Home

Rechtbank Rotterdam, 22-08-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7491, C/10/533342 / HA ZA 17-805

Rechtbank Rotterdam, 22-08-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7491, C/10/533342 / HA ZA 17-805

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22 augustus 2018
Datum publicatie
6 september 2018
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2018:7491
Zaaknummer
C/10/533342 / HA ZA 17-805

Inhoudsindicatie

Beëindiging maatschapsovereenkomst door opzegging. Partijen twisten over de gevolgen daarvan. Uitleg overeenkomst. De maatschap wordt voortgezet. De vertrekkende maat is gehouden haar aandeel in de maatschap aan te bieden aan de voortzettende maten en is gebonden aan het concurrentiebeding, ook al is zij niet degene die de overeenkomst heeft opgezegd. Van uitstoting is geen sprake. Evenmin is sprake van misbruik van recht of strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Uitspraak

vonnis

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/533342 / HA ZA 17-805

Vonnis van 22 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. L. van der Leer,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. I.D.C.J. van Driel.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden. Voor zover [gedaagden] afzonderlijk worden bedoeld, zullen zij worden aangeduid als [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 1 augustus 2017, met producties;

-

de akte vermeerdering van eis, met één productie;

-

de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

-

het tussenvonnis (de brief) van de rechtbank van 25 oktober 2017, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

-

de brief van de rechtbank van 23 februari 2018, waarbij een zittingsagenda aan partijen is toegezonden;

-

de conclusie van antwoord in reconventie, tevens wijziging van eis in conventie, met producties;

-

de akte nadere producties, tevens wijziging van eis in reconventie;

-

het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 19 april 2018;

-

de ter zitting door mrs. Van der Leer en Van Driel overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.

2.1.

Partijen zijn gezamenlijk de maten in de maatschap “Verloskundigenpraktijk Verloskundigen Rotterdam West”. De maatschap heeft haar hoofdvestiging aan de [adres] te Rotterdam en een dependance in Spangen.

2.2.

[eiser] is in 1991 toegetreden tot de maatschap. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn respectievelijk in 1993, 1997 en 2010 tot de maatschap toegetreden.

2.3.

De samenwerking in de maatschap is vastgelegd in een maatschapsovereenkomst, waarvan de inhoud enige malen is aangepast. De laatste versie van de maatschapsovereenkomst dateert van 20 juni 2014. In deze maatschapsovereenkomst staat onder meer het volgende:

“(...) DUUR VAN DE MAATSCHAP

Artikel 3

  1. De maatschap wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

  2. De maatschap wordt voor onbepaalde tijd voortgezet met een opzegtermijn van zes

maanden.

3. Opzegging van de maatschap als bedoeld in de lid 2 van dit artikel kan uitsluitend

geschieden door middel van een aangetekend schrijven aan de andere partijen.

DE PRAKTIJK

Artikel 4

1. De maatschap omvat de verloskundige praktijk, zoals deze tot op dit moment in Rotterdam

en omgeving wordt uitgeoefend door partijen (...) voor gezamenlijke rekening en in associatief verband in het pand gelegen aan de [adres] te Rotterdam, en de intentie in een dependance in Spangen. (...)

(...) PRAKTIJKUITVOERING EN WERKVERDELING

Artikel 7

(...) 8. Partijen verbinden zich buiten de eigen praktijk, zonder toestemming van de andere partij,

geen andere praktijk uit te oefenen of daarbij op enigerlei wijze betrokken te zijn, noch enige andere functies op medisch gebied te aanvaarden of te vervullen, welke naar het oordeel van de andere partijen de maatschap nadeel zouden kunnen berokkenen. (...)

(...) ONTBINDING VAN DE MAATSCHAP

Artikel 17

Ontbinding van de maatschap kan door een partij gevorderd worden:

a. indien één van de partijen gedurende een aaneengesloten periode van een jaar of meer

arbeidsongeschikt of anderszins afwezig is geweest. Waarbij onder arbeidsongeschiktheid wordt verstaan de situatie, waarin de betrokken partij voor 25% of meer arbeidsongeschikt is verklaard op basis van de regels, welke de verzekeraar, waarbij de betrokken partij dit risico heeft verzekerd, daartoe hanteert;

indien één van de partijen over een periode van 547 dagen in totaal 365 dagen of meer,

geheel of gedeeltelijk niet in staat is geweest haar praktijk uit te oefenen;

indien op enig moment komt vast te staan, dat één van de partijen blijvend

arbeidsongeschikt of anderszins afwezig zal zijn, en daarmee blijvend verhinderd zal zijn om haar praktijk uit te oefenen;

indien daartoe gewichtige redenen bestaan. (...)

EINDE VAN DE MAATSCHAP

Artikel 18

De maatschap eindigt:

  1. door opzegging als bedoeld in de lid 2 van artikel 3;

  2. door ontbinding, conform het bepaalde in artikel 17;

  3. door onder-curatele-stelling van één van de partijen, bij een aanvrage van surseance van

betaling betreffende één van de partijen, bij faillietverklaring van één van de partijen, alsmede bij onder-bewindstelling van één van de partijen ingevolge enige wettelijk bepaling;

door het in kracht van gewijsde gaan van een vonnis dan wel het onherroepelijk worden

van een andere uitspraak, waarbij één van de partijen de bevoegdheid wordt ontzegd om een verloskundige praktijk uit te oefenen;

door beëindiging van de overeenkomst met de zorgverzekeraar betreffende één van de

partijen;

aan het einde van het kalenderjaar, waarin één van de partijen de leeftijd van vijfenzestig

jaar bereikt;

door het overlijden van één van de partijen.

GEVOLGEN VAN BEEINDIGING VAN DE MAATSCHAP: VERREKENING EN VEREFFENING

Artikel 19

1. Bij beëindiging van de maatschap heeft ieder der partijen de vrije beschikking over haar

aandeel in de maatschap en dienen partijen al hetgeen zij aan de maatschap nog verschuldigd zijn respectievelijk al hetgeen zij nog van de maatschap te vorderen hebben zo spoedig mogelijk met elkaar te verrekenen.

2. De resterende vorderingen en schulden van de maatschap dienen zo spoedig mogelijk te

worden geïnd respectievelijk betaald en in de verdeling te worden gebracht. De verdeling vindt niet eerder plaats dan drie maanden na het tijdstip, waarop de bekende schulden zijn betaald en partijen elkaar over en weer per aangetekend schrijven hebben gevrijwaard voor eventuele onbekende maatschapsschulden.

3. Tot aan het einde van de verrekening en vereffening blijven de daarvoor in aanmerking

komende bepalingen van deze overeenkomst zoveel mogelijk van toepassing.

GEVOLGEN VAN BEEINDIGING VAN DE MAATSCHAP ANDERS DAN DOOR OVERLIJDEN: VOORTZETTING EN OVERNAME

Artikel 20

1. Indien bij beëindiging van de maatschap, anders dan door overlijden, één van de partijen

het haar toekomend aandeel in de praktijk niet voortzet, is zij verplicht haar aandeel in de maatschap binnen een maand na de beëindiging per aangetekend schrijven aan de andere partijen, indien deze hun aandeel in de praktijk wel voortzetten, te koop aan te bieden tegen een koopsom, welke zal worden vastgesteld met inachtneming van de dan geldende KNOV-normen

2. In geval van beëindiging van de maatschap als gevolg van arbeidsongeschiktheid van één

van de partijen zijn de andere partijen, indien zij hun aandeel in de praktijk voortzetten, gehouden het aandeel van de arbeidsongeschikte partij over te nemen tegen een koopsom, welke zal worden vastgesteld met inachtneming van de dan geldende KNOV-normen. Partijen dragen zorg voor een zo spoedig mogelijke afwikkeling van de overname, met dien verstande dat de overnamesom binnen drie maanden na aanvaarding van de financiële jaarcijfers voldaan dient te worden.

