Rechtbank Rotterdam, 11-04-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3416, C/10/530723 / HA ZA 17-671
Rechtbank Rotterdam, 11-04-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3416, C/10/530723 / HA ZA 17-671
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 11 april 2018
- Datum publicatie
- 26 april 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2018:3416
- Zaaknummer
- C/10/530723 / HA ZA 17-671
Inhoudsindicatie
Faillissementsrecht. Eiseres heeft met de curator afspraken gemaakt over de continuering van haar dienstverlening gedurende het faillissement van haar gefailleerde contractspartij. Curator draagt vermogensbestanddelen uit de boedel over aan gedaagde en bedingt daarbij tevens dat gedaagde de met eiseres gemaakte afspraken dient te respecteren/eerbiedigen. Is gedaagde gebonden aan de eerder tussen gefailleerde en eiseres bestaande overeenkomst van dienstverlening?
Uitspraak
vonnis
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/530723 / HA ZA 17-671
Vonnis van 11 april 2018
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. S. Kara te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JJR VASTGOED B.V.,
gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. H.W. ten Katen te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en JJR genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 18 juli 2017, met producties;
- -
-
de conclusie van antwoord, tevens houdende een (voorwaardelijke) eis in reconventie van 30 augustus 2017, met producties;
- -
-
de brief van 20 september 2017 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor de comparitie van partijen;
- -
-
de brief van 17 januari 2018 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de comparitie van partijen;
- -
-
de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende een exceptie van onbevoegdheid van 1 februari 2018, met producties;
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 19 februari 2018;
- -
-
de brief van mr. Ten Katen inhoudende een reactie op het proces-verbaal van 23 februari 2018.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiseres] verricht secretariaatswerkzaamheden en administratieve werkzaamheden voor bedrijven.
[eiseres] heeft in de periode 1994-2015 werkzaamheden verricht voor Stichting Bedrijvencentrum Drechtsteden (hierna: SBD). In de periode 1999-2015 heeft zij werkzaamheden verricht voor Stichting Bedrijvencentrum Sliedrecht (hierna: SBS). SBD was eigenaar en exploitant van een bedrijvencentrum te Dordrecht; SBS was eigenaar en exploitant van een bedrijvencentrum te Sliedrecht. Onder andere heeft [eiseres] de receptie van de bedrijvencentra bemand en secretariële ondersteuning geboden aan SBD en SBS. [eiseres] heeft daarnaast werkzaamheden verricht voor bedrijven die in de bedrijvencentra een kantoorruimte huurden (hierna ook: huurders).
Op 1 juli 1994 hebben SBD en [eiseres] een huurovereenkomst gesloten voor de huur van een kantoorruimte in het bedrijvencentrum te Dordrecht.
Op 1 oktober 2012 hebben [eiseres] enerzijds en SBD en SBS anderzijds een Service Level Agreement gesloten (hierna: de SLA). In de SLA is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
“De honorering voor ASK is vastgesteld op € 3.500,00 exclusief btw per maand per vestiging (...).
De overige werkzaamheden (werkzaamheden die niet onder de werkzaamheden van een receptioniste vallen)(...) zijn niet opgenomen in deze overeenkomst. De kosten voor secretariaatswerkzaamheden bedragen € 30,00 (exclusief btw) per uur en worden apart gefactureerd.”
Op 22 mei 2015 heeft SBS [eiseres] (onder andere) als volgt bericht:
“Je hebt aangegeven graag in het centrum actief te willen blijven. We hebben daarover verschillende malen overlegd. Het resultaat daarvan is dat wij als verhuurder en jij als dienstverlener aan de stichting allebei geen mogelijkheid zien om de dienstverlening in Sliedrecht voort te zetten.”
SBD en SBS zijn op 7 juli 2015 in staat van faillissement verklaard met benoeming van [curator] . In het eerste faillissementsverslag van SBS is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“Curator wordt bijgestaan door ASK secretariaatsservice (...). Huurnota’s voor de maand augustus en de daaropvolgende maanden zijn verzonden. ASK verzorgt elke maand verzending van de nota’s en assisteert de curator verder in het (technisch) beheer vanuit Dordrecht. (...) Potentiële huurders worden met behulp van bestuur en ASK ontvangen en rondgeleid (...).”
Het eerste faillissementsverslag van SBD is op dit punt – een enkel detail daargelaten – gelijkluidend.
Op 1 juni 2016 heeft de curator een tweetal koopovereenkomsten gesloten met JJR. De curator en JJR zijn daarin overeengekomen dat JJR het onroerend goed te Dordrecht respectievelijk Sliedrecht waarin de bedrijvencentra zijn gevestigd, alsmede de daarin aanwezige inventaris, uit de boedel zou kopen. In beide koopovereenkomsten is voorts, voor zover van belang, het volgende bepaald:
“18.2. Koper zal de vanwege het faillissement tussen de curator en ASK Secretariaatsservice gemaakte afspraken ter zake van secretariële ondersteuning in het beheer eerbiedigen respectievelijk overnemen vanaf datum overdracht/levering. (...)”
Als bijlage bij de koopovereenkomst voor het onroerend goed te Dordrecht is een overzicht van lopende huurovereenkomsten gevoegd. Hierop is melding gemaakt van de huurovereenkomst tussen SBD en [eiseres] . De huurovereenkomst is blijkens dit overzicht opgezegd tegen 1 juli 2016.
Op 14 juni 2016 heeft de curator het onroerend goed waarin het bedrijvencentrum te Dordrecht is gevestigd geleverd aan JJR. Op 30 juni 2016 is ook het onroerend goed te Sliedrecht geleverd aan JJR.
Op 28 juli 2016 heeft JJR [eiseres] als volgt geïnformeerd:
“Bij deze delen wij u mede geen gebruik van uw diensten te zullen maken, danwel zeggen wij de diensten middels dit schrijven op.
Volledigheidshalve, uw werkzaamheden zullen eindigen per 31 augustus 2016.”
In reactie op voormelde brief heeft [eiseres] JJR – bij ongedateerde brief –
(onder andere) als volgt bericht:
“U gaat uit van een beëindiging van de diensten per 31 augustus 2016 maar wij menen dat dit 30 september 2016 moet zijn.
Zoals eerder met u besproken is er een opzegtermijn van 2 maanden afgesproken met de curator, u gaf aan dat dit redelijk was.”
De curator heeft zich bij brief van 15 augustus 2016 als volgt tot JJR gericht:
“Gelet op hetgeen wij in de koopovereenkomsten zijn overeengekomen met betrekking tot het eerbiedigen respectievelijk overnemen vanaf datum overdracht/levering van de met ASK Secretariaatsservice gemaakte afspraken, heeft zij mij gevraagd u te bevestigen dat in de afspraak die door mij in hoedanigheid van curator met ASK Secretariaatsservice is gemaakt, een opzegtermijn is overeengekomen van twee maanden. (...)
Ofschoon deze kwestie verder de boedel niet regardeert, meende ik er toch goed aan te doen u te wijzen op hetgeen wij in dit verband met elkaar hebben afgesproken en zoals dit ook is vastgelegd in de koopovereenkomsten.”
De dienstverlening van [eiseres] voor JJR is op 31 augustus 2016 geëindigd. Op die datum heeft [eiseres] ook haar kantoorruimte in het bedrijvencentrum te Dordrecht verlaten.
Bij brief van 31 augustus 2016 heeft de advocaat van [eiseres] JJR aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade. In deze brief is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“Cliënte deelde mij mede dat u de overeenkomst met haar (...) heeft opgezegd tegen 31 augustus 2016 met inachtneming van een opzegtermijn van slechts een maand, terwijl tussen u en de curator in deze een opzegtermijn is overeengekomen van twee maanden, derhalve een beëindiging van de overeenkomst per 30 september 2016 had moeten plaatsvinden. (...)
De schade van cliënte wordt door haar voorlopig begroot op € 8.000,00 exclusief btw, waarvan een bedrag ad € 3.500,00 exclusief BTW als zijnde maandelijkse honorering (september 2016) geldt en een bedrag ad € 2.403,00 exclusief btw ter zake van gederfde inkomsten betreft.”
3 Het geschil
[eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
A. voor recht verklaart dat JJR toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen geldende (duur)overeenkomst waardoor [eiseres] schade heeft geleden, en JJR veroordeelt tot het vergoeden van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, tot 1 april 2017 begroot op € 53.750,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 31 augustus 2016, tot de dag der algehele voldoening van de schade, althans tot het in dezen te wijzen vonnis;
B. JJR veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor elke dag of dagdeel dat JJR niet voldoet aan het gevorderde onder A binnen 48 uur na het in dezen te wijzen vonnis;
subsidiair
C. voor recht verklaart dat JJR onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld waardoor [eiseres] schade heeft geleden, en JJR veroordeelt tot het vergoeden van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, tot 1 april 2017 begroot op € 53.750,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 31 augustus 2016, tot de dag der algehele voldoening van de schade, althans tot het in dezen te wijzen vonnis;
D. JJR veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor elke dag of dagdeel dat JJR niet voldoet aan het gevorderde onder C binnen 48 uur na het in dezen te wijzen vonnis;
primair en subsdidiair
E. JJR veroordeelt in de kosten van deze procedure, met bepaling dat indien en voor zover deze kosten niet uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis zijn voldaan, gedaagde in verzuim is en de wettelijke rente over de proceskosten aan [eiseres] verschuldigd is;
F. JJR te veroordelen in de nakosten, zulks te begroten op € 131,00 zonder betekening en € 199,00 met betekening van het in dezen te wijzen vonnis, met bepaling dat indien en voor zover deze kosten niet uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis zijn voldaan, gedaagde in verzuim is en de wettelijke rente over de proceskosten aan [eiseres] verschuldigd is.
[eiseres] legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat de tussen [eiseres] enerzijds en SBD en SBS anderzijds gesloten SLA op grond van artikel 18.2 van de koopovereenkomsten is overgenomen door JJR. De SLA heeft het karakter van een duurovereenkomst. JJR heeft deze duurovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van slechts één maand opgezegd. Gelet op de looptijd van de SLA had JJR een opzegtermijn van ten minste 6 maanden moeten hanteren. JJR is dientengevolge toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de duurovereenkomst. Subsidiair geldt dat JJR onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door de duurovereenkomst op te zeggen zonder daarbij een redelijke opzegtermijn in acht te nemen. [eiseres] heeft schade geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatige gedraging van JJR. De schade bestaat in de gederfde winst over een periode van 6 maanden. De gemiddelde winst van [eiseres] bedraagt € 8.125,00 per maand, zodat JJR gehouden is om een bedrag van € 48.750,00 aan [eiseres] te voldoen. Daarnaast maakt [eiseres] aanspraak op buitengerechtelijke kosten. De buitengerechtelijke kosten worden begroot op € 5.000,00.
JJR voert verweer. JJR stelt zich op het standpunt dat er tussen [eiseres] en JJR geen overeenkomst bestaat. Er is geen sprake van contractsoverneming. Uitgangspunt van de koopovereenkomsten is dat JJR geen zaken zou gaan doen met [eiseres] . JJR had daarom het recht om de dienstverlening van [eiseres] met inachtneming van een opzegtermijn van een maand te beëindigen. JJR heeft dat al in juni 2016 mondeling gedaan. Uit artikel 18.2 van de koopovereenkomsten volgt hoogstens dat JJR bij de beëindiging van de dienstverlening van [eiseres] een opzegtermijn van twee maanden in acht had moeten nemen, in welk geval de schade beperkt is tot één maand gederfde winst. Bij de begroting van de schade moet voorts rekening worden gehouden met het feit dat de bedrijvencentra reeds half leeg stonden, zodat de werkzaamheden – en daarmee: inkomsten – van [eiseres] beperkt zouden zijn geweest. Voor zover artikel 18.2 van de koopovereenkomsten een overname van de SLA inhoudt, heeft JJR ter zake van de inhoud van dit artikel gedwaald. Voor de zekerheid heeft JJR daarom de koopovereenkomsten buitengerechtelijk (partieel) vernietigd.
in (voorwaardelijke) reconventie
JJR vordert voorwaardelijk dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[eiseres] veroordeelt om aan JJR te betalen een bedrag ad € 7.727,03, te vermeerderen met de huur- en servicekosten van € 706,27 excl. btw per maand verschuldigd vanaf 1 september 2017 tot en met de dag waartegen de huurovereenkomst rechtsgeldig, d.w.z. met inachtneming van artikel 3 van de huurovereenkomst, door [eiseres] wordt opgezegd, en [eiseres] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
JJR legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiseres] een huurovereenkomst heeft gesloten met SBD. Tussen deze huurovereenkomst en de SLA bestaat samenhang. Voor zover in conventie komt vast te staan dat JJR de SLA heeft voortgezet, geldt dat JJR ook de tussen [eiseres] en SBD gesloten huurovereenkomst heeft voortgezet. [eiseres] is in dat geval gehouden om de door haar verschuldigde huurtermijnen vanaf 1 september 2016 tot de datum van een rechtsgeldige opzegging aan JJR te voldoen.
[eiseres] voert verweer. Zij verzoekt dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de procedure in reconventie verwijst naar de kantonrechter, nu het hier gaat om een aardzaak als bedoeld in artikel 93 sub c Rv. Inhoudelijk geldt dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en SBD per 1 juli 2016 is geëindigd.