Rechtbank Rotterdam, 15-06-2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4731, C/10/434236 / HA ZA 13-1001
Rechtbank Rotterdam, 15-06-2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4731, C/10/434236 / HA ZA 13-1001
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 15 juni 2016
- Datum publicatie
- 30 juni 2016
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2016:4731
- Zaaknummer
- C/10/434236 / HA ZA 13-1001
Inhoudsindicatie
Summary in English
Carriage of reefer containers under bills of lading from the USA to Angola. During discharging operations an explosion and fire occur on board, resulting in damage to the reefers, other cargo and the vessel. Cargo interests claim compensation from the time charterer as carrier under the bills of lading. It has been established that isotainers (insulated tank containers) with highly flammable ethylene have been stowed too close to the reefers and that the carrier therefore has failed to stow in accordance with the IMDG Code. However the court does not consider the improper stowage but the uncontrolled venting of ethylene gas to be the legally relevant cause of the explosion and fire.
Cargo interests have not taken the position that the time charterer knew or should have known that the isotainers were likely to vent uncontrolledly. Unseaworthiness (including uncargoworthiness) has not been established as the cause of the fire. Under such circumstances the US Cogsa, applicable pursuant to a contractual Paramount Clause, does not require that it is established (by the carrier) that the carrier has exercised due diligence with respect to seaworthiness and care for the cargo and the time charterer can therefore succesfully invoke the fire exception of Clause 1304(2)(b) US Cogsa.
Cognossementsvervoer van reefercontainers van de VS naar Angola. Tijdens losoperaties vindt aan boord van het schip een explosie en brand plaats waardoor schade optreedt aan o.a. de reefers. Ladingbelanghebbenden spreken de tijdbevrachter van het schip aan als vervoerder onder cognossement. Vast is komen te staan dat isotainers met licht ontvlambare ethyleen te dicht bij de reefers waren geplaatst en dat de tijdbevrachter daarom niet volgens de IMDG-Code had gestuwd. Echter niet die omstandigheid maar het ongecontroleerd afblazen van één van die isotainers was de rechtens relevante oorzaak van de explosie en de brand. Ladingbelanghebbenden hebben niet gesteld dat de tijdbevrachter het gevaar kende of had moeten kennen. Niet is gebleken dat onzeewaardigheid (waaronder begrepen ladingongeschiktheid) de oorzaak was van de brand. In een dergelijk geval vereist de door partijen toepasselijk verklaarde US Cogsa niet dat (door de vervoerder) wordt bewezen dat voldoende zorg voor de zeewaardigheid en lading is betracht en komt de tijdbevrachter een beroep toe op de brandexceptie van artikel 1304 (2)(b) US Cogsa.
Uitspraak
vonnis
Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/434236 / HA ZA 13-1001
Vonnis van 15 juni 2016
in de zaak van
1. de vennootschap naar buitenlands recht
GALLIUM GLOBAL PROCUREMENT LLC,
gevestigd te Houston, Verenigde Staten van Amerika,
2. de vennootschap naar buitenlands recht
JOHN GREER & ASSOCIATES INC.,
gevestigd te Houston, Verenigde Staten van Amerika,
3. de vennootschap naar buitenlands recht
EXPRESS SUPPORT SERVICES LIMITADA,
gevestigd te Luanda, Angola,
4. de vennootschap naar buitenlands recht
ANGOLA LNG LTD,
gevestigd te Kwanda Base Soyo, Angola,
5. de vennootschap naar buitenlands recht
CABINDA GULF OIL CO. LTD,
gevestigd te Malongo Cabinda, Angola,
6. de vennootschap naar buitenlands recht
NAVIGATORS MANAGEMENT COMPANY INC.,
gevestigd te Rye Brooke, Verenigde Staten van Amerika,
7. de vennootschap naar buitenlands recht
NAVIGATORS INSURANCE COMPANY INC.,
gevestigd te Delaware, Verenigde Staten van Amerika,
eiseressen,
advocaat mr. drs. J.J.O. Zandt,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
UNIVERSAL AFRICA LINES LTD.,
gevestigd te Limassol, Cyprus,
gedaagde,
advocaat mr. M.M. van Leeuwen.