3. Buiten het geval bedoeld in lid 2 van dit artikel van beëindiging van de maatschap anders

dan door overlijden zijn de partijen, die het aandeel in de maatschap van de andere partij te koop krijgen aangeboden, vrij dit aanbod al dan niet te aanvaarden, met dien verstande dat zij uiterlijk binnen één maand na de datum van het aanbod per aangetekend schrijven aan de andere partij dienen kenbaar te maken of zij tot koop willen overgaan. Indien het aanbod niet binnen één maand per aangetekend schrijven door de andere partijen is aanvaard, kan de andere partij vanaf dat moment naar goeddunken over haar aandeel beschikken. Indien het aanbod binnen één maand wordt aanvaard, dragen partijen zorg voor een zo spoedig mogelijke afwikkeling van de overname, onder de voorwaarde dat de overnamesom uiterlijk binnen drie maanden na aanvaarding voldaan dient te worden. Partijen verplichten zich het praktijkdeel van de vertrekkende maat over te nemen tegen de dan geldende KNOV-normen.

4. De partij, die haar aandeel in de maatschap aan de andere partijen overdraagt, verbindt

zich bij deze om gedurende een periode van tien jaren, te rekenen vanaf de datum van de overdracht, niet als verloskundige gevestigd te zijn of als zodanig praktijk uit te oefenen in een omtrek van 5 kilometer van het dan geldende praktijk werkgebied, noch direct of indirect bij de uitoefening van een zodanige praktijk betrokken te zijn, zulks op straffe van een dwangsom ter grootte van € 25.000,-- (zegge: vijfentwintigduizend euro) vermeerderd met € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro) voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, te verbeuren aan de andere partijen. Tenzij schriftelijke toestemming van de blijvende maatschapsleden is verkregen.

5. In geval van beëindiging van de maatschap anders dan door overlijden is de partij, die het

haar toekomend aandeel in de praktijk niet voortzet, gehouden de rechten en plichten, voortvloeiend uit de inzake het(de) in artikel 4 lid 1 genoemde pand(en) gesloten huurovereenkomst(en), op het moment van het neerleggen van de praktijk over te dragen aan de partijen, die hun praktijk wel voortzetten.

of

In geval van beëindiging van de maatschap anders dan door overlijden is partij ... gehouden de praktijkruimte(n) in het(de) in artikel 4 lid 1 genoemde pand(en) gedurende negen maanden, te rekenen vanaf de datum van beëindiging van de maatschap, ter beschikking te stellen aan partijen ... op dezelfde voorwaarden als dit geschiedde op 1 januari, voorafgaande aan de beëindiging van de maatschap.

GEVOLGEN VAN BEEINDIGING VAN DE MAATSCHAP DOOR OVERLIJDEN: VOORTZETTING EN OVERNAME

Artikel 21

(...)”

2.4.

De zus van [eiser] , genaamd [persoon 1] , is ook verloskundige van beroep. Zij heeft een eigen praktijk, genaamd [bedrijf] . Deze praktijk is gevestigd op een afstand van 600 à 700 meter van de hoofdvestiging van de maatschap.

2.5.

Bij brief van 27 april 2016 - die niet aangetekend is verzonden - heeft [eiser] onder meer het volgende geschreven aan [gedaagden] :

“(...) Zoals afgesproken heb ik goed nagedacht over mijn positie in Verloskundigen Rotterdam West

(...) Toch wens ik heel graag dit concept samen met [persoon 1] verder ontwikkelen. (...)

