Home

Rechtbank Rotterdam, 05-04-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2749, C/10/546146 / KG ZA 18-231

Rechtbank Rotterdam, 05-04-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2749, C/10/546146 / KG ZA 18-231

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
5 april 2018
Datum publicatie
7 augustus 2018
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2018:2749
Zaaknummer
C/10/546146 / KG ZA 18-231

Inhoudsindicatie

KG. Moet een aandeelhouder het uitgekeerde dividend terugbetalen aan de vennootschap?

Uitspraak

vonnis

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/546146 / KG ZA 18-231

Vonnis in kort geding van 5 april 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOM8-IT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. M.H. den Otter te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S.W. Claassen te Den Haag.

Partijen zullen hierna Autom8-IT en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 14 maart 2018;

-

de 8 producties van Autom8-IT;

-

de conclusie van antwoord;

-

de 7 producties van [gedaagde] ;

-

de mondelinge behandeling op 22 maart 2018;

-

de pleitnota van Autom8-IT;

-

de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 6 mei 2009 is Autom8-IT opgericht door [gedaagde] en [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) ten behoeve van een samenwerking op het gebied van ontwikkeling van testsoftware.

2.2.

[gedaagde] en [bedrijf] houden ieder 50% van de aandelen in Autom8-IT. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is vermeld dat zij de gezamenlijk bevoegde bestuurders zijn van Autom8-IT.

2.3.

Vanaf begin 2013 hebben [gedaagde] en [bedrijf] overleg gevoerd over de wijze waarop de samenwerking kan worden beëindigd. Dat heeft nog niet tot een overeenstemming geleid.

2.4.

Op 3 december 2013 heeft [bedrijf] vanuit Autom8-IT ten titel van dividend een bedrag van € 47.500,- overgemaakt aan [bedrijf] en een bedrag van € 47.500,- aan [gedaagde] .

2.5.

Bij email van 3 december 2013 heeft [gedaagde] aan [bedrijf] medegedeeld dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de dividenduitkering.

2.6.

Bij brief van 27 februari 2014 is [bedrijf] door de advocaat van [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van € 47.500,- terug te betalen aan Autom8-IT. Daarbij heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat van een rechtsgeldig besluit of goedkeuringsbesluit geen sprake is, zodat de betaling moet worden aangemerkt als een eigenmachtige en ongeoorloofde uitkering.

2.7.

Bij dagvaarding van 21 juli 2014 heeft [bedrijf] een bodemprocedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt jegens [gedaagde] en Autom8-IT. Daarin vorderde [bedrijf] op grond van artikel 2:343 BW dat [gedaagde] dan wel Autom8-IT wordt veroordeeld tot het overnemen van haar aandelen in Autom8-IT.

In die procedure vorderde Autom8-IT in reconventie veroordeling van [bedrijf] tot terugbetaling van het bedrag van € 47.500,- aan Autom8-IT (te vermeerderen met de wettelijke rente). Bij vonnis van 22 juli 2015 met zaaknummer C/10/456764 / HA ZA 14-819 heeft deze rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie afgewezen.

2.8.

Tegen dat vonnis, voor wat betreft de beslissing in reconventie, hebben [gedaagde] en Autom8-IT hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.

Bij arrest van 21 februari 2017 met zaaknummer 200.182.230/01 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2015 uitsluitend voor zover in reconventie gewezen, vernietigd, en heeft zij, opnieuw rechtdoende, [bedrijf] veroordeeld tot terugbetaling aan Autom8-IT van het bedrag van € 47.500,- en de wettelijke rente daarover.

2.9.

Ten tijde van de mondelinge behandeling van deze zaak had [bedrijf] het bedrag nog niet feitelijk aan Autom8-IT terugbetaald. Autom8-IT beschikt sinds 2016 niet meer over een bankrekening.

3 Het geschil

3.1.

Autom8-IT vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan Autom8-IT het bedrag van € 47.500,- te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119a BW vanaf 3 december 2013, 23 februari 2017 dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag dat dat bedrag volledig is voldaan en [gedaagde] primair te veroordelen in de werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand begroot op € 3.206,50 en de kosten van dit geding (exclusief de forfaitaire kosten van juridische bijstand) en subsidiair de kosten van dit geding (inclusief de forfaitaire kosten van juridische bijstand).

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing