Home

Rechtbank Overijssel, 18-12-2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:5175, 84.191176.21 (P)

Rechtbank Overijssel, 18-12-2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:5175, 84.191176.21 (P)

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18 december 2023
Datum publicatie
18 december 2023
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2023:5175
Zaaknummer
84.191176.21 (P)

Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 150.000,00, waarvan een gedeelte van € 75.000,00 voorwaardelijk is, met een proeftijd van 3 jaren. De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk bedrijfsmatig heeft bemiddeld in de afzet en afgifte van papierslib, terwijl zij had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

Uitspraak

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84.191176.21 (P)

Datum vonnis: 18 december 2023

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] B.V.,

gevestigd aan de [vestigingsplaats 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 en 15 november 2023 en 4 december 2023.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P.A. van der Vliet en van wat namens de verdachte door de heer [naam 1] en haar raadsman mr. R.G.J. Laan, advocaat in Hoorn, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 13 november 2023, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: tezamen en in vereniging met (een) ander(en) zich opzettelijk heeft ontdaan van afvalstoffen, te weten papierslib, door afgifte aan (een) afnemer(s) die niet bevoegd was/waren dat papierslib te ontvangen;

feit 2: tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (opzettelijk) afvalstoffen, te weten papierslib, heeft geleverd terwijl zij wist(en) (of redelijkerwijs had kunnen weten) dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan,

dan wel tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (opzettelijk) bedrijfsmatig papierslib heeft geleverd terwijl zij wist(en) (of redelijkerwijs hadden kunnen weten) dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of hadden kunnen ontstaan.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van

1 september 2018 tot en met 31 december 2019 in de gemeente(n) Brummen en/of

Leeuwarden en/of Stadskanaal en/of Noardeast-Fryslân en/of Tytsjerksteradiel

en/of Westerkwartier en/of Midden-Groningen en/of Tynaarlo, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

zich opzettelijk heeft ontdaan van bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke stoffen, te

weten papierslib, door afgifte aan:

- [bedrijf 1] te [vestigingsplaats 2] en/of

- [bedrijf 2] [naam 2] en [naam 3] te [vestigingsplaats 3] en/of

- [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats 4] en/of

- [bedrijf 4] B.V. te [vestigingsplaats 5] en/of

- [bedrijf 5] B.V. te [vestigingsplaats 6] en/of

- [bedrijf 6] [naam 4] te [vestigingsplaats 7] en/of

- [bedrijf 7] B.V. te [vestigingsplaats 8] en/of

- [bedrijf 8] en/of

althans aan één of meerdere afnemer(s) en/of vergister(s) en/of eindontvanger(s),

zulks terwijl die/dit bedrij(f)(ven) niet bevoegd was/waren die afvalstof(fen) in te

zamelen en/of te accepteren en/of te vergisten en/of nuttig toe te passen en/of te

verwijderen op grond van de aan haar/hun verleende omgevingsvergunning;

2.

zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2018

tot en met 31 december 2019 in de gemeente(n) Brummen en/of Leeuwarden en/of

Stadskanaal en/of Noardeast-Fryslân en/of Tytsjerksteradiel en/of Westerkwartier

en/of Midden-Groningen en/of Tynaarlo, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

handelingen met betrekking tot afvalstoffen (papierslib), welke bij haar ontstaan,

heeft/hebben verricht en/of nagelaten, bestaande uit

- het leveren van afvalstoffen (papierslib) aan afnemers en/of vergisters

en/of eindontvangers, te weten

• [bedrijf 1] te [vestigingsplaats 2] en/of

• [bedrijf 2] [naam 2] en [naam 3] te [vestigingsplaats 3] en/of

• [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats 4] en/of

• [bedrijf 4] B.V. te [vestigingsplaats 5] en/of

• [bedrijf 5] B.V. te [vestigingsplaats 6] en/of

• [bedrijf 6] [naam 4] te [vestigingsplaats 7] en/of

• [bedrijf 7] B.V. te [vestigingsplaats 8] en/of

• [bedrijf 8] en/of

• althans aan één of meerdere afnemer(s) en/of vergister(s) en/of eindontvanger(s)

en/of

terwijl zij wist(en) of redelijkerwijs had(den) kunnen weten dat daardoor nadelige

gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van

1 september 2018 tot en met 31 december 2019 in de gemeente(n) Brummen en/of

Leeuwarden en/of Stadskanaal en/of Noardeast-Fryslân en/of Tytsjerksteradiel

en/of Westerkwartier en/of Midden-Groningen en/of Tynaarlo, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was,

handelingen met betrekking tot afvalstoffen (papierslib) heeft/hebben verricht,

bestaande uit

- het leveren van afvalstoffen (papierslib) aan afnemers en/of vergisters

en/of eindontvangers, te weten

• [bedrijf 1] te [vestigingsplaats 2] en/of

• [bedrijf 2] [naam 2] en [naam 3] te [vestigingsplaats 3] en/of

• [bedrijf 3] B.V. te [vestigingsplaats 4] en/of

• [bedrijf 4] B.V. te [vestigingsplaats 5] en/of

• [bedrijf 5] B.V. te [vestigingsplaats 6] en/of

• [bedrijf 6] [naam 4] en/of

• [bedrijf 7] B.V. te [vestigingsplaats 8] en/of

• [bedrijf 8] en/of

• althans aan één of meerdere afnemer(s) en/of vergister(s) en/of

eindontvanger(s) en/of

terwijl zij wist(en) of redelijkerwijs had(den) kunnen weten, dat door die

handeling(en) nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of hadden kunnen

ontstaan.