(...) Mijn Beslissing:

Na veel nadenken, piekeren en gevoelens heb ik mijn beslissing genomen. Ik zeg de maatschap op met in achtneming van de opzegtermijn van 6 maanden en zal mijn praktijkdeel meenemen, want ik wil doorgaan als verloskundige in een combinatie van verloskunde en kraamzorg zoals het past bij mijn visie. Dit betekent een kleinere praktijk met minder verloskundigen en kraamzorg. Hoe we het gaan aanpakken moeten we natuurlijk nog bespreken. (...)”

2.6.

In de notulen van de maatschapsvergadering van 3 juni 2016 staat onder meer:

“(...) Toekomst praktijk: [persoon 1] wil niet komen waarnemen, gaat starten in eigen praktijk. [persoon 2] blijft. [persoon 2] heeft geen aandeel in kraambureau meer. (...)”

2.7.

In de notulen van de maatschapsvergadering van 16 september 2016 staat onder meer:

“(...) [persoon 2] wil nog steeds uit de maatschap en bij [persoon 1] vestigen en klanten meenemen. Wil ook in Rotterdam West gevestigd blijven. Volgens gezamenlijke afspraken in het maatschapscontract kan dit niet.

Voorstel: [persoon 2] benadert een onafhankelijke mediation figuur die zich ons uit deze onverkwikkelijke situatie moet leiden. (...)”

2.8.

De advocaat van [eiser] heeft bij aangetekende brief van 28 november 2016 onder meer het volgende geschreven aan [gedaagden] :

“(...) Haar ongenoegen over de gang van zaken heeft cliënte inmiddels herhaaldelijk aan u kenbaar gemaakt. Ook de inschakeling van een mediator heeft cliënte en u niet nader tot elkaar kunnen brengen. (...)

Een en ander leidt ertoe dat de Overeenkomst dient te worden beëindigd. (...)”

2.9.

Bij aangetekende brief van 9 augustus 2017 heeft [gedaagde 1] de maatschap opgezegd.

2.10.

In de brief van [gedaagden] aan [eiser] van 23 augustus 2017 staat onder meer het volgende:

“(...) De afgelopen periode is er veel gebeurd in de maatschap. Met name nadat jij hebt besloten de procedure door te zetten en de dagvaarding te laten betekenen. Wij zijn daar erg van geschrokken. Wij zijn teleurgesteld dat je ons aanbod om tot een oplossing te komen door een gesprek naast je neer hebt gelegd en daarna zelfs je eisen hebt vermeerderd. Daarnaast is er ook in de privésfeer veel gebeurd, dat is jou bekend.

Als gevolg van het een en ander heeft [gedaagde 2] [rechtbank: [gedaagde 2] ] gepolst of er de mogelijkheid was haar aandeel te verkopen. Daarnaast heeft [gedaagde 1] [rechtbank: [gedaagde 1] ] vanuit haar schrikreactie besloten de maatschap op te zeggen en heeft zij haar aandeel te koop aangeboden.

[gedaagde 1] trekt hierbij definitief haar aanbod in. Zij wil niet langer haar aandeel verkopen. Ook [gedaagde 2] heeft besloten haar aandeel niet meer te koop aan te bieden.

Nu [gedaagde 1] heeft opgezegd eindigt de maatschap met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden per 9 februari 2018. Dat volgt uit artikel 18 van onze maatschapsovereenkomst in samenhang met artikel 3 lid 2 daarvan.

Na ampel overleg hebben wij voorts besloten dat wij ondanks de overhaaste en door de dagvaarding ingegeven opzegging van de maatschap door [gedaagde 1] , toch met elkaar door willen in een voortzetting van de maatschap. Wij hebben allen besloten ons aandeel in de praktijk voort te zetten. Wij nodigen jou uit hetzelfde te doen.

