Home

Rechtbank Rotterdam, 20-12-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:10184, 8060491 VZ VERZ 19-18010

Rechtbank Rotterdam, 20-12-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:10184, 8060491 VZ VERZ 19-18010

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20 december 2019
Datum publicatie
10 januari 2020
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2019:10184
Zaaknummer
8060491 VZ VERZ 19-18010

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Letsel door kopstoot tijdens een voetbalwedstrijd. Aansprakelijkheid staat op grond van artikel 161 Rv vast. Voorschot ziektekosten, smartengeld, reis-en parkeerkosten en telefoon-en portokosten (deels) toewijsbaar.

Uitspraak

zaaknummer: 8060491 VZ VERZ 19-18010

uitspraak: 20 december 2019

beschikking ex artikel 1019w Rv van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. P. Meijer, advocaat te Rotterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats verweerder] ,

verweerder,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoeker] ” en “ [verweerder] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

- het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 23 september 2019;

-

de brief d.d. 15 november 2019 met bijlagen van [verzoeker] ;

-

de brief d.d. 21 november 2019 met bijlagen van [verzoeker] .

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november 2019. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts is [verweerder] in persoon verschenen tezamen met zijn partner, mevrouw [naam partner verweerder] . Partijen hebben ieder het eigen standpunt (nader) toegelicht. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

1.3

De uitspraak van de beschikking is door de kantonrechter op heden bepaald.

2 Het verzoek

2.1

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter:

I. te verklaren voor recht dat [verweerder] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en dat hij gehouden is de volledige schade (nu eigen schuld niet aan de orde is) aan [verzoeker] te voldoen;

II. [verweerder] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de letselschade van € 10.000,-;

III. [verweerder] te veroordelen in de kosten van dit geding ex artikel 1019aa Rv jo. artikel 6:96 BW, waaronder het griffierecht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.2

Aan het verzoek heeft [verzoeker] – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

2.3

[verzoeker] was op 8 oktober 2017 met zijn team [naam voetbalclub 1] aan het voetballen tegen [naam voetbalclub 2] , alwaar [verweerder] voetbalt, op de [adres] . Op enig moment was [verzoeker] met [verweerder] in duel. Beiden gingen daarbij voor de bal, maar konden deze niet bemachtigen en vielen op de grond. De scheidsrechter floot dat de bal over de lijn was. [verzoeker] stond na de val op en liep weg. [verweerder] kwam [verzoeker] echter achterna en gaf [verzoeker] met kracht een kopstoot. Vanwege het lengteverschil tussen [verzoeker] en [verweerder] , raakte [verweerder] [verzoeker] ter hoogte van diens kaak. [verzoeker] heeft als gevolg van het geweldsincident ernstig letsel opgelopen.

2.4

[verweerder] is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld. [verzoeker] heeft zich gevoegd in het strafproces als benadeelde partij. De vordering benadeelde partij van [verzoeker] is slechts gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 52,52. Voor het overige deel is [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard. Na het oordeel van de politierechter heeft [verzoeker] zich tot [verweerder] gewend met het verzoek om zijn (overige) schade te vergoeden. [verweerder] heeft aanvankelijk aangegeven een advocaat in te zullen schakelen, maar heeft dit niet gedaan en achtte zich daarnaast niet aansprakelijk. Een minnelijk traject is dan ook niet op gang gekomen.

2.5

Voor wat betreft de aansprakelijkheid wijst [verzoeker] erop dat de politierechter [verweerder] op 30 november 2017 heeft veroordeeld voor mishandeling. Tegen deze uitspraak is door [verweerder] geen hoger beroep ingesteld. Dat brengt, aldus [verzoeker] , met zich mee dat ex artikel 161 Rv vaststaat dat [verweerder] [verzoeker] opzettelijk lichamelijk letsel heeft toegebracht. Gewezen wordt daarnaast op de door [verzoeker] overgelegde getuigenverklaringen waaruit eveneens volgt dat [verweerder] een kopstoot heeft gegeven aan [verzoeker] . Door het toebrengen van het letsel heeft [verweerder] een onrechtmatige daad jegens [verzoeker] gepleegd die hem kan worden toegerekend en waarvoor geen rechtvaardigingsgrond bestaat. Het voorgaande brengt met zich dat de aansprakelijkheid gegeven is en dat [verweerder] de schade van [verzoeker] dient te voldoen.

