Home

Rechtbank Rotterdam, 27-03-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2350, C/10/525628 / HA ZA 17-410

Rechtbank Rotterdam, 27-03-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2350, C/10/525628 / HA ZA 17-410

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27 maart 2019
Datum publicatie
27 maart 2019
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2019:2350
Zaaknummer
C/10/525628 / HA ZA 17-410

Inhoudsindicatie

Collectieve actie consumentenbond- NN over beleggingsverzekering- tussenvonnis- nadere akte over onder meer kosten.

Zie ook ECLI:NL:RBROT:2020:6762

Uitspraak

vonnis

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/525628 / HA ZA 17-410

Vonnis van 27 maart 2019

in de zaak van

de vereniging

CONSUMENTENBOND,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. A.P. Kranenburg te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. R. van de Klashorst te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna de Consumentenbond en NN genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 24 maart 2017,

-

de akte overlegging producties, tevens uitlating incidenteel verzoek (art. 22 Rv) alsmede correctie/aanvulling van de Consumentenbond met producties 1 tot en met 18,

-

de akte houdende uitlating tevens wijziging van eis van de Consumentenbond, met productie 19,

-

de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 59,

-

het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2018,

-

de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van eis, met producties 19 en 20,

-

de conclusie van dupliek, met producties 60 en 61,

-

de akte overlegging producties tevens wijziging van eis van de Consumentenbond, met producties 21 en 22,

-

het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2018,

-

de bij brief van mr. Kranenburg van 6 november 2018 ingediende akte met een aangepaste versie van het petitum,

-

de brief van mr. Van de Klashorst van 12 november 2018,

-

de brief van mr. Kranenburg van 10 december 2018, met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

NN heeft in de periode 1992 - 2008 beleggingsverzekeringen verkocht waarop (een van de twee versies van) de “Voorwaarden voor verzekeringen op basis van belegging in participaties” (hierna: VvV) van 31 augustus 1991 respectievelijk 6 september 2001 van toepassing zijn verklaard (hierna ook: NN-beleggingsverzekeringen). NN-beleggingsverzekeringen werden onder meer onder de volgende namen aangeboden:

-

Flexibel Verzekerd Beleggen;

-

Bedrijfs Effect Sparen;

-

ING Bank Privé Pensioenplan;

-

ING Bank Bedrijfsspaarpolis;

-

ING Bank Flexibel Spaarplan.

2.2.

NN-beleggingsverzekeringen zijn beleggingsverzekeringen op universal life basis, waarbij sprake is van een uitkering bij overlijden van de verzekerde vóór een bepaalde datum of in leven zijn van de verzekerde op een bepaalde datum, afhankelijk van welke gebeurtenis het eerste intreedt. De overlijdensrisicodekking is ingebouwd en volledig afgestemd op de waarde die is opgebouwd in de beleggingsverzekering. Daardoor is niet de volledige uitkering bij overlijden verzekerd, maar slechts het verschil tussen het verzekerd bedrag bij overlijden en de waarde die is opgebouwd in de beleggingsverzekering (het risicokapitaal). De overlijdensrisicopremie die op enig moment verschuldigd is, wordt alleen over dit verschil berekend.

De verzekeringnemer had de keuze uit drie verschillende overlijdensrisicodekkingen:

(i) een vast door de verzekeringnemer gekozen kapitaal of, indien dat meer is, 110%

van de opgebouwde waarde;

(ii) 110% van de opgebouwde waarde of, indien dat meer is, de betaalde bruto premie; of

(iii) 90% van de opgebouwde waarde of, indien dat minder is, de betaalde bruto premie.

Daarnaast kon worden gekozen voor aanvullende risicodekkingen en garanties.

2.3.

NN bracht bij de NN-beleggingsverzekeringen de volgende kosten in rekening:

a. a) aan- en verkoopkosten;

b) eerste kosten verzekeraar;

c) doorlopende kosten verzekeraar;

d) eerste kosten assurantietussenpersoon;

e) doorlopende kosten assurantietussenpersoon;

f) beheerkosten;

g) switchkosten;

h) overige incidentele kosten, waaronder mutatiekosten;

i. i) fondsbeheerkosten;

j) overlijdensrisicopremie.

2.4.