De nieuwe maatschapsovereenkomst zal door mr. Van Driel in concept worden opgesteld. Gelet op de discussie die er nu is, hebben wij wel afgesproken dat het concurrentiebeding en de bepaling over de voortzetting van de maatschap in de nieuwe overeenkomst opnieuw zal worden opgeschreven, zodat de tekst van de overeenkomst voortaan beter aansluit bij wat wij met elkaar hebben afgesproken. Gelet op de inhoud van de dagvaarding leg jij de overeenkomst immers heel anders uit dan wij. Hopelijk zijn de vragen die jij nu hebt voorgelegd aan de rechter in de toekomst te voorkomen door een duidelijkere schriftelijke overeenkomst. Wij vinden dat van groot belang voor de maatschap.

Uit de dagvaarding en de vermeerdering van eis krijgen wij de indruk dat jij al hebt besloten je aandeel in de praktijk niet voort te zetten en de maatschap te verlaten. Daarom berichten wij je ook vast als volgt.

Wij zetten de praktijk zoals omschreven in de maatschapsovereenkomst voort. Nu wij dat doen volgt uit artikel 20 van onze overeenkomst dat jij verplicht bent je aandeel in de praktijk te koop aan te bieden als jij de praktijk bedoeld in de overeenkomst niet voortzet. Dit aanbod moet met een aangetekend schrijven binnen een maand na beëindiging van de maatschap door jou worden gedaan. De beëindiging van de maatschap, de opzegbrief van [gedaagde 1] , dateert van 9 augustus 2017. Wij vragen je daarom uiterlijk op 9 september 2017 je keuze middels een aangetekend schrijven aan ons bekend te maken. Indien je meer tijd nodig hebt, bijvoorbeeld om met je advocaat te overleggen dan zijn wij op jouw verzoek bereid na te denken over een langere termijn. Doch niet langer dan tot een maand na heden.

Wij berichten je voorts dat indien wij jouw aanbod aanvaarden je jezelf verbonden hebt je te houden aan het concurrentiebeding in lid 4 van artikel 20 van de maatschapsovereenkomst. Wij zullen je daar aan houden. Met name nu jij hebt aangegeven een verloskundigenpraktijk uit te willen oefenen in het bedrijf van je zus [persoon 1] , dat 600 meter van ons bedrijf is gevestigd. Ook blijkt uit jouw stellingen dat jij je zult richten op dezelfde doelgroep als onze maatschap. Dit is voor ons naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Met name gelet op jouw aantrekkingskracht voor klanten in onze doelgroep. De belangen van onze maatschap, die tot je uittreedt ook jouw belangen zijn, zijn ermee gediend dat wij je aan het concurrentiebeding houden.

Indien je besluit je aandeel in de praktijk niet voort te zetten en de maatschap dus te verlaten ben je verplicht je aandeel te koop aan te bieden. Indien je dat nalaat zullen wij genoodzaakt zijn dat aanbod, althans de aankoop van, jouw maatschapsdeel via de rechter te bewerkstelligen. Dat geldt ook voor de handhaving van het concurrentiebeding indien jij je daar niet aan houdt.

Uiteraard hopen wij dat dat niet nodig zal zijn. Wij streven naar een zo spoedig mogelijke afwikkeling van deze kwestie, in ieders belang. (...)”

2.11.

Bij vonnis in kort geding van 3 januari 2018 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank:

-

artikel 20 lid 1 van de maatschapsovereenkomst geschorst tot één week nadat de rechtbank heeft beslist in de bodemprocedure, in die zin dat [eiser] tot dat moment niet haar aandeel aan de overige maten behoeft aan te bieden en

-

artikel 20 lid 4 van de maatschapsovereenkomst geschorst tot en met 19 april 2018, in die zin dat [eiser] gedurende die periode geen dwangsommen als in dat artikellid bedoeld verbeurt door praktijkuitoefening binnen een straal van vijf kilometer van de vestigingen van de maatschap aan de [adres] en in Spangen, beide te Rotterdam.

2.12.

Op 26 januari 2018 hebben [gedaagden] het volgende e-mailbericht verzonden aan de cliënten van de maatschap:

“(...) Vanaf zaterdag 10 februari 2018 zal onze gewaardeerde collega [eiser] niet meer werkzaam zijn in onze praktijk.

