Rechtbank Rotterdam, 01-08-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7569, C/10/534409 / HA ZA 17-851
Rechtbank Rotterdam, 01-08-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7569, C/10/534409 / HA ZA 17-851
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 1 augustus 2018
- Datum publicatie
- 10 september 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2018:7569
- Zaaknummer
- C/10/534409 / HA ZA 17-851
Inhoudsindicatie
Faillissementsrecht. Dient de curator een door de verhuurder ingediende, en volgens de curator te hoge, huurvordering volledig (als boedelschuld) te erkennen?
Kan een vordering van de boedel uit hoofde van de faillissementspauliana op een schuldeiser verrekend worden met een vordering van diezelfde schuldeiser op gefailleerde?
Uitspraak
vonnis
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/534409 / HA ZA 17-851
Vonnis van 1 augustus 2018
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf (eiser)] ,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. J.G.M. Stassen te Enschede,
tegen
[curator ]
in hoedanigheid van curator in het faillissement van
RAMBLAS ENTERTAINMENT B.V.,
wonende te Schiedam,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. M.A.J. Hartman te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [bedrijf (eiser)] en de Curator genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 25 juli 2017, met producties;
- -
-
de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie van 18 oktober 2017, met producties;
- -
-
de brief van 15 november 2017 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;
- -
-
de conclusie van antwoord in reconventie van 25 maart 2018;
- -
-
de pleitaantekeningen van mr. Stassen;
- -
-
de pleitaantekeningen van mr. Hartman;
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 9 april 2018;
- -
-
de brief van mr. Stassen inhoudende een reactie op het proces-verbaal;
- -
-
de brief van mr. Hartman inhoudende een reactie op het proces-verbaal.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Ramblas Entertainment B.V. (hierna: Ramblas Entertainment) is op 1 december 1992 opgericht. Zij heeft een onderneming gedreven die zich bezighield met de exploitatie van een discotheek, gevestigd aan de [adres] .
Enig aandeelhouder en bestuurder van Ramblas Entertainment is Ramblas Holding B.V (hierna: Ramblas Holding). Ramblas Holding is tevens bestuurder van [bedrijf (eiser)] . Enig aandeelhouder van Ramblas Holding is [persoon ] . [persoon ] is eveneens enig aandeelhouder van [bedrijf (eiser)] .
[bedrijf (eiser)] houdt zich (onder meer) bezig met het verhuren van onroerende zaken. Zij is eigenaar van het bedrijfspand aan de [adres] (hierna: het bedrijfspand).
[bedrijf (eiser)] heeft het bedrijfspand aan Ramblas Entertainment verhuurd. Daartoe hebben [bedrijf (eiser)] en Ramblas Entertainment op 19 december 2006 een huurovereenkomst gesloten voor de duur van vijf jaar, ingaande op 1 januari 2007. In 2011 zijn partijen een verlenging van de huurovereenkomst overeengekomen. De huurprijs is voor de periode 2007 – 2012 vastgesteld op € 630.360,00 per jaar en voor de periode 2012 - 2017 op € 690.000,00 per jaar. De huurprijs is in 2006 gebaseerd op een taxatierapport van Bureau Deltahuis, een bedrijf dat zich onder meer bezighoudt met taxaties. De huurprijs voor de periode 2012 – 2017 is ook gebaseerd op een taxatie van Bureau Deltahuis.
Op 22 juli 2014 heeft Ramblas Entertainment de exploitatie van de discotheek gestaakt. Op 19 augustus 2014 is Ramblas Entertainment in staat van faillissement verklaard met benoeming van de Curator als zodanig.
Op 30 augustus 2014 heeft [bedrijf (eiser)] de huurovereenkomst opgezegd. Bij brief van 16 september 2014 heeft de Curator [bedrijf (eiser)] geïnformeerd dat de huurovereenkomst uiterlijk op 30 november 2014 eindigt.
[bedrijf (eiser)] heeft een vordering van € 231.129,36 bij de Curator ingediend. De vordering betreft huurpenningen voor het bedrijfspand over de periode 19 augustus 2014 - 30 november 2014. [bedrijf (eiser)] heeft de Curator verzocht deze vordering als boedelschuld te erkennen.
De Curator heeft bij de rechtbank Rotterdam een procedure gevoerd tegen Ramblas Holding, [persoon ] en [bedrijf (eiser)] . In deze procedure heeft de Curator onder andere een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad (selectieve (wan)betaling) tegen Ramblas Holding en [persoon ] ingesteld. Voorts heeft de Curator jegens [bedrijf (eiser)] de vernietiging ex artikel 47 Fw gevorderd van door Ramblas Entertainment gepleegde rechtshandelingen, zijnde de betaling van huurpenningen aan [bedrijf (eiser)] ná 19 juni 2013 tot aan de datum van het faillissement.
