Rechtbank Rotterdam, 12-06-2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5963, C-10-398044 - HA ZA 12-255
Rechtbank Rotterdam, 12-06-2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5963, C-10-398044 - HA ZA 12-255
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 12 juni 2013
- Datum publicatie
- 2 augustus 2013
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2013:5963
- Zaaknummer
- C-10-398044 - HA ZA 12-255
Inhoudsindicatie
Verschuldigde ozb voor de Slufter, een grootschalige opslaglocatie voor verontreinigde baggerspecie en bestaat uit onder meer een gebaggerde put, ringdijken, een pompinstallatie en pijpleidingen, alsmede een kantoorgebouw op de Maasvlakte.
Uitspraak
vonnis
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/398044 / HA ZA 12-255
Vonnis van 12 juni 2013
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Financiën, Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf),
zetelend te Den Haag,
eiser,
advocaat mr. C.M. Bergman te Den Haag,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE ROTTERDAM,
zetelend te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. drs. R.R. Crince le Roy te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de Staat en de gemeente genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding, met producties,
- -
-
de conclusie van antwoord, met producties,
- -
-
de conclusie van repliek, met producties,
- -
-
de conclusie van dupliek, met producties,
- -
-
de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:
De Slufter is een grootschalige opslaglocatie voor verontreinigde baggerspecie en bestaat uit onder meer een gebaggerde put, ringdijken, een pompinstallatie en pijpleidingen, alsmede een kantoorgebouw op de Maasvlakte.
De Slufter is medio 1985 aangelegd in opdracht van het Havenbedrijf Rotterdam (hierna: het Havenbedrijf) en Rijkswaterstaat.
Ten tijde van de aanleg van de Slufter was het Havenbedrijf een tak van dienst van de gemeente. Het Havenbedrijf is per 1 januari 2004 geprivatiseerd en ondergebracht in een naamloze vennootschap.
De Staat, meer specifiek zijn onderdeel Rijkswaterstaat, en het Havenbedrijf exploiteren de Slufter binnen het samenwerkingsverband ‘Beheerorganisatie Slufter’. Het Havenbedrijf is penvoerder van de Beheerorganisatie.
In een memo gedateerd 14 juni 2002 heeft het Havenbedrijf naar aanleiding van aanslagen onroerende-zaaksbelastingen 1998 en 1999 aan de directeur Gemeentebelastingen Rotterdam (hierna: Gemeentebelastingen) ter zake de waardevaststelling van de Slufter, voor zover relevant, het volgende meegedeeld:
”(...)
4) Conclusie
(...)
Bij het vaststellen van de waarde van de Slufter heeft GBR [Gemeentebelastingen Rotterdam; de rechtbank] ten onrechte geen rekening gehouden met een aantal waarderingsvoorschriften, zodat om die reden de waarde al te hoog is vastgesteld. Bovendien heeft GBR bij de waardevaststelling van de Slufter (...) in het geheel geen rekening gehouden met de wettelijk voorgeschreven correcties wegens functionele en technische veroudering en heeft GBR de waarde van de grond te hoog vastgesteld. Op basis van recente jurisprudentie luidt de conclusie dat de waarde van de Slufter (...) op nihil moet worden gesteld.”
In een memo gedateerd 13 december 2002 heeft het Havenbedrijf aan Gemeentebelastingen ter zake de waardevaststelling van de Slufter met betrekking tot de aanslagen onroerende-zaaksbelastingen 1998 en 1999, voor zover van belang, het volgende meegedeeld:
”(...)
4) Vervangingswaarde
(...)
A. (...) Ten aanzien van de restwaarde merk ik op dat een gevulde Slufter en Papegaaienbek geen enkele restwaarde kan vertegenwoordigen, beide zijn immers gevuld met vervuild baggerslib.
(...)
Zoals eerder vermeld heeft (de) GBR bij de waardebepaling in het geheel geen rekening gehouden met de zware vervuiling van de grond en de hoge saneringskosten die dit met zich meebrengt. Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2001, nr. 36 591, BNB 2002/33 is het GHR [het Havenbedrijf; opm rechtbank] van mening dat niet alleen de waarde van de grond doch de totale waarde van de Slufter (...) nihil moet zijn. (...) Uitgangspunt bij de OZB is immers de waarde van de onroerende zaak en niet van de activiteiten die er plaatsvinden. Kortom, de waarde van de Slufter dient op nihil te worden gesteld.