NN-beleggingsverzekeringen werden in de onder 2.1 bedoelde periode uitsluitend verkocht via assurantietussenpersonen. NN had geen rechtstreeks contact met de

(aspirant-)verzekeringnemer. De assurantietussenpersoon gaf voorlichting en advies aan de (aspirant-)verzekeringnemer, waarna deze al dan niet koos voor een NN-beleggingsverzekering.

2.5.

NN had naast de VvV de volgende algemene documentatie beschikbaar:

- het Prospectus Levensverzekeringen in beleggingseenheden (diverse versies van 1994 tot januari 1999),

- de brochure Rendement en Risico (vanaf 1 januari 1997),

- de brochure ‘Levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten met beleggingsrisico’ (vanaf 1 oktober 1998; ter vervanging van de brochure Rendement en Risico),

- de ‘Algemene voorlichtingsbrochure over levensverzekeringen met beleggingsrisico’ (vanaf 1 januari 1999, ter vervanging van het Prospectus),

- de Productleeswijzer (vanaf 1 augustus 1999),

- de Financiële Bijsluiter (vanaf 1 juli 2002; zie hierna ook 2.13).

2.6.

Artikel 3D VvV (zowel in de versie van 1990 als in die van 2001) luidt, voor zover hier van belang:

1. Op de voor de verzekeringnemer uitstaande participaties in de door hem aangegeven fondsen zal iedere kalendermaand een vergoeding voor de door de Maatschappij in verband met deze verzekering gemaakte administratie- en beheerskosten in mindering worden gebracht, alsmede de over de betreffende kalendermaand verschuldigde overlijdensrisicopremie.

(...)

Wet- en regelgeving

2.7.

Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van de Europese Unie van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (hierna: Derde levensrichtlijn) bepaalt voor zover hier van belang:

“(...)

(23) Overwegende dat de consument in het kader van een eengemaakte verzekeringsmarkt een grotere en meer gediversifieerde keuze uit overeenkomsten zal hebben; dat hij om ten volle van deze diversiteit en een toegenomen concurrentie te kunnen profiteren, moet beschikken over de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past; dat deze behoefte aan inlichtingen nog sterker is omdat de looptijd van de verbintenissen zeer lang kan zijn; dat het dientengevolge wenselijk is de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument een duidelijke en nauwkeurige informatie zou ontvangen over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden produkten en over de gegevens betreffende de organismen die bevoegd zijn om kennis te nemen van de klachten van verzekeringnemers, verzekerden of begunstigden van de overeenkomst;

(...)

Artikel 31

1. Vóór de sluiting van de verzekeringsovereenkomst dienen aan de verzekeringnemer ten minste de in bijlage II, onder A, vermelde gegevens te worden medegedeeld.

2. De verzekeringnemer dient gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst te worden ingelicht over elke wijziging van de in bijlage II, onder B, vermelde gegevens.

3. De Lid-Staat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.

4. De toepassingsvoorschriften betreffende dit artikel en bijlage II worden door de Lid-Staat van de verbintenis vastgesteld.

(...)”.

2.8.

Bijlage II bij de Derde levensrichtlijn luidt voor zover hier van belang:

“(...)

AAN DE VERZEKERINGNEMER TE VERSTREKKEN INLICHTINGEN

De volgende inlichtingen, die hetzij voor de sluiting van de overeenkomst (A) hetzij gedurende de looptijd ervan (B) aan de verzekeringnemer moeten worden meegedeeld, moeten duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk worden verstrekt in een officiële taal van de Lid-Staat van de verbintenis.

(...)

A. Vóór de sluiting van de overeenkomst

(...)

a.4 Omschrijving van elke verzekeringsdekking en keuzemogelijkheid

a.5 Looptijd van de overeenkomst

a.6 Wijze van beëindiging van de overeenkomst

a.7 Wijze en duur van betaling van de premies

a.8 Wijze van berekening en toewijzing van winstdelingen

a.9 Gegevens over de afkoop- en premievrije waarden en in hoeverre deze zijn gegarandeerd

a.10 Inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken

(...)”.

2.9.

Artikel 51 van de (tot 2007 geldende) Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (hierna: Wtv 1993) vormde in Nederland de implementatie van artikel 31 Derde levensrichtlijn en bepaalde:

“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken informatie door verzekeraars.”

2.10.