Bij vonnis van 15 februari 2017 zijn Ramblas Holding en [persoon ] op grond van artikel 6:162 BW hoofdelijk veroordeeld om aan de Curator een bedrag van € 359.300,00, vermeerderd met wettelijke rente, te betalen. [bedrijf (eiser)] is veroordeeld om een bedrag van € 333.300,00, vermeerderd met wettelijke rente, aan de boedel te betalen, onder de voorwaarde dat dit bedrag niet reeds door Ramblas Holding en/of [persoon ] is voldaan. Onder dezelfde voorwaarde is [bedrijf (eiser)] veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten en in de beslag- en proceskosten.
3 Het geschil
[bedrijf (eiser)] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“1. [voor recht verklaart] dat de door [bedrijf (eiser)] ingediende huurvordering over de periode vanaf de datum van het faillissement tot de datum van feitelijke oplevering door de Curator, 19 augustus 2014 tot en met 30 november 2014, ter hoogte van € 231.129,36 kwalificeert als boedelschuld;
2. [voor recht verklaart] dat [bedrijf (eiser)] deze boedelschuld ter hoogte van € 231.129,36 mag verrekenen met al hetgeen zij op basis van het vonnis van 15 februari 2017 verschuldigd is;
3. de Curator [veroordeelt] in de kosten van deze procedure waaronder begrepen de nakosten en de wettelijke rente over dit bedrag van 8 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.”
[bedrijf (eiser)] heeft aan haar vordering sub 1 ten grondslag gelegd dat [bedrijf (eiser)] en Ramblas Entertainment een huurovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan de huurprijs voor het bedrijfspand € 690.000,00 per jaar bedraagt. Dat komt neer op een bedrag van € 231.129,36 voor de periode 19 augustus 2014 tot en met 30 november 2014. Van de dag der faillietverklaring – zijnde 19 augustus 2014 – kwalificeert de huurprijs op grond van artikel 39 Fw als boedelschuld. [bedrijf (eiser)] baseert haar vordering sub 2 – de vordering tot verrekening – op artikel 6:127 BW.
Het verweer van de Curator strekt tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling van [bedrijf (eiser)] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis, alsmede met veroordeling van [bedrijf (eiser)] in de nakosten van € 131,00 dan wel indien betekening plaatsvindt, van € 199,00.
De Curator stelt zich op het standpunt dat de huurprijs onzakelijk en te hoog is. Uit een in opdracht van de Curator door ADHOC Horecamakelaars B.V. (hierna: ADHOC) opgesteld taxatierapport volgt dat een huur van € 26.250,00 per maand marktconform is. De Curator acht zich daarom slechts gehouden om voor de betreffende periode (de boedelperiode) maximaal een bedrag van € 89.758,06 als boedelschuld te erkennen.
Verrekening van de boedelschuld met de vordering van de Curator uit hoofde van het vonnis van 15 februari 2017 is volgens de Curator voorts niet mogelijk. Ramblas Holding en/of [persoon ] zullen eerst door de Curator tot betaling worden aangesproken; tot die tijd is [bedrijf (eiser)] niet tot betaling bevoegd zoals vereist door artikel 6:127 BW. Voorts is het niet mogelijk om betaling van de betreffende vordering (een vordering op de boedel) af te dwingen, zoals eveneens door artikel 6:127 BW vereist. Een vordering uit hoofde van artikel 47 Fw kan voorts volgens de Curator niet worden verrekend met een boedelschuld. Daartegen verzet zich de ratio van dit artikel, alsmede de redelijkheid en de billijkheid.
in reconventie
De Curator vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“voor recht verklaart dat de boedelhuurvordering ex art. 39 Fw van [ [bedrijf (eiser)] ] wordt vastgesteld op het bedrag zoals door ADHOC Horecamakelaars B.V. is getaxeerd;
[ [bedrijf (eiser)] veroordeelt] in de kosten van deze procedure, onder bepaling dat (i) de proceskosten voldaan dienen te worden binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, en – voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt –, (ii) te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede (iii) met veroordeling van [ [bedrijf (eiser)] ] in de nakosten somma van EUR 131, dan wel, indien betekening plaatsvindt, de somma van EUR 199.”
De onderbouwing van de vordering van de Curator is reeds opgenomen onder 3.4.
Het verweer van [bedrijf (eiser)] strekt tot afwijzing van de vorderingen en – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de Curator in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis, alsmede met veroordeling van de Curator in de nakosten.
[bedrijf (eiser)] betwist dat de huurprijs te hoog of onzakelijk is. Zij betwist voorts de juistheid van de taxatie door ADHOC.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.