(...)”
De waarde van de Slufter is voor het belastingjaar 2000 niet bij (afzonderlijke) beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ-beschikking) vastgesteld. Bij aanslagbiljet met dagtekening 31 december 2002 heeft Gemeentebelastingen aan de Staat voor het belastingjaar 2000 aanslagen onroerende-zaakbelastingen (eigenaren- en gebruikersdeel) opgelegd. Uit dit biljet blijkt dat de aanslagen zijn gebaseerd op een vastgestelde WOZ-waarde van de Slufter van € 147.487.570,--.
Bij WOZ-beschikking van 31 juli 2003 heeft Gemeentebelastingen de WOZ-waarde van de Slufter voor de belastingjaren 2001 tot en met 2004 vastgesteld op € 147.487.570,--. De voor die belastingjaren verschuldigde onroerende-zaakbelastingen zijn bij aanslagen van 31 augustus 2003, 30 september 2003 en 15 augustus 2005 aan de Staat opgelegd.
De Staat heeft bij brief van 27 september 2004 Gemeentebelastingen verzocht om een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de Slufter, in het kader van de WOZ-beschikking van 31 juli 2003.
De Staat en het Havenbedrijf zijn bij koopcontract, gedateerd 16 en 17 december 2004, het volgende overeengekomen:
”(...)
Artikel 2. Verkoop bergingscapaciteit; koopprijs; betaling
1. Het HbR verkoopt en levert hierbij aan het Rijk die hierbij van het HbR koopt en aanvaardt: 9 miljoen m3 bergingscapaciteit in de Slufter.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 5 lid 2 jo. Bijlage 5 van Overeenkomst ZHa 23944 komen partijen overeen dat de totale koopprijs € 30.000.000 inclusief BTW bedraagt.
(...)
Artikel 4. Herberekening verhouding bergingscapaciteit; partiële wijziging Overeenkomst ZHa 23944
1. Overeenkomstig artikel 5 lid 1 van Overeenkomst ZHa 23944 was de verhouding van de bergingscapaciteit van de Slufter 30% voor het Rijk / 60% voor het HbR / 10% voor derden.
2. In verband met de verkoop van 9 miljoen m3 bergingscapaciteit uit het quotum van het HbR aan het Rijk is de verhouding vanaf datum van overname van de bergingscapaciteit 39,6% voor het Rijk / 50,4% voor het HbR / 10% voor derden. Deze berekening gaat uit van een volume van de Slufter van 93,3 miljoen m3.
(...)”
Voor de belastingjaren 2005 en 2006 is de WOZ-waarde van de Slufter bij beschikking van 30 september 2005 vastgesteld op € 192.539.000,--. De aanslagen onroerende-zaakbelastingen en rioolrecht voor het belastingjaar 2005 zijn aan de Staat opgelegd bij aanslagbiljet van 30 september 2005. Voor het belastingjaar 2006 heeft Gemeentebelastingen de onroerende-zaakbelastingen opgelegd bij aanslagbiljet van 15 maart 2006.
Bij brief van 27 september 2005 heeft de Staat Gemeentebelastingen verzocht om een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de Slufter, in het kader van de WOZ-beschikking gedateerd 30 september 2005.
In een e-mail van 5 januari 2007 heeft de heer [A] namens Gemeentebelastingen in het kader van de WOZ-waarde van de Slufter het volgende aan het Havenbedrijf geschreven:
”(...)
Ik ben niet heel gelukkig met het tijdsverloop in deze slepende kwestie. (...) Als we straks over gebruik en de waarde van de Slufter moeten gaan praten, voorzie ik wederom lange termijnen. (...)
Ik vind dan ook dat nu een natuurlijk moment is aangebroken om de vraag op tafel te leggen of we met een compromis als oplossing kunnen leven.
Daarbij denk ik als het over een compromis gaat aan wat het Rotterdamse model wordt genoemd: we weten het allemaal niet, dus doen ieder de helft.
Zou een dergelijke benadering voor jou als oplossing acceptabel zijn?(...)”
Bij brief van 23 maart 2007 heeft het Havenbedrijf geantwoord op de hiervoor vermelde e‐mail van 5 januari 2007. Het Havenbedrijf schrijft daarin het volgende:
”(...)