2.6

Als gevolg van het geweldsincident heeft [verzoeker] ernstig letsel opgelopen. [verzoeker] heeft drie beschadigde tanden, een gekneusde kaak, oorsuizen en minder gehoor aan de linkerzijde (tinnitus), hoofdpijnklachten, vermoeidheidsklachten en psychische problemen. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de door [verzoeker] overgelegde medische stukken. [verzoeker] heeft naar eigen zeggen nog dagelijks te maken met fysieke en psychische klachten.

2.7

[verzoeker] heeft bij verzoekschrift een schadestaat overgelegd. Daaruit blijken volgens hem de volgende schadeposten:

-

Reis- en parkeerkosten € 50,57 + p.m.

-

Huishoudelijke hulp/verzorging € 2.229,80 + p.m.

-

Ziektekosten € 996,36

-

Telefoon- en portokosten € 100,00

-

Smartengeld € 6.000,00

-

Wettelijke rente p.m.

-

Kosten rechtsbijstand € 1.359,56

Totaal: € 10.736,29 + p.m.

Door [verweerder] is een bedrag betaald van € 52,52. Derhalve resteert volgens [verzoeker] een bedrag van € 10.683,77. Nog niet over alle kosten bestaat uitsluitsel. Deze (toekomstige) schade is p.m. genoteerd. Gezien de genoteerde schade verzoekt [verzoeker] om toewijzing van een voorschot op de letselschade van € 10.000,-.

3 Het verweer

3.1

[verweerder] is van mening dat [verzoeker] toneel speelt. [verweerder] heeft de onderhavige zaak allang als afgedaan beschouwd en dacht dat de boel met een sisser zou aflopen. Dit te meer nu [verweerder] kort na het incident contact heeft gehad met onder meer de moeder van [verzoeker] , partijen in gesprek waren en [verweerder] nog een keer langs zou gaan bij [verzoeker] met een bloemetje. [verweerder] heeft daartoe echter nimmer meer gelegenheid gekregen. Nu [verweerder] er vanuit ging dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen, is dit de reden geweest dat [verweerder] geen advocaat heeft ingeschakeld en hier geen kosten aan heeft willen besteden. [verweerder] is veroordeeld en is hiermee genoeg gestraft. Daarnaast is reeds een bedrag vergoed aan [verzoeker] . Vervolgens is [verzoeker] ineens nog allemaal kostenposten gaan opvoeren.

3.2

Ten aanzien van het incident dat op 8 oktober 2017 heeft plaatsgevonden stelt [verweerder] zich op het standpunt dat [verzoeker] [verweerder] , nadat partijen in duel waren geraakt om de bal en beiden op de grond waren gevallen, hard heeft geschopt. In reactie daarop is [verweerder] nadien opgestaan en hard naar [verzoeker] toe gelopen. Daarbij is [verweerder] met zijn hoofd tegen de kaak van [verzoeker] aangelopen. Van opzet en van een kopstoot van de zijde van [verweerder] is echter geen sprake geweest. Deze aanraking viel voorts in het niet bij de schop die [verzoeker] aan [verweerder] heeft gegeven. [verweerder] had zelf ook blauwe plekken daardoor. [verweerder] is van mening dat dergelijke incidenten regelmatig voorkomen bij het voetbal en nu eenmaal bij het spel horen.

3.3

Het is juist dat [verweerder] niet in hoger beroep is gegaan van het strafvonnis d.d. 30 november 2017. Dit is niet zo slim geweest.

3.4

[verweerder] betwist het letsel dat [verzoeker] stelt te hebben geleden. [verzoeker] heeft kort na het incident gewoon weer gevoetbald. Uit de overgelegde medische stukken volgt ook geen duidelijke diagnose. Evenwel is [verweerder] in het kader van een regeling bereid de kosten betrekking hebbende op de ziektekosten, reis- en parkeerkosten en telefoon- en portokosten te voldoen. Het gevorderde smartengeld en de kosten voor huishoudelijke hulp is [verweerder] echter niet bereid te betalen, nu hij deze posten niet geloofwaardig vindt.

4 De beoordeling

5 De beslissing