Home

Rechtbank Overijssel, 03-05-2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1947, C/08/283081 / HA ZA 22-240

Rechtbank Overijssel, 03-05-2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1947, C/08/283081 / HA ZA 22-240

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
3 mei 2023
Datum publicatie
31 mei 2023
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2023:1947
Zaaknummer
C/08/283081 / HA ZA 22-240

Inhoudsindicatie

Vereenzelviging rechtspersoon. Na bedrijfsovername blijkt een overgenomen dochtervennootschap minder waard te zijn. De dochtervennootschap kan de uitstaande geldleningen aan haar moedervennootschap en een andere dochtervennootschap niet terugbetalen. Koper en verkoper sluiten een vaststellingsovereenkomst. Na ontvangst van de definitieve belastingaanslag vennootschapsbelasting dient de moedermaatschappij van verkoper een bezwaarschrift in en wenst zij de geldleningen af te waarderen. De Belastingdienst is daar grotendeels in meegegaan. Dat levert de moedermaatschappij een belastingvoordeel op, bestaande uit een teruggaaf wegens teveel betaalde vennootschapsbelasting. Volgens de koper is zij degene die tot afwaardering van de leningen hoorde te beslissen en heeft zij recht op het belastingvoordeel dat aan die afwaardering is verbonden. Koper vordert het misgelopen belastingvoordeel als schadevergoeding van de verkoper en diens moedermaatschappij. De rechtbank wijst de vordering toe wegens het in strijd handelen met de koopovereenkomst. Verkoper en de moedervennootschap worden beide veroordeeld als gevolg van vereenzelviging van de rechtspersoon.

Uitspraak

vonnis

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/283081 / HA ZA 22-240

Vonnis van 3 mei 2023

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. G.J.R. Kalsbeek te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 3] ,

gedaagden,

advocaat mr. V.J.M. Verlinden-Masson te Groningen.

Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd. Gedaagden worden ieder afzonderlijk aangeduid met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , of gezamenlijk met [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 22 juni 2022 met producties 1 tot en met 28

-

de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 13c

-

het tussenvonnis van 12 oktober 2022, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald

-

de brief van [eiseres] van 10 januari 2023 met productie 29, waarbij een eisvermindering is aangekondigd

-

de nadere producties 30 en 31 van [eiseres]

- de mondelinge behandeling van 24 januari 2023, waarbij de advocaten van partijen pleitnotities hebben voorgedragen, waarin is begrepen de eisvermindering van [eiseres] , en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2.

Ten slotte is een datum vastgesteld voor het vonnis.

2 De samenvatting

2.1.

Kort samengevat is in deze zaak aan de orde of [gedaagden] gerechtigd was om bezwaar te maken tegen een aanslag vennootschapsbelasting waardoor zij gelden terug kreeg, of niet. [gedaagde 1] heeft door middel van een aandelenoverdracht de vennootschap [bedrijf 1] B.V. (met dochtervennootschappen) namelijk verkocht aan [eiseres] . Enkele maanden na de overdracht van de aandelen, medio 2020, is gebleken dat één van de dochtervennootschappen, [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), niet solvabel was. Zij kon de uitstaande geldleningen bij [bedrijf 1] B.V. en een andere dochtervennootschap ( [bedrijf 3] B.V.) niet terugbetalen. [gedaagde 1] en [eiseres] hebben daarom een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [gedaagde 1] aan [eiseres] € 6.000.000 heeft voldaan. [gedaagde 2] heeft vervolgens een bezwaarschrift ingediend tegen de vennootschapsbelasting over 2018 die aan haar was opgelegd als hoofd van de fiscale eenheid met [gedaagde 1] . [gedaagde 2] heeft de geldleningen van [bedrijf 2] in 2018 willen afwaarderen en de Belastingdienst is daar grotendeels in meegegaan. [gedaagde 2] heeft daardoor een fiscaal voordeel behaald en € 1.071.305 van de Belastingdienst teruggekregen. Volgens [eiseres] behoorde het fiscale voordeel haar ten gunste te komen. De vordering van [eiseres] strekt er met name toe dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] worden veroordeeld tot betaling van het misgelopen voordeel ten bedrage van € 1.190.008.

2.2.

De rechtbank wijst de vorderingen van [eiseres] toe. De overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid zullen hierna aan de orde komen.

3 De feiten

3.1.

[gedaagde 1] is als onderneming actief met de productie en verkoop van hout. [gedaagde 2] is 100% aandeelhouder van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] was op haar beurt 100% aandeelhouder van de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] produceert en verkoopt houtproducten.

3.2.

[bedrijf 1] heeft verschillende dochtermaatschappijen, waaronder [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) en [bedrijf 2] in Indonesië (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 1] en haar Nederlandse dochtermaatschappijen waren tot 31 oktober 2019 samen met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (hierna: fiscale eenheid VPB), met [gedaagde 2] aan het hoofd daarvan. De structuur zag er als volgt uit:

[Afbeelding]

3.3.

[eiseres] is een holdingmaatschappij van een groep ondernemingen die zich bezighoudt met de verkoop van op maat gemaakte houten meubelstukken en onderdelen voor gebouwen, zoals trappen, vloeren en deuren.

3.4.

Op 23 september 2019 heeft [gedaagde 1] haar volledige aandelenbelang in [bedrijf 1] verkocht aan [eiseres] . [eiseres] heeft voor de overname een bedrag van € 32.600.000 betaald. Partijen zijn in artikel 2.3 van de koopovereenkomst overeengekomen dat de aandelen (en daarmee de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming) vanaf 1 januari 2019 (de ‘effectieve datum’) economisch voor rekening en risico van [eiseres] komt, op voorwaarde dat de levering van de aandelen is voltooid.

3.5.

Op de balans van [bedrijf 2] staan twee geldleningen, enerzijds een geldlening van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] van € 786.344 en anderzijds een geldlening van [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] van € 5.127.785. In totaal gaat het om € 5.914.129. [bedrijf 2] heeft in 2019 nog een bedrag van € 452.795 voldaan aan aflossingen en rente.

3.6.

Op 11 oktober 2019 heeft [gedaagde 2] de aangifte vennootschapsbelasting gedaan voor de fiscale eenheid VPB. Kort daarna, op 31 oktober 2019, is de fiscale eenheid op verzoek van [gedaagde 2] beëindigd.

3.7.

Op 4 november 2019 heeft de notariële levering van de aandelen plaatsgevonden. Met de levering van de aandelen is [eiseres] ook indirect aandeelhouder geworden van de dochtermaatschappijen van [bedrijf 1] .

3.8.

Op 21 november 2019 heeft [gedaagde 1] een financiële rapportage verstrekt aan [eiseres] . In die rapportage worden ook de leningen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] en [bedrijf 3] vermeld.

3.9.

In de zomer van 2020 heeft [eiseres] ontdekt dat de financiële positie van [bedrijf 2] veel slechter is dan voorgesteld ten tijde van de verkoop. Zo was de voorraadinformatie onjuist (€ 4.700.000 lager dan voorgespiegeld) en ontbraken er aanbetaalde vermogens-bestanddelen. [eiseres] heeft hierover contact opgenomen met [gedaagde 1] , omdat de ondernemingswaarde van [bedrijf 1] ten gevolge van de financiële positie van [bedrijf 2] niet juist was ten tijde van de effectieve datum (1 januari 2019).

3.10.

Op 24 juli 2020 hebben [eiseres] en [gedaagde 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten. Zij hebben daarin afgesproken dat [gedaagde 1] tegen finale kwijting een bedrag van € 6.000.000 voldoet aan [eiseres] , deels door middel van betaling van € 3.000.000 en deels door de levering van een onroerende zaak ter waarde van € 3.000.000.

3.11.

Op 13 maart 2021 heeft de Belastingdienst aan [gedaagde 2] (als hoofd van de fiscale eenheid VPB) de definitieve aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2018 opgelegd aan de fiscale eenheid VPB.

3.12.

Op 22 april 2021 heeft [gedaagde 2] bezwaar gemaakt tegen de aanslag vennootschapsbelasting, omdat in haar optiek de geldleningen van [bedrijf 2] in 2018 moesten worden afgewaardeerd.

3.13.

De Belastingdienst heeft bij beslissing op bezwaar van 2 december 2021 het bezwaar van [gedaagde 2] gegrond verklaard en de geldleningen afgewaardeerd in de periode 2018 en 2019. Op basis daarvan is de belastbare winst over 2018 met € 1.253.518 verlaagd en heeft [gedaagde 2] een bedrag van € 1.071.305 terug ontvangen wegens te veel betaalde vennootschapsbelasting.

4 Het geschil

5 De beoordeling

6 De beslissing