Slufter-waardevaststelling
Over de hoogte van de door Gemeentebelastingen Rotterdam (GBR) vastgestelde waarde voor de Slufter hebben wij inmiddels met u een gesprek gehad, waarin mijnerzijds te kennen is gegeven dat het HbR niet kan instemmen met uw voorstel om de objectwaarde vast te stellen op 50% van de in de ozb-aanslagen gehanteerde waarde.
Mijns inziens dient de waarde van de Slufter gesteld te worden op nihil en wel op de volgende gronden.
Ten eerste blijkt dat geen rekening is gehouden met mogelijke vrijstellingen die betrekking hebben op de functie van zeewering die de Slufterdijk heeft.
Ten tweede kan gesteld worden dat de Slufter geen of zelfs een negatieve economische waarde heeft omdat de Slufter geen enkele benuttingswaarde heeft en in feite slechts een met vervuild slib gevuld depot is, dat voor niemand openbaar toegankelijk is.
Ter ondersteuning van mijn standpunt voeg ik als bijlage een uitspraak bij van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
(...)”
Met dagtekening 7 januari 2008 is aan de Staat ter zake de Slufter een voorlopige aanslag onroerende-zaakbelastingen opgelegd voor het belastingjaar 2008. De aanslag is gebaseerd op een WOZ-waarde van de Slufter van € 192.539.000,--.
De Staat heeft op 28 januari 2008 een bezwaarschrift ingediend tegen de voorlopige aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2008.
Ernst & Young Belastingadviseurs hebben namens de Staat en het Havenbedrijf gesprekken gevoerd met Gemeentebelastingen over de WOZ-waardering van de Slufter, teneinde tot een oplossing van het geschil te komen. Bij brief van 23 mei 2008 heeft Gemeentebelastingen in dat kader het volgende aan de Ernst & Young Belastingadviseurs meegedeeld:
”(...)
Zoals u bekend, heeft Gemeentebelastingen Rotterdam (hierna: GBR) voor belastingjaar 1998 het Havenbedrijf Rotterdam (hierna: HBR) aangeslagen voor zowel de eigendom als het gebruik van het object. Voor de belastingjaren 2000 tot en met 2006 zijn zowel het HBR als Domeinen [lees: de Staat; rechtbank] aangeslagen voor de eigendom en het gebruik van het object. Op deze wijze heeft GBR ten behoud van recht de belastingopbrengst gegarandeerd. Hiertoe is gezien de zich nu reeds lang voortslepende waardediscussie indertijd besloten.
GBR is voornemens het dossier tot en met belastingjaar 2006 als volgt af te wikkelen. Alle aanslagen (dus met betrekking tot de jaren 1998 tot en met 2006) die zijn opgelegd aan het HBR zullen worden vernietigd. Vanaf belastingjaar 2007 zal alleen Domeinen voor zowel de eigendom als het gebruik worden aangeslagen. HBR zal derhalve niet verder worden bemoeilijkt.
U zult de vernietigings- en rentebeschikkingen op korte termijn ontvangen. (...)”
Gemeentebelastingen heeft bij afzonderlijke beslissingen van 8 augustus 2008 de aan het Havenbedrijf opgelegde aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor de belastingjaren 1998 tot en met 2006 vernietigd.
[B], MBRE MRICS RT, (hierna: [B]) heeft in opdracht van de Staat een taxatierapport opgesteld met betrekking tot de WOZ-waarde van de Slufter. In dat rapport, gedateerd 27 oktober 2008, staat, voor zover van belang, het volgende:
”(...)
1 Waardeverklaring
Ondergetekende, [B] (...) verklaart op 27 oktober 2008 te hebben bezichtigd en geïnspecteerd en op basis van de in dit rapport omschreven uitgangspunten, omstandigheden en voorbehouden te hebben gewaardeerd de (...) grootschalige opslaglocatie voor verontreinigde baggerspecie “De Slufter”, (...)
Met inachtname van dit rapport is, per waardepeildata aan de onroerende zaak de navolgende waarden toegekend:
De gecorrigeerde vervangingswaarde per waardepeildatum 1-1-1999
€ 21.225.000,-
(...)
De gecorrigeerde vervangingswaarde per waardepeildatum 1-1-2003
€ 21.635.000,-
(...)
De gecorrigeerde vervangingswaarde per waardepeildatum 1-1-2005
€ 22.660.000,-
(...)
De gecorrigeerde vervangingswaarde per waardepeildatum 1-1-2006
€ 26.200.000,-
(...)
De gecorrigeerde vervangingswaarde per waardepeildatum 1-1-2007
€ 26.470.000,-
(...)
6 Waardering
(...)
Grondwaarde
(...)
De grondwaarde als zeebodem (geschat op € 0,25 per m2, prijspeil 1-1-2006) verhoogd met de kosten van realisatie (ringdijken en vulling met vervuilde baggerspecie) zal in 2045 leiden tot de grondwaarde die het bij de dan geldende bestemming zal kunnen hebben. In de huidige staat per waardepeildatum kan dan ook niet anders geconcludeerd worden dan tot een grondwaarde die gelijk is aan de grondprijs voor zeebodem. Bij een grondwaarde bij industriebestemming zou immers een dubbeltelling optreden als bij de kosten van de ringdijken en vulling die leiden tot bouwrijpe grond opgeteld wordt de grondwaarde van bouwrijpe industriegrond. Immers in de grondwaarde van bouwrijpe industriegrond zijn de kosten van “landwinning” en gebruiksklaar maken al begrepen.
(...)”
Bij brief van 26 februari 2009 heeft de Staat aan Gemeentebelastingen een nadere motivering gegeven van zijn bezwaren met betrekking tot de WOZ-beschikkingen ter zake het tijdvak 2001 tot en met 2004 en het tijdvak 2005 – 2006, alsmede de (voorlopige) aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2005 en 2008. Ter onderbouwing heeft de Staat het onder 2.19 genoemde taxatierapport bijgevoegd. Daarnaast heeft de Staat Gemeentebelastingen, voor zover nodig, verzocht om de over de belastingjaren 2000 tot en met 2006 opgelegde WOZ-beschikking genoemde taxatierapport bijgevoegd. Daarnaast heeft de Staat Gemeentebelastingen, voor zover nodig, verzocht om de over de belastingjaren 2000 tot en met 2006 opgelegde en en aanslagen onroerende-zaakbelastingen ambtshalve te vernietigen dan wel te verminderen.
[B] heeft bij brief van 17 februari 2010 de gecorrigeerde vervangingswaarde van de Slufter per waardepeildatum opnieuw berekend aan de hand van nader verkregen gespecificeerde informatie. De nieuwe WOZ-waarde van de Slufter is, voor zover relevant, per waardepeildatum 1 januari 1999 € 22.165.00,-- , per 1 januari 2003 € 9.385.000,-- , per 1 januari 2005 € 11.572.000,-- en per 1 januari 2006 € 11.061.000,--.
Bij uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2010 [met kenmerk FTZ/HG/LW10.446] heeft Gemeentebelastingen met betrekking tot de belastingjaren 2000 tot en met 2004 geoordeeld dat de Staat tegen de WOZ-beschikking] heeft Gemeentebelastingen met betrekking tot de belastingjaren 2000 tot en met 2004 geoordeeld dat de Staat tegen de geen bezwaarschrift heeft ingediend, dan wel dat het bezwaar niet binnen de wettelijke termijnen is ingediend en derhalve dat de Staat in dat bezwaar niet-ontvankelijk is. Het verzoek van de Staat om vernietiging dan wel vermindering van de desbetreffende WOZ-beschikking en de aanslagen onroerende-zaakbelastingen is ongegrond verklaard.
Bij afzonderlijke brief van 8 oktober 2010 [met kenmerk FTZ/HG/LW10.448] heeft Gemeentebelastingen het verzoek om ambtshalve vermindering/vernietiging van de WOZ-beschikking] heeft Gemeentebelastingen het verzoek om ambtshalve vermindering/vernietiging van de 2001-2004 en de aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2000-2004 afgewezen, omdat ten tijde van het verzoek de beschikking meer dan vijf jaren onherroepelijk vaststond en er daarom volgens Gemeentebelastingen geen verplichting bestond voor ambtshalve vermindering.
Bij uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2010 [met kenmerk FTZ/HG/LW10.447] heeft Gemeentebelastingen met betrekking tot de belastingjaren 2005 en 2006 geoordeeld dat de Staat tegen de WOZ-beschikking] heeft Gemeentebelastingen met betrekking tot de belastingjaren 2005 en 2006 geoordeeld dat de Staat tegen de geen bezwaarschrift heeft ingediend, dan wel dat het bezwaar niet binnen de wettelijke termijnen is ingediend en derhalve dat de Staat in dat bezwaar niet-ontvankelijk is. Het verzoek van de Staat om vernietiging dan wel vermindering van de desbetreffende WOZ-beschikking en de aanslagen onroerende-zaakbelastingen is ongegrond verklaard.
Bij afzonderlijke brief van 8 oktober 2010 [met kenmerk FTZ/HG/LW10.449] heeft Gemeentebelastingen met betrekking tot het tijdvak 2005-2006 het volgende, voor zover van belang, aan de Staat meegedeeld:
”(...)
Ambtshalve vermindering WOZ-beschikking/aanslagen OZB
(...)
In bezwaarfase zijn op verzoek van GBR nadere gegevens verstrekt omtrent de uitgangspunten van waardering. GBR heeft deze gegevens – als onderdeel van een compromisvoorstel voor de belastingjaren 2000 tot en met 2009 – verwerkt in de bijgevoegde taxatiespecificaties (Bijlage 1. en 2.). Hierbij is uit compromissoire overwegingen uitdrukkelijk gekozen voor een waarderingsgrondslag waarbij de geschilpunten tussen partijen zoveel mogelijk zijn beperkt. Na herwaardering is voor de onderhavige onroerende zaak voor belasting jaar 2005 en 2006 een waarde becijferd van respectievelijk € 77.420.481,-- en € 81.506.810,--. (...)
Op 3 september 2010 heeft u het eerder genoemde voorstel – alsmede de daaraan verbonden randvoorwaarden – niet geaccepteerd. Niettemin zal GBR de vastgestelde WOZ-waarden voor de belastingjaren 2005 en 2006 ambtshalve verminderen.
(...)”
Bij uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2010 [met kenmerk FTZ/HG/LW10.445] betreffende het belastingjaar 2008 heeft Gemeentebelastingen geoordeeld dat het bezwaar ongegrond is, maar dat uit compromissoire overwegingen de heffingsgrondslag van de voorlopige aanslag gebruikersbelasting wordt verminderd van € 192.539.000,-- naar € 88.582.966,--.
De Staat heeft bij brief van 17 november 2010 bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank (hierna ook: de bestuursrechter), (pro forma) beroep ingesteld tegen de drie hiervoor onder 2.22, 2.24 en 2.26 genoemde uitspraken op bezwaar van 8 oktober 2010.
Met dagtekening 31 december 2010 zijn aan de Staat de definitieve aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2008 opgelegd en is een WOZ-beschikking bekendgemaakt voor het belastingjaar 2008. De WOZ-waarde van de Slufter voor dat jaar is vastgesteld op € 88.582.000,--.
Tegen de definitieve aanslagen en de WOZ-beschikking voor 2008 heeft de Staat op 17 januari 2011 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij uitspraak op bezwaar van 14 oktober 2011 door Gemeentebelastingen ongegrond verklaard. De Staat heeft tegen die uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de bestuursrechter.
[C], gediplomeerd WOZ-taxateur van Gemeentebelastingen, heeft op 31 oktober 2007 de Slufter bezichtigd en geïnspecteerd en op basis daarvan in zijn rapport van 30 juni 2011, voor zover relevant, de volgende waarden toegekend aan de Slufter per verschillende waardepeildata:
”(...)
1. Waardeverklaring
Ondergetekende, [C] (...) verklaart op 31 oktober 2007 te hebben bezichtigd en geïnspecteerd en op basis van de in dit rapport omschreven uitgangspunten, omstandigheden en voorbehouden te hebben gewaardeerd de (...) grootschalige opslaglocatie voor verontreinigde baggerspecie “De Slufter”
(...)
Met inachtneming van dit rapport is, per waardepeildata van de onderhavige onroerende zaak de navolgende waarde toegekend:
de gecorrigeerde vervangingswaarde per waardepeildatum 1 januari 2009
belastingjaren 2001-2004
primair € 123.462.989,-
subsidiair € 74.386.221,-
de gecorrigeerde vervangingswaarde per waardepeildatum 1 januari 2003
belastingjaar 2005
primair € 132.995.033,-
subsidiair € 77.420.481,-
de gecorrigeerde vervangingswaarde per waardepeildatum 1 januari 2003
belastingjaar 2006
primair € 137.081.363,-
subsidiair € 81.506.810,-
de gecorrigeerde vervangingswaarde per waardepeildatum 1 januari 2007
belastingjaar 2008
primair € 143.734.898,-
subsidiair € 88.582.966,-
(...)