Ter uitvoering van artikel 51 Wtv 1993 is per 1 juli 1994 de Regeling Informatieverstrekking aan Verzekeringnemers in werking getreden (hierna: RIAV 1994). Artikel 2 lid 2 van deze regeling luidt, voor zover hier van belang:

“Voor zover de in dit lid bedoelde informatie niet uit de algemene of bijzondere polisvoorwaarden blijkt, draagt de verzekeraar er tevens zorg voor dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis wordt gesteld van:

(...)

b. een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht;

(...)

h. de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen verschuldigd zijn;

(...)

k. indien de overeenkomst voorziet in een afkoop- of premievrije waarde, een opgave of indicatie van die waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend;

(...)”

2.11.

Vanaf 1996 heeft de verzekeringsbranche (in het kader van zelfregulering) nadere regels gesteld over de informatievoorziening over onder meer beleggingsverzekeringen in de opeenvolgende versies van de Code Rendement en Risico (hierna: CRR). Deze gedragscode is door het Verbond van Verzekeraars in overleg met, onder meer, de Consumentenbond opgesteld.

De CRR 1996 – die vanaf 1 september 1996 gefaseerd in werking trad en vanaf 1 januari 1997 gold voor nieuwe offertes – luidt voor zover hier van belang:

“(...)

DOEL

Door toepassing van de Code moet de consument inzicht krijgen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten.

(...)

RICHTLIJNEN VOOR DE INFORMATIE OMTRENT VOORBEELDEN

(...)

Voor te communiceren voorbeeldpercentages dient een bandbreedte te worden aangehouden welke relevant is voor het beleggingsrisico.

voorbeeldkapitaal

Er dienen ten minste twee voorbeeldkapitalen te worden gegeven, gebaseerd op voorbeeldpercentages gelegen binnen de bandbreedte, waaronder in elk geval de laagste en de gemiddelde waarde. Bij elk voorbeeld moet het daarin voor de berekening toegepaste voorbeeldpercentage worden vermeld. Indien het voorbeeldpercentage c.q. het voorbeeldkapitaal wordt berekend op basis van het produktrendement, dient zulks uitdrukkelijk te worden vermeld. In dat geval dient tevens (de bandbreedte van) het achterliggende fondsrendement te worden genoemd.

Voor de bepaling van de bandbreedte zal een toe te passen rekenvoorschrift worden vastgesteld.

(...)”.

De CRR 1996 is vervangen door de CRR 1998; deze laatste is per 1 april 1998 in werking getreden. Offertes dienden vanaf 1 oktober 1998 aan de CRR 1998 te voldoen. De CRR 1998 is vervangen door de CRR 2002, die achtereenvolgens vervangen werd door de CRR 2003, 2004 en 2006 (in werking getreden per 1 juli 2002 respectievelijk november 2003, september 2004 en 1 augustus 2006).

2.12.

Op 1 januari 1999 is de Regeling Informatieverstrekking aan Verzekeringnemers 1998 (hierna: RIAV 1998) in werking getreden, die de RIAV 1994 verving en waarmee uitvoering werd gegeven aan artikel 51 Wtv 1993. Artikel 2 lid 2 RIAV 1998, luidt voor zover hier van belang:

“(...)

2 Voor zover de in dit lid bedoelde informatie niet uit de algemene of bijzondere polisvoorwaarden blijkt, draagt de verzekeraar er tevens zorg voor dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis wordt gesteld van:

(...)

b. het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is;

(...)

h. de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd;

(...)

k. indien de overeenkomst voorziet in een afkoop- of premievrije waarde, een opgave of indicatie van die waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend;

(...)

q. de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst;

r. indien van toepassing, de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht;

s. indien van toepassing, het aan de overeenkomst verbonden beleggingsrisico en de mate waarin dit risico ten laste is van de verzekeringnemer.

(...)”

2.13.

Op 1 juli 2002 is het Besluit financiële bijsluiter (Besluit van 20 december 2001, houdende regels met betrekking tot het door financiële ondernemingen ter beschikking stellen van een financiële bijsluiter bij complexe producten, Stbl. 2001, 670; hierna: Bfb 2002) in werking getreden. Artikel 3 lid 1 Bfb 2002 bepaalt dat in duidelijke en voor de afnemer begrijpelijke bewoordingen uitsluitend de volgende onderwerpen worden behandeld in de financiële bijsluiter:

-

informatie over de met het product samenhangende financiële risico’s (sub d);

-

informatie over het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product verbonden kosten (sub f).