3 De voorvragen

3.1

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ter terechtzitting is bepleit het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Hiertoe is – kort samengevat - het volgende aangevoerd.

[verdachte] (hierna: [verdachte] ) wordt verweten dat zij papierslib heeft geleverd aan co-vergisters die niet bevoegd waren dat papierslib te ontvangen. Ook wordt [verdachte] verweten dat zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of hadden kunnen ontstaan. Het Openbaar Ministerie heeft er echter voor gekozen een aantal partijen niet te dagvaarden, namelijk [bedrijf 9] B.V. (hierna: [bedrijf 9] ) en [bedrijf 10] B.V. Verder zijn de zaken tegen de betrokken co-vergisters aangebracht bij en reeds afgedaan door de economische politierechter.

De rechtbank stelt voorop dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).

De rechtbank is van oordeel dat een uitzonderlijke situatie zoals hierboven beschreven zich hier niet voordoet.

Ten aanzien van het verbod van willekeur geldt dat het ten onrechte niet vervolgen van derden wier gedragingen evenals die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen de verdachte. Onderzocht dient te worden of het openbaar ministerie naar willekeur de ene verdachte wel en de andere verdachte niet vervolgt, hoewel deze verdachten in een sterk vergelijkbare positie verkeren en een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar beslissing om [bedrijf 10] B.V. niet te vervolgen aangevoerd dat [naam 5] van [bedrijf 10] B.V. slechts als doorgeefluik heeft gefungeerd tussen [bedrijf 11] B.V. (hierna: [bedrijf 11] ) en [bedrijf 12] B.V. [bedrijf 12] B.V. heeft diens bemiddeling rechtstreeks gefactureerd aan [bedrijf 11] . [bedrijf 10] B.V. heeft zelf geen bemiddelende handelingen ontplooid anders dan het benaderen van [bedrijf 12] B.V.

Ten aanzien van [bedrijf 9] heeft de officier van justitie aangevoerd dat [bedrijf 9] enkel als transporteur heeft opgetreden en als doorgeefluik naar aanleiding van een verzoek van [verdachte] voor extra afzet. [bedrijf 9] heeft [bedrijf 13] B.V. benaderd en deze heeft vervolgens bemiddeld. [bedrijf 9] heeft de transporten uitgevoerd en de bemiddeling doorberekend. Deze handelingen vallen wat het Openbaar Ministerie betreft niet onder bemiddelen, zodat is besloten om niet tot vervolging van [bedrijf 9] over te gaan.

In de vervolging van de betrokken co-vergisters is de keuze gemaakt om enkel de grootste ontvangers te vervolgen voor de economische politierechter, waarbij in een aantal gevallen (ook) het in strijd handelen met de vergunning ten laste is gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze onderbouwing niet kan worden gesteld dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen beslissen om [verdachte] wel en [bedrijf 9] , [bedrijf 10] B.V. niet te vervolgen en de co-vergisters te dagvaarden voor de economische politierechter. Van handelen in strijd met het verbod van willekeur is daarom geen sprake.

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

3.2

Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft aangevoerd dat de tenlastelegging onvoldoende specifiek is geformuleerd, omdat de term ‘papierslib’ niet is gespecificeerd tot ‘papierslib met een kopergehalte boven de 75 mg/kg droge stof’. De tenlastelegging als zodanig levert geen strafbaar feit op, omdat papierslib met een kopergehalte onder 75 mg/kg droge stof wel mag worden verwerkt bij de co-vergisters. Hierdoor is niet duidelijk wat het strafrechtelijke verwijt is dat de verdachte wordt gemaakt.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de tenlastelegging voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 47 van de Wet op de economische delicten (hierna: WED). Daarin staat dat voor de dagvaarding betreffende een economisch delict kan worden volstaan met een korte aanduiding van het feit, dat te laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn.

Verdachte wordt verweten dat zij handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht. Ter verduidelijking is door de officier van justitie tussen haakjes toegevoegd het woord “papierslib”. Zo is het voor verdachte, mede in het licht van het opgemaakte strafdossier, volkomen duidelijk waar de tenlastelegging op ziet.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding hiermee voldoet aan de eisen van artikel 47 WED. De dagvaarding is voldoende gespecificeerd en duidelijk.

4 De bewijsmotivering

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

6 De strafbaarheid van verdachte

7 De op te leggen straf of maatregel

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

9 De beslissing