Taxatiebasis
De waardering van de onderhavige onroerende zaak heeft volledig plaatsgevonden aan de hand van de door de Staat verstrekte gegevens.
(...)
Voorts heeft de taxateur voor alle relevante belastingjaren een primair en subsidiair standpunt ingenomen. Het verschil tussen beide standpunten is volledig toe te schrijven aan de waardering van de grond. (...)
Grondwaarde
Met betrekking tot de waarde van de grond heeft de taxateur aansluiting gezocht bij de grondwaardetabellen van de ‘Taxatie-instructie Haven- en industriegebied’.
(...)
Grondpercelen bestemd voor uitbreiding e.d. (zoals: braakliggende grond) worden gewaardeerd op de helft van de waarde volgens de grondwaardetabel. (...)
Primair standpunt grondwaarde
(...)
De taxateur is hierbij uitgegaan van (...) een waarde van:
€ 33,58 per m2 (belastingjaren 2001-2004);
€ 37,07 per m2 (belastingjaren 2005-2006);
€ 37,38 per m2 (belastingjaar 2008).
(...)
Naar het oordeel van de taxateur is de gehanteerde vierkante meterprijs zoals gehanteerd in het primaire standpunt, op basis van bovenstaande marktgegevens en de taxatie-instructies, zonder meer verdedigbaar.
Subsidiair standpunt grondwaarde
(...)
De taxateur is hierbij uitgegaan van (...) een waarde van:
€ 15,- per m2 (belastingjaren 2001-2004);
€ 16,03 per m2 (belastingjaren 2005-2006);
€ 16,50 per m2 (belastingjaar 2008).
(...) Er is derhalve gekozen voor een uitgangspunt dat grofweg overeenkomt met de waarde voor braakliggende grond. Hoewel de onderhavige onroerende zaak niet als ‘braakliggend’ aan te merken is, sluit deze waarde goed aan bij de bijzondere aard van het object en past deze benadering tevens binnen de vooraf opgestelde kaders van de taxatie-instructies.
(...)”
In de hiervoor onder 2.29 bedoelde beroepprocedures over de WOZ-waarde van de Slufter voor het belastingjaar 2008 heeft de bestuursrechter bij brief van 17 januari 2012 de Stichting advisering bestuursrecht (hierna: de StAB) verzocht om haar te adviseren over de grondwaarde en de aftrek wegens functionele en technische veroudering van de Slufter.
De StAB heeft naar aanleiding van het onder 2.31 genoemd verzoek in een verslag ex artikel 8:47 Algemene wet bestuursrecht van 16 april 2012 met betrekking tot de grondwaarde het volgende geconcludeerd:
”(...-)
Conclusie
Het baggerdepot is uniek in het Rotterdamse havengebied en ook in de rest van Nederland zijn er nauwelijks vergelijkbare objecten. Om die reden hebben partijen gezocht naar een waarderingsgrondslag die volgens hen het meest recht doet aan het karakter van het object. Gemeentebelastingen heeft hierbij voor de waarde van de gronde (sic) aansluiting gezocht bij de waarde die volgens de (Rotterdamse) appendix van de Taxatiewijzer wordt toegekend aan ‘braakliggende grond’, terwijl de Staat voor wat betreft het waterbekken aansluiting zoekt bij de waarde die voor ‘zeebodem’ van toepassing zou zijn.
Op basis van de omstandigheden ter plaatse op de waardepeildatum 1 januari 2007 kan worden vastgesteld dat de door Gemeentebelastingen gebruikte grondwaardetabellen hier niet bruikbaar zijn. Gelet op de omstandigheden van het geval is het standpunt van de Staat dat voor het waterbekken aansluiting moet worden gezocht bij de waarde die aan zeebodems wordt toegekend niet onlogisch. Hoewel er in geologisch en fysisch opzicht geen sprake meer is van ‘zeebodem’ (maar van een zwaar verontreinigde, niet draagkrachtige bodem), sluit de grondwaarde van € 0,25 m2 daar het best bij aan; dit mede gezien de in de stukken vermelde gegevens over transacties inzake zeebodem nabij de kust die zijn verricht ten behoeve van de aanleg van tweede Maasvlakte.
(...)”
De bestuursrechter heeft bij uitspraak van 7 maart 2013, verzonden op 12 maart 2013, in de zaak met zaaknummers ROT 11/4661 (en ROT 10/4786, met betrekking tot de hier irrelevante voorlopige aanslag) ter zake de WOZ-waarde van de Slufter voor het belastingjaar 2008 als volgt beslist:
”(...)
Nu de rechtbank partijen niet kan volgen in de door hen bepleite waarden, zal de rechtbank ter beslechting van de geschillen de waarde van de onroerende zaak, zoveel mogelijk aan de hand van de door partijen en de StAB aangedragen feiten, bewijsmiddelen en argumenten, en met inachtneming van de uitgangspunten zoals hierboven geformuleerd, in goede justitie, vaststellen op € 54.000.000,-.
Het beroep in de zaak 11/4661 dient gegrond te worden verklaard.
(...)”
Bij afzonderlijke uitspraken van 7 maart 2013, verzonden op 12 maart 2013, heeft de bestuursrechter de beroepen van de Staat ongegrond verklaard voor zover die gericht waren tegen de niet-ontvankelijkverklaringen van de bezwaren tegen de waardevaststelling over het tijdvak 2001 tot en met 2004 respectievelijk 2005 en 2006. Daarnaast heeft de bestuursrechter zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep was gericht tegen de weigering tot ambtshalve vernietiging/vermindering van de WOZ-beschikkingen voor de tijdvakken 2001 tot en met 2004 en 2005 en 2006.
Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken (hierna: het Uitvoeringsbesluit) luidt als volgt:
Indien een op de voet van hoofdstuk IV van de wet vastgestelde waarde onherroepelijk is komen vast te staan doch binnen vijf jaren na het nemen van de beschikking terzake blijkt dat deze waarde tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vermindert de in artikel 1, tweede lid, van de wet bedoelde gemeenteambtenaar, ingeval de waarde had behoren te zijn vastgesteld op een bedrag dat ten minste 20 percent, met een minimum van € 5000, lager is dan de te hoog vastgestelde waarde, zo spoedig mogelijk bij beschikking de te hoog vastgestelde waarde.
De Nota van Toelichting (Stb. 1997, 30) behorende bij het Uitvoeringsbesluit staat, luidt voor zover van belang, als volgt. (Ingevolge het besluit van 11 december 1997 (Stb. 1997, 703) moet voor het daarin genoemde college van burgemeester en wethouders worden gelezen de in artikel 1 lid 2 Wet waardering onroerende zaken bedoelde gemeenteambtenaar, hier (de directeur van ) Gemeentebelastingen):
”(...)
Algemeen
De onderhavige regeling strekt ertoe tot een landelijk uniforme gedragslijn te komen van de colleges van burgemeester en wethouders (B en W) op het vlak van de ambtshalve vermindering van onherroepelijk vaststaande beschikkingen tot vaststelling van de waarde van onroerende zaken ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). (...)
Ter wille van de uitvoerbaarheid en de rechtszekerheid ten gunste van de afnemers van het WOZ-waardegegeven wordt zo'n ambtshalve vermindering alleen toegepast indien achteraf (doch binnen 5 jaren na het nemen van de waardebeschikking) blijkt dat de waarde die had behoren te zijn vastgesteld ten minste 20 percent en minimaal f 10 000 lager is dan de oorspronkelijk bij beschikking vastgestelde waarde. (...) De reden dat ten aanzien van een bepaalde belanghebbende vermindering van de eerder vastgestelde waarde op zijn plaats is, kan zijn (...) het achteraf blijken dat een bepaalde, op zich reeds onherroepelijk vaststaande, waardebeschikking niettemin beduidend te hoog is. (...)
De in het kader van de onderhavige regeling te nemen beschikkingen tot vermindering zijn niet voor bezwaar en beroep vatbaar. Het betreft hier namelijk een ambtshalve herziening van een beschikking ten gunste van een belanghebbende die de hem toekomende termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen ongebruikt heeft laten verstrijken, zodat de beschikking onherroepelijk is komen vast te staan. Slechts zwaarwegende redenen kunnen aanleiding zijn een beschikking met formele rechtskracht ter zijde te stellen. Bovendien is het uit een oogpunt van uitvoerbaarheid en rechtszekerheid noodzakelijk te voorkomen dat tot in lengte van jaren de op de WOZ-waardebeschikking berustende belastingaanslagen zouden moeten worden herzien. Met het oog op de laatstgenoemde aspecten is in artikel 2 een vijfjaarstermijn opgenomen. (...)
Toelichting op de artikelen
Artikel 2
In dit artikel wordt aan B en W de verplichting opgelegd om tot een vermindering van de ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde van een onroerende zaak over te gaan indien binnen vijf jaren na de vaststelling van een WOZ-beschikking blijkt dat de waarde van die onroerende zaak in die (oorspronkelijke) beschikking beduidend te hoog is vastgesteld. Daarvan is sprake indien de werkelijke waarde, bedoeld in artikel 17, tweede of derde lid, van de Wet WOZ, die aan die onroerende zaak had behoren te zijn toegekend (beoordeeld dus naar, onder meer, de waardepeildatum die hoort bij het tijdvak waarvoor de WOZ-waarde is vastgesteld) achteraf 20 percent of meer (doch met een minimum van f 10 000) lager blijkt te zijn dan de oorspronkelijk vastgestelde waarde. Artikel 2 is niet alleen van toepassing indien door een belanghebbende om een vermindering van de vastgestelde waarde wordt verzocht - al zal een dergelijk verzoek veelal de aanleiding zijn te overwegen of een vermindering op zijn plaats is - maar ook als B en W anderszins tot de conclusie komen dat de oorspronkelijk vastgestelde waarde beduidend te hoog is. (...) De in artikel 2 opgenomen vijfjaarstermijn begint te lopen op het tijdstip waarop de (te hoge) WOZ-beschikking is genomen. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om de in artikel 22 van de Wet WOZ bedoelde beschikking, dan wel om een beschikking ingevolge de artikelen 25, 26, 27 of 28 van die wet.
(...)”
3 De vordering
De Staat vordert – zakelijk weergegeven – om voor recht te verklaren dat:
I. de waarde waarop de aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor het belastingjaar 2000 met betrekking tot de Slufter zijn gebaseerd onjuist is vastgesteld, en dat deswege op de Gemeente, althans Gemeentebelastingen, de verplichting rust om de aan deze aanslagen ten grondslag liggende waarde te verminderen naar ten hoogste € 20.902.000,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en het bedrag van deze aanslagen dienovereenkomstig te verminderen;
II. voor het geval dat de belastingrechter in de fiscale procedure (onherroepelijk) heeft beslist dat de door de Staat ingediende bezwaarschriften tegen de WOZ-beschikkingen voor de tijdvakken 2001-2004 en 2005 en 2006 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, de WOZ-beschikking en 2005 en 2006 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, de en voor die tijdvakken met betrekking tot de Slufter onjuist zijn vastgesteld, en dat op de Gemeente, althans Gemeentebelastingen, de verplichting rust om de WOZ-waarde voor die tijdvakken te verminderen naar respectievelijk € 22.165.000,-- voor 2001 tot en met 2004, € 9.385.000,-- voor 2005 en € 11.061.000,-- voor 2006, althans per tijdvak een in goede justitie te bepalen bedrag, en het bedrag van de betreffende aanslagen onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig te verminderen;
III. met veroordeling van de Gemeente, uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis, alsmede in de nakosten.
De Staat legt tegen de achtergrond van een deel van de onder 2 vastgestelde feiten aan zijn vordering ten grondslag dat Gemeentebelastingen op grond van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit gehouden is de WOZ-waarde van de Slufter over de verscheidene tijdvakken te verminderen en onrechtmatig handelt door dat na te laten. Voorts heeft Gemeentebelastingen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld. Zij heeft de aan het Havenbedrijf opgelegde aanslagen onroerende-zaakbelastingen ambtshalve vernietigd, ruim vijf jaar na oplegging van die aanslagen, omdat daardoor ook een ontvankelijk bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking van de Slufter voor belastingjaar 1999 van tafel was. Het Havenbedrijf hoeft thans niets meer te betalen, terwijl de Staat teveel betaalt.