Partijen zullen hierna Gallium c.s. en UAL genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding (met producties) van 25 september 2012
- -
-
de conclusie van antwoord (met productie)
- -
-
het vonnis van 26 februari 2014, waarbij een verschijning van partijen is bevolen
- -
-
de zittingsagenda van 20 maart 2014
- -
-
de door Gallium c.s. toegezonden producties 5 t/m 10
- -
-
het proces-verbaal van de op 25 april 2014 gehouden comparitie van partijen
- -
-
de akte na comparitie van UAL (met producties)
- -
-
het vonnis van deze rechtbank van 8 april 2015, waarbij de incidentele vordering van Gallium c.s. ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is afgewezen
- -
-
de conclusie van repliek (met producties)
- -
-
de conclusie van dupliek (met producties)
- -
-
het verkort proces-verbaal van de op 9 februari 2016 gehouden pleidooien en de daarbij overgelegde producties.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De vaststaande feiten
Op 25 mei 2011 zijn 37 zgn. ‘reefercontainers’ met voedingswaren in Houston, Verenigde Staten, geladen aan boord van het ms “UAL Antwerp” voor vervoer van Houston naar Angola.
Ten tijde van dit vervoer was UAL de tijdbevrachter van het ms “UAL Antwerp” en op haar formulier zijn op 25 mei 2011 twee cognossementen afgegeven. Op de achterkant zijn, voor zover van belang, de volgende condities afgedrukt:
“2. Applicable law and Clause Paramount
The law of The Netherlands, in which the Hague-Visby Rules are incorporated, shall apply. Nevertheless if the law of any other country would be compulsorily applicable, the Hague-Visby Rules as laid down in the Treaty of Brussels of 25th August 1924 and amended in the Protocol of Brussels of 23rd February 1968 shall apply, save where the Hamburg Rules of the UN Convention of the Carriage of Goods by Sea of 1978 would apply compulsorily, in which case the Hamburg Rules shall apply. If any stipulation, exception and condition of these conditions would be found
inconsistent with The Hague-Visby Rules or Hamburg Rules, or any compulsory law, only such stipulation, exception and condition or part thereof, as the case may be, shall be invalid. In case of carriage by sea from or to a port of the USA, this Bill of Lading shall have effect subject to the provisions of the Carriage of Goods by Sea Act of the United States, approved l6th April 1936, which shall be deemed to be incorporated herein, and nothing herein contained shall be deemed a surrender by the carrier of any of its rights or immunities or an increase of any of its responsibilities or liabilities under said Act. The provisions stated in said Act shall, except as may be otherwise specifically provided herein, govern before the goods are loaded on and after they are discharged
from the ship and throughout the entire time the goods are in custody of the carrier. The carrier shall not be liable in any capacity whatsoever for any delay, non-delivery or mis-delivery, or loss of or damage to the goods occurring while the goods are not in the actual custody of the carrier.”
Op 25 juni 2011 heeft tijdens losoperaties in Luanda, Angola, aan boord van de “UAL Antwerp” een explosie plaatsgehad en is brand ontstaan. Hierdoor zijn schip en lading beschadigd geraakt.
3 Het geschil
Gallium c.s. vorderen - kort gezegd - dat UAL wordt veroordeeld om aan hen een bedrag van US$ 732.448,59 te betalen, vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stellen zij:
- dat onderzoek heeft uitgewezen dat de explosie is veroorzaakt doordat de containers gestuwd waren direct naast containers met een IMDG-code, waarmee was aangegeven dat de inhoud licht ontvlambaar was, te weten ethyleengas;
- -
-
dat UAL is tekortgeschoten in haar verplichting om zorg te dragen voor de zeewaardigheid van het schip, inbegrepen de ladingwaardigheid van de ruimen, door de containers niet goed te stuwen;
- -
-
dat deze verplichtingen zgn. ‘overriding obligations’ zijn op grond van artikel III Hague-Visby Rules (HVR), zodat UAL zich niet kan beroepen op de brandexceptie van artikel IV(2b) HVR;
- -
-
dat de totale schade US$ 732.448,59 bedraagt en één of meerdere eiseressen actief gelegitimeerd is (zijn) om onder de cognossementen een vordering tot vervangende schadevergoeding in te dienen.
UAL concludeert – kort gezegd - tot afwijzing van de vordering, waartoe zij o.a. het volgende aanvoert:
- -
-
de vorderingsgerechtigdheid van de eiseressen wordt betwist;
- -
-
niet de HVR maar de Amerikaanse “Carriage of Goods by Sea Act of 16 April 1936” (hierna: US Cogsa) is op het onderhavige vervoer van toepassing;
- -
-
UAL kan zich met recht beroepen op de brandexceptie van artikel 1304(2)(b) van de US Cogsa;
- -
-
er is geen causaal verband aangetoond tussen de stuwage van de reefercontainers en het ontstaan van de brand;
- -
-
subsidiair: het maximale bedrag waarvoor UAL aansprakelijk kan worden gehouden is US$ 8.000,-.