Na vele jaren met plezier te hebben samengewerkt, betreuren wij het zeer dat zij ervoor heeft gekozen om onze praktijk te verlaten.

Wij wensen haar het allerbeste toe.

Voor u verandert er niets.

Onze praktijk gaat vol enthousiasme verder met ons huidige team op dezelfde locaties (...).”

2.13.

[eiser] is na 9 februari 2018 niet meer ingeroosterd als verloskundige in de maatschap. Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister is zij met ingang van 10 februari 2018 uitgeschreven als maat van de maatschap.

2.14.

In de brief van de advocaat van [gedaagden] aan [eiser] van 16 februari 2018 is onder meer het volgende vermeld:

“(...) Cliënte informeerden mij dat u op 15 februari 2018 als verloskundige heeft gewerkt bij [bedrijf] (...). Daarmee handelt u in strijd met het op u rustende concurrentiebeding uit de maatschapsovereenkomst tussen u en cliënten van 20 juni 2014 opgenomen in artikel 20 lid 4.

Namens cliënte zeg ik u hierbij de contractuele dwangsom, althans boete, aan van € 25.000,00 voor deze overtreding. Te vermeerderen met een boete van € 500,00 per dag dat u weigert zich te houden aan het concurrentiebeding, vanaf 16 februari 2018.

Voorts blijkt inmiddels uit verklaringen van voormalig cliënten dat u hen actief heeft bewogen om u te volgen. Dat heeft u overigens zelf ook, meermaals, verklaard in een gesprek tussen mij en cliënten.

Namens cliënten sommeer ik u de werkzaamheden in strijd met het concurrentiebeding per direct te staken en gestaakt te houden.

Op basis van het vonnis in kort geding van 3 januari 2018 is de boetebepaling uit de maatschapsovereenkomst geschorst. Die schorsing vervalt echter op 20 april 2018, daarna kan met terugwerkende kracht de boete op u worden verhaald. Vanaf dat moment is de boete dus alsnog direct en onvoorwaardelijk opeisbaar. Ik verzoek, zo nodig sommeer ik u, het alsdan vervallen deel van de boete ad € 60.000,00, te voldoen en wel uiterlijk op 27 april 2018 (...)”.

2.15.

In een verklaring van een oud-cliënt van de maatschap van 21 februari 2018 staat het volgende:

“(...) Hierbij verklaar ik, [persoon 3] , dat ik door de maten van Verloskundigen Rotterdam West onder druk ben gezet om een onjuiste verklaring te ondertekenen waarin staat dat ik op advies van mevrouw [eiser] de praktijk heb verlaten.

Deze verklaring zat verstopt in een toestemmingsverklaring om mijn medische gegevens af te geven. Ik heb de verklaring per post thuisgestuurd gekregen en heb naar aanleiding hiervan telefonisch contact opgenomen met de praktijk.

Het is namelijk niet waar dat ik op advies van mevrouw [eiser] ben vertrokken, dat is mijn eigen keuze geweest. Ik heb de vrijheid om te kiezen wie ik wil. Ik ben te woord gestaan door mevrouw [gedaagde 1] , die mij telefonisch onder druk heeft gezet om de verklaring te tekenen, ook nadat ik haar had uitgelegd dat de verklaring niet klopt en ik deze daarom niet teken.

Het was een erg vervelend telefoongesprek waarin ik mij door mevrouw [gedaagde 1] bedreigd voelde. Ik weiger de verklaring te ondertekenen omdat deze niet klopt en niet waar is. Ik vind het onjuist dat ik als oud patient zo wordt behandeld. (...)”

2.16.

Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 20 maart 2018 is onder meer de reconventionele vordering van [eiser] strekkende tot rectificatie van het hiervoor onder 2.12 bedoelde e-mailbericht afgewezen. In dit vonnis zijn ook de overige door partijen over en weer ingestelde vorderingen afgewezen.

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing