Home

Rechtbank Overijssel, 02-04-2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2068, C/08/315849 / HA ZA 24-242

Rechtbank Overijssel, 02-04-2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2068, C/08/315849 / HA ZA 24-242

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
2 april 2025
Datum publicatie
4 april 2025
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2025:2068
Zaaknummer
C/08/315849 / HA ZA 24-242

Inhoudsindicatie

Vordering tot verwijdering persoonsgegevens uit externe frauderegistratiesystemen toewijsbaar. Verzekeringsfraude niet voldoende komen vast te staan. Wel voldoende grond voor opname persoonsgegevens in interne frauderegistratiesystemen. Vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen niet toewijsbaar.

Uitspraak

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/315849 / HA ZA 24-242

Vonnis van 2 april 2025

in de zaak van

1 [partij A1] ,

te [woonplaats] , hierna te noemen [partij A1] ,2. [partij A2],

te [woonplaats] , hierna te noemen [partij A2] ,

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen [partij A] ,

advocaat: mr. T.W. Phea,

tegen

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

te Utrecht, hierna te noemen ASR,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

advocaat: mr. A.C. van der Salm.

1 De zaak in het kort

1.1.

Deze zaak gaat kort samengevat over het volgende. De dochter van [partij A] is in 2010 betrokken geraakt bij een ongeval. In de daaropvolgende letselschadeprocedure is geoordeeld dat ASR als WAM-verzekeraar aansprakelijk is voor de schade die de dochter door dat ongeval heeft geleden. ASR heeft op enig moment naar aanleiding van een in haar opdracht uitgevoerd observatieonderzoek geconcludeerd dat de dochter haar beperkingen als gevolg van het ongeval heeft overdreven. Omdat [partij A] volgens haar daarbij een grote rol hebben gespeeld, heeft ASR hun persoonsgegevens geregistreerd in de externe en interne frauderegistratiesystemen. [partij A] vorderen in conventie de ongedaanmaking van die registraties. ASR meent dat deze vorderingen moeten worden afgewezen en betoogt dat [partij A] met hun handelen zowel individueel als in groepsverband onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Zij vordert in reconventie betaling van de schade die zij stelt daardoor te hebben geleden.

1.2.

De rechtbank zal hierna tot het oordeel komen dat ASR de persoonsgegevens van [partij A] uit de externe frauderegistratiesystemen dient te verwijderen en dat geen aanleiding bestaat tot verwijdering van die gegevens uit de interne frauderegistratiesystemen. De vordering van ASR tot betaling van schadevergoeding zal worden afgewezen.

2. De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie;- de brief van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 november 2024.

2.2.

Hierna is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

De dochter van [partij A] , [dochter] (hierna te noemen: [dochter] ), die geboren is op [geboortedatum] , is op 10 juni 2010 betrokken geraakt bij een kop-staartbotsing. Bij dat ongeval was sprake van een relatief lage Delta-V van 3,4 tot 7,2 kilometer per uur. Het ongeval heeft tot gezondheidsklachten bij [dochter] geleid.

3.2.

ASR is in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar van de achteropkomende auto door (de dochter van) [partij A] aangesproken voor de als gevolg van het ongeval geleden schade. ASR heeft vervolgens de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

3.3.

[dochter] is in het schooljaar na het ongeval van de derde klas van de havo naar de derde klas van de mavo gegaan. Uiteindelijk heeft zij via het volwassenenonderwijs haar mavodiploma weten te halen. Hierna is [dochter] twee keer met een Mbo-opleiding gestart, maar met beide opleidingen is ze ook snel weer gestopt.

3.4.

[dochter] , althans [partij A] als haar wettelijke vertegenwoordigers, en ASR zijn na het ongeval in een langdurige letselschadeprocedure betrokken geweest. Daarbij stond het door ASR betwiste causaal verband tussen de door [dochter] gestelde klachten en het ongeval centraal.

3.5.

Bij tussenvonnis van 9 juli 2014 in die andere procedure heeft de rechtbank Overijssel vastgesteld dat tussen [partij A] en ASR niet in geschil is dat [dochter] kampt met de door haar gestelde gezondheidsklachten, bestaande uit pijn in de nek, zwaar gevoel in de armen, hoofdpijn, concentratieproblemen, pijn bij het lezen, moeheid, inslaapproblemen en vermindering van de geheugenfunctie. Bij vonnis van 4 november 2015 heeft de rechtbank Overijssel vervolgens voor recht verklaard dat het (postwhiplash gerelateerde) letsel en de daarmee verband houdende klachten van [dochter] in causaal verband staan met het ongeval en dat ASR gehouden is tot vergoeding van de schade die het gevolg is van het ongeval. ASR heeft hoger beroep ingesteld tegen de betreffende vonnissen.

3.6.

In een door een verzekeringsarts van het UWV opgesteld onderzoeksverslag van 15 januari 2015 staat vermeld dat [dochter] geen rijbewijs heeft.

3.7.

[dochter] woont sinds 2015 zelfstandig. Zij heeft op 15 januari 2016 haar rijbewijs gehaald. Medio 2018 is een WMO PGB voor [dochter] afgegeven.

3.8.

Bij tussenarrest van 23 januari 2018 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat een multidisciplinair onderzoek nodig is om een oordeel te kunnen geven over het bestaan en de omvang van de klachten van [dochter] en het causaal verband tussen die klachten en het ongeval. Het hof heeft vervolgens vier deskundigen benoemd, namelijk revalidatiearts Van Woensel, neuropsycholoog Van der Scheer, neuroloog Bernsen en psychiater De Mooij.

3.9.

In het rapport van Van Woensel van 16 september 2019 is onder meer het volgende te lezen:

Anamnese

De anamnese wordt afgenomen in aanwezigheid van betrokkene en van haar vader. Vader vult een belangrijk deel van de anamnese in. Teneinde de eigen ervaringen van betrokkene uit te horen, wend ik mij regelmatig specifiek tot haar. Zij vertoont in aanvang van de afspraak nauwelijks actieve contactopname, in een latere fase van het gesprek is er sprake van enige, maar nog altijd beperkte contactgroei. Wanneer ik haar hiermee confronteer, geeft zij aan zeer vermoeid te zijn en haar aandacht niet bij het gesprek te kunnen houden. Ongeveer 20 minuten na de start van het gesprek begint zij spontaan te huilen, geeft ook dan aan dat het allemaal te vermoeiend voor haar is.

(...)

Desalniettemin komt zij nauwelijks tot activiteiten. Indien er al sprake is van verandering van niveau van functioneren, beweegt deze volgens betrokkene in negatieve richting. Het huidige niveau van functioneren in bewoordingen van betrokkene:- Loopt 1/w een stukje buitenshuis, maximaal 10 minuten achtereen, daarna uitgeput. Komt verder naar eigen zeggen de deur niet uit- Is zelfstandig in wassen en aankleden, moeder komt meerdere malen per week bij haar thuis voor zorgtaken, huishouden, boodschappen doen- Wordt om 10 uur ’s ochtends wakker, rust daarna uit in bed, gaat van bed naar de bank, ontbijt alleen wanneer ze daar zin in heeft. Hangt rest van de ochtend op de bank, voert ’s middags en ’s avonds niets uit. Vult de dag met tv-kijken en niets doen(...)

Onderzoek

Betrokkene laat zich nauwelijks onderzoeken. Er bestaat een duidelijke kinesiofobie, betrokkene erkent dat zij opdrachten in het kader van lichamelijk onderzoek in elk geval voor een deel niet kan uitvoeren op basis van de angst voor pijntoename meer dan dat er dan al daadwerkelijk sprake is van pijntoename.

(...)

Beschouwing

Betrokkene heeft vele klachten waarbij zij ervaart niet in staat te zijn tot het uitvoeren van vele normale activiteiten (...). Deze klachten bestonden voor het ongeval naar mening van betrokkene en haar vader niet. Er is tijdens anamnese en onderzoek geen aanwijzing gevonden die anderszins doet vermoeden, laat staan aannemelijk maken.

Er is een duidelijke knik in de ontwikkeling ontstaan na het ongeval. Betrokkene heeft zich meer en meer moeten terugtrekken uit de sociale context, een context die nodig is voor een gezonde ontwikkeling. Zij ervaart dat dit terugtrekken uit een sociale context het gevolg is van de ernst van de klachten en de daaruit volgende beperkingen. Er is in mijn onderzoek geen aanwijzing gevonden die deze gedachtegang ontkracht.

(...)

Ook geeft zij aan een slechte concentratie te ervaren. Ten tijde van het door mij verrichte onderzoek kan betrokkene ook later in het gesprek (wanneer zij enkele malen heeft aangegeven dat ze sterk vermoeid raakt) vragen inhoudelijk adequaat beantwoorden. De juistheid van de informatie wordt dan door vader bevestigd. Wel is de mate van detaillering van de antwoorden in eerste aanleg beperkt. Bij doorvragen komen er meer details naar boven, maar blijft betrokkene haar antwoorden formuleren in korte woorden en korte zinnen. Dit duidt niet op een specifieke concentratiestoornis maar veeleer op een algehele lage belastbaarheid.

De coping van betrokkene wordt door mij als ineffectief geclassificeerd. (...) Het kan worden omschreven als de wijze waarop iemand omgaat met problemen en gebeurtenissen, alsmede omgaat met hevige gedachten en gevoelens. (...) De coping van de ouders in relatie tot betrokkene is mogelijk ineffectief en onderhoudend in de wijze waarop betrokkene de regie op haar leven oppakt, zekere uitspraken zijn hierover door mij niet te doen.

(...)

Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een medisch anatomisch substraat voor het voortduren van de klachten. (...) Het door mij uitgevoerde onderzoek kan de diagnose Whiplash Associated Disorder graad 2 onderschrijven. Echter, de klachten die betrokkene ervaart, worden in de moderne revalidatiegeneeskundige visie gezien als onderdeel van een aspecifiek chronisch pijnsyndroom waarbij niet zozeer schade of letsel voorop staan, maar waarbij de psychosociale elementen de uitkomst voor een belangrijk deel bepalen. (...)

3.10.

In het rapport van Van der Scheer van 5 december 2019 staat onder andere het volgende vermeld:

(...) Het intakegesprek wordt gevoerd in aanwezigheid van haar vader. (...) Als vragen langs haar heen gaan, geeft zij desgevraagd aan, dat het de snelle overprikkeling, het slechte slapen de nacht voor het onderzoek en de autorit die haar heeft vermoeid, zijn, die maken dat zij de aandacht er niet bij kan houden.

Omdat betrokken de gestelde vragen van onderzoekster veelal beantwoordde met ‘weet niet’ en zij na 25 minuten aangaf even uit de overigens rustige onderzoeksruimte te willen i.v.m. met de overprikkeling én vermoeidheid, heeft onderzoekster de verdere intake met haar vader gevoerd om relevantie informatie te verkrijgen. De informatie die hieruit naar voren kwam, is identiek aan datgene wat er reeds in het neurologisch conceptrapport van dr. Bernsen is vermeld.

Na de intake gevoerd met vader (duur vijf kwartier) is betrokkene, nadat zij deze tijd gerust én geslapen heeft in de wachtkamer op een slaapbank, opgehaald voor het feitelijke testonderzoek.

Vanwege het huidige toestandsbeeld, waarbij een grote passiviteit, initiatiefloosheid en a-vitaliteit merkbaar is in combinatie met het gegeven dat actieve deelname aan het gesprek betrokkene zeer zwaar valt en spaarzaam tot stand komt, heeft onderzoekster na bovengenoemde rustpauze weliswaar geprobeerd het testonderzoek af te nemen, maar al na één taak (...) werd duidelijk dat betrokkene niet testbaar is. Betrokkene huilt na de twee voorbeelditems, voelt zich niet goed, geeft aan erg veel last te hebben van de prikkels in de omgeving (vogelgeluiden) en erg vermoeid te zijn. Zij geeft aan te moeten liggen en rusten. Kortom, vanwege deze zeer marginale en lage belastbaarheid heeft onderzoekster besloten het testonderzoek niet te continueren. Het huidige getoonde gedrag (marginale belastbaarheid) staat echter haaks op en is niet consistent met het gedrag (cognitieve inzet én inspanning) dat nodig is om een VMBO-tl diploma, zelfs d.m.v. deelcertificaten, te behalen.

Eén en ander betekent dat er middels het onderzoek géén betrouwbare gegevens vergaard zijn, zodat er derhalve géén uitspraken gedaan kunnen worden ten aanzien van het cognitief functioneren van betrokkene. Een neuropsychologische onderbouwing voor het klachtenpatroon van betrokkene kan derhalve niet worden gegeven.

Het is evenwel aan het oordeel van de psychiater (aanbeveling) om na te gaan of een psychiatrische diagnose een passende en sluitende verklaring biedt voor het klachtenpatroon van betrokkene, dat naast pijnklachten ook cognitieve klachten betreft, én dat, aldus vader, in de tijd is toegenomen (m.n. de uitputting). Ook is het aan de psychiater om na te gaan of een psychiatrische diagnose een passende en sluitende verklaring biedt ten aanzien van de ernstige beperkingen die zij stelt te ondervinden (behalve aankleden en douchen doet zij, zo zij aangeeft, overdag ‘niks’), én in welke mate dit al of niet samenhangt met het ongeval van 10 juni 2010. (...)

3.11.

Bernsen schrijft in zijn rapport van 5 december 2019 onder meer het volgende:

I.4 Opleiding en beroep

(...) Betrokkene komt overdag feitelijk tot weinig activiteiten, ze gaat af en toe met moeder korte stukjes wandelen, pogingen om te gaan fitnessen zijn niet gelukt omdat betrokkene te uitgeput is. Ze gaat af en toe theedrinken, kan niet in drukte verkeren en haar sociale leven is volgens haar vader tot nul gereduceerd. Uit zichzelf ontplooit betrokkene nauwelijks tot geen activiteiten.

I.5 Sociale anamnese

(...) Daarbij heeft betrokkene sinds eind 2017/begin 2018 WMO ondersteuning (20 uur per week), hulp en begeleiding, daarnaast is haar moeder 3-4 dagen in de week bij betrokkene, doet het huishouden, kookt en doet de boodschappen. Betrokkene komt thuis niet tot huishoudelijke activiteiten.

Ze is wel zelfstandig in de zelfverzorging. (...)Ze heeft geen rijbewijs.

Betrokkene werkt niet op de computer, ze heeft een mobiele telefoon maar gebruikt deze nauwelijks en vader benadrukt dat het sociale leven van betrokkene al langere tijd tot nul gereduceerd is.

(...)

VI Beantwoording van uw vragen

(...)

Er kan geen neurologische diagnose worden gesteld ter verklaring van de door betrokkene aangegeven klachten. (...)

3.12.

In het rapport van De Mooij van 22 april 2020 is onder meer het volgende te lezen:

I.2 Anamnese

In beginsel zie ik cliënten voor een expertise eerst alleen. Dit om eventuele beïnvloeding door anderen te voorkomen. Zo ook in dit geval. Na ongeveer 20 minuten gaf ze aan dat het haar teveel werd, dat ze te overprikkeld raakte en vroeg ze om een pauze. Ze is toen naar de gegaan waar haar vader wachtte. Vader vroeg of de achtergrondmuziek die aanstond in de wachtkamer uit kon omdat ze daar last van had. Na korte tijd heb ik haar weer in de spreekkamer gevraagd waarbij ze al direct vroeg of vader niet mee kon komen. Ik heb dat in eerste instantie geweigerd en na vijf minuten gaf ze aan dat mijn vragen bij haar niet meer goed binnenkwamen en ze vroeg wederom of haar vader erbij kon komen. Ik heb dat toen toegestaan en heb nog kort met vader gesproken. (...)

(...)

I.6 Heteroanamnese d.d. 16-01-2020

(...) Moeder werkte in een verzorgingshuis en heeft haar baan opgegeven om voor haar dochter te zorgen. Ze krijgt als mantelzorger betaald via de WMO. (...) Moeder probeert als ze bij haar is, haar mee te laten helpen maar ze haakt dan snel af. Wandelen lukt niet meer dan tien minuten, dan is ze moe en krijgt meer pijn en gaan ze terug. Het is een hele zorg voor de ouders. Ze zeggen dat ze alsmaar met haar bezig zijn. (...) Vader zegt dat ze wel geprobeerd hebben om haar te activeren maar een gesprek kan ze meestal niet langer dan een half uur volhouden. (...)

I.8 Samenvatting

(...) Ik heb betrokkene tweemaal onderzocht, eerst op mijn praktijkadres op 12-12-2019 waarbij ik een poging gedaan heb om haar alleen te spreken maar een goede anamnese afnemen bleek niet mogelijk, gezien het feit dat ze een afwezige indruk maakte, al snel aangaf zich erg vermoeid te voelen en overprikkeld te raken en beperkte en vrij vage antwoorden gaf. Ik heb toen vader nog kort gesproken. Vervolgens ben ik op huisbezoek gegaan en heb haar op 16-01-2020 onderzocht bij haar ouders thuis in [woonplaats] , waarbij ik haar eerst alleen gesproken heb en vervolgens heb ik met haar ouders gesproken. Ik was tot een huisbezoek overgegaan omdat betrokkene ook aangaf dat ze de reis naar mij als erg vermoeiend had ervaren en zich daardoor ook minder kon concentreren. Ze hield het iets langer vol, ongeveer 40 minuten maar ook nu maakte ze een vrij afwezige indruk, gaf al snel aan vermoeid te zijn en overprikkeld te raken en wilde na 40 minuten het onderzoek beëindigen waarna ik met haar ouders gesproken heb.

(...)

I.10 Conclusie

Bij betrokkene is sprake van een somatisch symptoomstoornis waarbij een aantal in standhoudende factoren zoals in bovenstaande beschreven, een belangrijke rol spelen. (...)

3.13.

Omdat ASR niet tevreden was met het rapport van De Mooij, heeft zij een second opinion aangevraagd bij psychiater De Klerk. Die psychiater is van oordeel dat het rapport van De Mooij op verschillende punten onvoldoende c.q. onvolledig is geweest. In het rapport van De Klerk staat verder onder meer vermeld:

Antwoord 4: Er is een triviaal hoofd/nektrauma op het dertiende jaar, zonder aanwijzingen voor hersenletsel of andere somatische schade, bij een ogenschijnlijk daarvoor goed functionerend kind. Aanvankelijk zijn er weinig klachten geweest. Deze hebben zich in de loop van de jaren verder uitgebreid. De later ontstane cognitieve en lichamelijke klachten staan in geen verhouding tot het initiële trauma (...). Geleidelijk aan lijkt meer sprake van ineffectieve coping te zijn ontstaan. Zoals vaker gezien wordt (...) is betrokkene uiteindelijk helemaal vastgelopen. (...) Er kan een neiging zijn het letsel te overschatten, en door het steeds meer vermijden van cognitieve belasting, omdat dit spanning oproept, lopen patiënten (maatschappelijk) vast. (...)

antwoord 5: (...) Van iemand die gepreoccupeerd is met haar klachten, of iemand, die excessieve zorgen heeft om haar klachten, moet verwacht worden dat antwoorden uitgebreid gegeven worden, of dat betrokkene telkens terugkeert op het zelfde thema, zelfs wanneer een volgend gespreksonderwerp al aan de orde is. In tegenstelling, betrokkene maakt juist een nogal onverschillige indruk in relatie tot haar klachten. Ze heeft de informatie van de verschillende experts niet gelezen. Op vele vragen zegt ze het antwoord niet te weten. Ze houdt zich erg afzijdig van alle confrontatie met haar situatie.

Bovenstaande doet denken aan loochening, een zogenaamd primitief afweermechanisme. (...)

antwoord 8: (...) Bij kinderen met een somatisch-symptoomstoornis is het daarnaast van groot belang hoe ouders met klachten omgaan, aangezien dit de mate van ongerust zijn en de coping kan beïnvloeden bij het kind. In verschillende rapportages worden aanwijzingen gevonden voor een ‘somatische interpretatie’ van de klachten door de ouders. (...)

3.14.

In zijn eindarrest van 23 februari 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het causale verband tussen het ongeval en de klachten van [dochter] voldoende aannemelijk is geworden. Omdat nog geen sprake is van een medische eindtoestand, heeft het hof voor recht verklaard dat de gezondheidsklachten van [dochter] tot in ieder geval 31 december 2022 in causaal verband staan tot het ongeval en dat ASR verplicht is tot vergoeding van de schade die het gevolg is van het ongeval, nader op te maken bij staat. In het arrest in kwestie is onder meer het volgende te lezen:

5.2

Naar het oordeel van het hof is op basis van het onderzoek van de deskundigen voldoende aannemelijk dat [partij A1] last heeft van nek- en hoofdpijn en dat zij ernstige en vermoeidheidsklachten heeft, waardoor ook sprake is van concentratieklachten en vergeetachtigheid. In dit consequente en consistente klachtenbeeld, dat een samenhangend patroon van klachten vertoont, is de vermoeidheid dominant. Daardoor is [partij A1] nauwelijks belastbaar. Van belang is dat niet aannemelijk is geworden dat de klachten van [partij A1] door haar verzonnen of (bewust) overdreven zijn. (...)

3.15.

Op het moment van het wijzen van voornoemd eindarrest had ASR voor een bedrag van € 40.000,00 aan voorschotten aan [dochter] betaald.

3.16.

In 2021 heeft [dochter] in kort geding van ASR betaling van een bedrag van

€ 234.122,00 gevorderd als aanvullend voorschot op de schadevergoeding. Tijdens de mondelinge behandeling in die procedure, waarbij [dochter] niet aanwezig was maar haar vader wel, is een minnelijke regeling getroffen op grond waarvan ASR over de periode juli 2021 tot en met december 2022 maandelijks een bedrag van € 4.000,00 diende te betalen.

3.17.

ASR heeft naar aanleiding van voornoemd eindarrest onderzoek gedaan in openbare bronnen en daarbij geconstateerd dat [dochter] verzekeringnemer was van een auto, die sinds 22 juni 2018 op haar naam stond en waarmee in het eerste jaar 28.000 kilometer was gereden en in het tweede jaar 18.000 kilometer. Ook bleek dat [dochter] in juli 2017 een claim onder haar aansprakelijkheidsverzekering had ingediend, omdat door haar een hete pan op het aanrechtblad van haar broer zou zijn gezet.

3.18.

ASR heeft vervolgens aanleiding gezien om het bedrijfsrecherchebureau Secure Advance B.V. (hierna te noemen: Secure) opdracht te geven om een onderzoek naar de persoon van [dochter] uit te voeren in de vorm van observatie. Secure heeft [dochter] hierna vanaf vrijdag 18 juni tot en met dinsdag 22 juni 2021 en vanaf maandag 26 juli tot en met zondag 1 augustus 2021 geobserveerd. Uit de observatieverslagen die Secure naar aanleiding hiervan heeft opgemaakt kan onder meer worden afgeleid dat geconstateerd is dat [dochter] meerdere keren zelfstandig boodschappen heeft gedaan, dat zij met de auto verschillende korte en langere afstanden heeft gereden en dat zij op de dag van het kort geding van 21 juni 2021 een bezoek heeft gebracht aan een woning in [plaats] en dat zij daar tot tenminste 00:00 uur is gebleven. Daarnaast is geconstateerd dat [dochter] meermaals wandelingen heeft gemaakt van circa 45 minuten en dat zij tot sluitingstijd een uitgaansgelegenheid in Den Haag heeft bezocht en vervolgens met de auto naar huis is gereden.

3.19.

In augustus 2021 is [dochter] met vriendinnen op vakantie geweest naar Ibiza. Daar heeft zij meerdere uitgaansgelegenheden bezocht.

3.20.

Bij brief van 27 augustus 2021 heeft ASR aan [dochter] kenbaar gemaakt dat zij haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de hiervoor genoemde minnelijke regeling opschort, omdat de observatiewaarnemingen in strijd zijn met de eerder afgelegde verklaringen over de gezondheidsklachten van [dochter] .

3.21.

ASR heeft vervolgens de persoonsgegevens van [dochter] opgenomen in haar Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister van de stichting CIS, alsmede in de Gebeurtenissenadministratie van ASR en het daaraan gekoppelde Interne Verwijzingsregister.

3.22.

ASR heeft hierna in kort geding gevorderd dat de voorzieningenrechter [dochter] zal verbieden de in r.o. 3.16 genoemde afspraken ten uitvoer te leggen. [dochter] heeft in die procedure een vordering ingesteld tot ongedaanmaking van de registratie van haar persoonsgegevens in de frauderegistratiesystemen. Bij vonnis van 6 december 2021 is de vordering van ASR afgewezen en is de vordering van [dochter] toegewezen.

3.23.

In september 2021 is ASR bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een procedure gestart tot herroeping van het arrest van 23 februari 2021, omdat dat sprake zou zijn geweest van bedrog. Bij arrest van 13 september 2022 heeft het hof de procedure heropend. In dat arrest is onder meer het volgende te lezen:

4.29

Uit deze door of namens [partij A1] aan de deskundigen en rechtbank en hof verstrekte gegevens over haar belastbaarheid en activiteiten volgt dat [partij A1] niet belastbaar is, nauwelijks activiteiten onderneemt en - zoals het hof in het tussenarrest van 23 januari 2018 de stellingen van [partij A1] over haar leven samenvatte - ‘het bestaan leidde van een ‘kasplantje’, zonder enig perspectief op verbetering.’ Dat bestaan als een kasplantje komt er, volgens de door of namens [partij A1] verstrekte informatie, op neer dat [partij A1] haar huis nauwelijks uitkomt - alleen om af en toe met haar moeder een kleine wandeling te maken en een boodschap te doen en om naar het huis van haar ouders te gaan - en dat zij nauwelijks sociale contacten heeft. Haar huishouden wordt door de moeder van [partij A1] ‘gedaan’; zij is drie dagen per week bij [partij A1] om haar te helpen. De oorzaak van dit alles is dat [partij A1] extreem vermoeid is en dat vrijwel iedere externe prikkel (daarom) teveel voor haar is. In dit ‘plaatje’ past dat [partij A1] , zoals deskundige Berntsen vermeldt, [partij A1] geen rijbewijs heeft; het zou juist vragen oproepen wanneer [partij A1] er, ondanks haar extreme vermoeidheid en grote

concentratieproblemen, in geslaagd zou zijn wel haar rijbewijs te behalen.

4.30

Uit het verrichte onderzoek zijn feiten en omstandigheden gebleken die niet passen in het hiervoor vermelde beeld dat in de vorige procedure bij het hof door of namens [partij A1] is geschetst over haar belastbaarheid en de door haar ondernomen activiteiten (beter: het gebrek daaraan).

Allereerst heeft [partij A1] , in strijd met wat deskundige Berntsen daarover heeft opgemerkt, toch

haar rijbewijs behaald. Dat is voor iemand die extreem vermoeid is en zich (daardoor) nauwelijks kan concentreren een bijna onmogelijke prestatie. Het deelnemen aan het verkeer vergt een buitengewone concentratie. Dat geldt zeker voor iemand die als onervaren en beginnend automobilist, zonder de vaardigheden een auto te besturen, deelneemt aan het

verkeer.

Bovendien wordt vrij intensief gebruik gemaakt van de auto die op naam van [partij A1] staat.

Met die auto wordt gedurende enkele jaren gemiddeld minimaal 300 kilometer per week

gereden. Een dergelijk intensief gebruik van een auto - toch al snel 3 tot 6 uur per week -

door iemand die extreem vermoeid is en zich slecht kan concentreren, ligt niet voor de hand.

(...)

4.31

De feiten die zijn vastgesteld in de door en in opdracht van ASR verrichte onderzoeken contrasteren met het beeld dat [partij A1] in de eerdere procedure aan de rechtbank, het hof en de deskundigen heeft voorgespiegeld, dat zij vanwege haar extreme vermoeidheid en ernstige concentratieklachten nauwelijks belastbaar was en daardoor nauwelijks activiteiten kon ondernemen, maar het leven van een kasplantje moest leiden.

4.32

De verklaringen die [partij A1] heeft gegeven voor de hiervoor vermelde tegenstrijdigheden overtuigen het hof niet.:- Voor zover [partij A1] heeft willen aanvoeren dat haar situatie na het eindarrest van het hof in de eerdere procedure is verbeterd, heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd. [partij A1] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof, desgevraagd, verklaard dat de periode van de observatie geen bijzondere periode voor haar was, waarin zij zich structureel beter voelde dan voorheen. Ook in die periode had zij goede en slechte dagen.- [partij A1] heeft gesteld dat de vermelding door de deskundige Berntsen dat [partij A1] geen rijbewijs heeft niet is gebaseerd op door of namens haar verstrekte informatie. De vermelding moet berusten op een vergissing. Het hof vindt deze verklaring niet aannemelijk. Allereerst is niet aannemelijk dat Berntsen zonder dat dit hem is medegedeeld vermeldt dat [partij A1] geen rijbewijs heeft. Vervolgens heeft [partij A1] drie kansen gehad om deze onjuiste vermelding te corrigeren (...). Van geen van die mogelijkheden heeft zij gebruik gemaakt.

(...)

4.33

De conclusie is dat in de eerdere procedure door en namens [partij A1] een beeld is geschetst over haar belastbaarheid en activiteiten dat niet overeenkomt met wat daarover nadien is gebleken. (...) Het hof stelt daarbij vast dat geen sprake is van accentverschillen of nuanceringen, maar van structurele en wezenlijke verschillen; [partij A1] heeft een aanzienlijk grotere belastbaarheid, is tot veel meer activiteiten in staat en onderneemt ook veel meer activiteiten dan zij in de eerdere procedure heeft gesteld. Het in die procedure door haar geschetste beeld van zichzelf als een kasplantje is bepaald onjuist.(...)

4.37

Hiervoor is vastgesteld dat door en namens [partij A1] in de eerdere procedure en bij de door het hof benoemde deskundigen consequent het beeld is geschetst van [partij A1] als kasplantje, een jonge vrouw die vanwege haar klachten tot niets meer in staat was. Dat beeld is, zoals het hof heeft vastgesteld, in elk geval onvolledig en daardoor onjuist. Aldus heeft [partij A1] het hof, de deskundigen en ASR in deze procedure een onjuist en ook onwaarachtig feitencomplex voorgespiegeld, dat ook van belang is voor het materiële recht waarover het hof had te oordelen. Zij heeft dan ook bedrog gepleegd.

3.24.

Bij brief van 5 oktober 2022 heeft ASR [partij A] naast [dochter] hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor schade die zij stelt door hun handelen te hebben geleden.

3.25.

ASR heeft vervolgens voor de maximumduur van acht jaar de persoonsgegevens van [partij A] opgenomen/laten opnemen in haar Gebeurtenissenadministratie en het daaraan gekoppelde Interne Verwijzingsregister, in het Externe verwijzingsregister van de stichting CIS en het daaraan gekoppelde Incidentenregister. Ook heeft zij [partij A] concernbreed uitgesloten van toekomstige schadeverzekeringen.

3.26.

[dochter] en ASR hebben in de heropende procedure bij het hof in augustus 2023 een minnelijke regeling bereikt, die onder meer inhield dat [dochter] een bedrag van € 17.500,00 zou betalen aan ASR en dat de persoonsgegevens van [dochter] in de Gebeurtenissenadministratie en het daaraan gekoppelde Interne Verwijzingsregister tot 1 september 2031 blijven opgenomen.

4 Het geschil

5 De beoordeling

6 De beslissing