.

In deze zaak is de vraag aan de orde of ING aansprakelijk is tegenover de boedel in het faillissement van [X] Vastgoed B.V. (hierna: “ [X] ”). Volgens de curator heeft ING haar vordering op [X] uit hoofde van verstrekte financiering op ongeoorloofde wijze opgeëist en geïncasseerd. Tussen partijen staat onder meer ter discussie: of ING inbreuk heeft gemaakt op het verrekeningsverbod uit artikel 54 Fw; of sprake is van paulianeus handelen in de zin van artikel 42 Fw; of een geldig hypotheekrecht is gevestigd op het woonhuis van de indirecte bestuurder van [X] ; en of ING als pandhouder bevoegd was om een schikking te treffen met een schuldenaar van [X] . De rechtbank zal tot het oordeel komen dat ING niet tegenover de boedel aansprakelijk is. De vorderingen van de curator zullen worden afgewezen.

1.2.

Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot haar beslissing is gekomen (onder 5.). Eerst zal de rechtbank het verloop van de procedure weergeven (onder 2.), de feiten die tussen partijen niet ter discussie staan uiteenzetten (onder 3.), en de vorderingen van de curator omschrijven (onder 4.).

2 Het verloop van de procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 januari 2022,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 oktober 2022,

- de spreekaantekeningen van de curator,

- de spreekaantekeningen van ING.

3 De vaststaande feiten

3.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:

( a) [X] is bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 14 maart 2018 in staat van faillissement verklaard. Daarbij is mr. Leferink als curator aangesteld. [X] dreef een onderneming die zich richtte op het beleggen in en het exploiteren van vastgoed. Haar inkomsten bestonden voornamelijk uit de opbrengsten van de verhuur van het vastgoed dat zij in eigendom had.

Tot maart 2012 had ING geldleningen aan [X] heeft verstrekt tot een totaalbedrag van ongeveer € 17 miljoen. Met betrekking tot de terugbetalingsverplichting van [X] zijn sinds eind 2013 achterstanden ontstaan.

( b) ING heeft in juni 2015 brieven verstuurd aan de huurders van het vastgoed van [X] . Daarbij heeft ING aan de huurders meegedeeld dat [X] haar een pandrecht op de huurvorderingen heeft verleend, en dat de huurpenningen voortaan rechtstreeks aan ING betaald moeten worden. De huurvorderingen zijn vanaf dat moment tot en met het eerste kwartaal van 2018 geïnd door een incassogemachtigde van ING, namelijk [A] . Na de inning van de huurvorderingen door [A] is de rekening-courant die [X] bij ING aanhield gecrediteerd met bedragen van in totaal € 1.304.633,23. Op de momenten van creditering vertoonde de rekening-courant telkens een debetsaldo, dat steeds is verlaagd met de gecrediteerde bedragen.

( c) De heer [B] (hierna: “ [B] ”), de indirecte bestuurder en aandeelhouder van [X] , heeft in 2010 een hypotheekrecht op zijn woonhuis verleend aan ING, tot zekerheid voor de vorderingen van ING op [X] (hierna: “de derdenhypotheek”). Het woonhuis is in 2017 onderhands door [B] verkocht. Conform afspraak tussen [B] en ING, heeft de betrokken notaris de verkoopopbrengst tot een bedrag van € 373.268,00 overgemaakt aan ING ter aflossing van de schuld van [X] aan ING. Vervolgens is de rekening-courant van [X] bij ING met € 360.000,00 gecrediteerd. Op het moment van creditering vertoonde de rekening-courant een debetsaldo, dat met het gecrediteerde bedrag is verlaagd.

( d) [X] heeft samen met [C] B.V. (hierna: “ [C] ”) in 2007 een vennootschap onder firma opgericht met de naam [D] V.O.F (hierna: “de VOF”). [X] en [C] hebben in hun hoedanigheid van vennoten van de VOF een perceel aan [het adres] aangekocht (hierna: “het perceel”). Ter financiering van deze aankoop heeft ING in 2007 een lening aan de VOF verstrekt. Daarbij is aan ING een hypotheekrecht op het perceel verleend.

In november 2017 is het vermogen van de VOF bij notariële akte verdeeld, waarbij [X] uit de VOF trad en [C] de onderneming van de VOF voortzette. Het (aandeel van [X] in de eigendom van het) perceel is daarbij toebedeeld en geleverd aan [C] . Aan [X] kwam een uitkoopsom (een vordering wegens onderbedeling) toe van € 54.750,00. Conform een daartoe in november 2017 door [X] en ING gemaakte afspraak, heeft de betrokken notaris de uitkoopsom tot een bedrag van € 43.600,00 uitgekeerd aan ING ter aflossing van de schuld van [X] aan ING. ING had de ontvangst van dit deel van de uitkoopsom als voorwaarde gesteld voor het royement van haar hypotheekrecht op het perceel.

( e) ING heeft in november 2018, dus na het faillissement van [X] , een schikking getroffen met een debiteur (huurder) van [X] , namelijk [E] Uitzendbureau (hierna: “ [E] ”). Op grond van de schikking heeft ING tegen betaling van € 10.000,00 finale kwijting aan [E] verleend voor het restant van haar huurschuld aan [X] .

4 De vorderingen

5 De beoordeling

6 De beslissing