2.14.

Daarnaast is op 1 juli 2002 de Nadere regeling financiële bijsluiter (Nrfb 2002) in werking getreden. Deze regeling geeft nadere regels over de inhoud van de financiële bijsluiter. Deze nadere regels houden onder meer in dat de informatie over de met het product samenhangende financiële risico’s moet worden gegeven met gebruikmaking van de in bijlage 2 Nrfb 2002 opgenomen standaardteksten en standaardmethodieken. Bijlage 3 bij de Nrfb 2002 bevat modellen voor kosten en voorbeeldrendementen en bijlage 4 geeft voorschriften voor de voorbeeldrendementspercentages. Er moeten in tabelvorm ten minste drie voorbeeldrendementen worden weergegeven, te weten:

- i) het netto historisch rendementspercentage (berekend op basis van de rendementen gedurende de laatste twintig jaar van de fondsen waarin wordt belegd en bij een kortere periode waarin wordt belegd op basis van de eigen historie, aangevuld met daarbij passende relevante indexreeksen voor de betreffende jaren);

- ii) het netto pessimistische rendementspercentage, dat afhankelijk van de aard van de beleggingen vooraf werd vastgesteld;

- iii) een standaard bruto rendement van 4% dat voor alle producten gold.

2.15.

Op 1 januari 2006 is artikel 31 van de Wet van 12 mei 2005, houdende regels voor

de financiële dienstverlening (Wet financiële dienstverlening; hierna: Wfd) in werking getreden. Daarin is bepaald dat de financiële dienstverlener voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product de consument informatie verstrekt voor zover die redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van dat product.

2.16.

Op 1 januari 2006 is eveneens in werking getreden het Besluit

financiële dienstverlening (hierna: Bfd); de RIAV 1998 is daarin geïncorporeerd. Artikel 32 Bfd bepaalt dat de aanbieder van een overeenkomst inzake een levensverzekering ten minste de in dat artikel genoemde informatie dient te verstrekken, waaronder:

-

het bedrag van de uitkering(en) waartoe hij zich verplicht, of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering(en), alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering(en) afhankelijk is (sub b),

-

de invloed van kosten ten laste van de consument op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst (sub q),

-

de kosten die naast de bruto premie in rekening worden gebracht (sub r),

-

het aan de overeenkomst verbonden financiële risico en de mate waarin dit risico voor rekening is van de consument (sub s).

2.17.

Op 22 februari 2006 is inwerking getreden de Nadere regeling van de AFM van 7 februari 2006 houdende regels voor de informatieverstrekking bij complexe producten (Nadere regeling financiële dienstverlening, hierna: Nrfd). De Nrfd bevat een ingrijpende wijziging van de regelgeving voor de financiële bijsluiter en diende per 1 oktober 2006 geïmplementeerd te zijn.

2.18.

Per 1 mei 2006 is de RIAV 1998 komen te vervallen.

2.19.

Op 1 januari 2007 is in werking getreden de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en het krachtens die wet geldende Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft 2007 (hierna: Bgfo 2007), waarmee de Wfd, de Bfd en de Nrfd kwamen te vervallen.

2.20.

Per 1 januari 2008 is het Bgfo gewijzigd, onder meer naar aanleiding van het rapport van de door het Verbond van Verzekeraars ingestelde commissie transparantie beleggingsverzekering (de “Commissie De Ruiter”). Deze commissie kwam tot de aanbeveling om in de precontractuele fase meer informatie te verstrekken over de aard van de beleggingsverzekering, de kosten gedurende de gehele looptijd (omgerekend naar een gemiddeld jaarlijks kostenpercentage), de verschillende kostensoorten en de wijze waarop de kosten worden verrekend alsmede de gevolgen van verhoging of verlaging van de bruto premie, van afkoop en premievrijmaking. Daarnaast zouden verzekeraars tijdens de looptijd een jaarlijkse opgave moeten verstrekken van de besteding van de bruto premie en van het

opgebouwde saldo aan beleggingseenheden en voorts informatie moeten verstrekken

over de gevolgen van aanpassingen in de beleggingsverzekering, ook als de

verzekeringnemer daar niet om vraagt. De Commissie De Ruiter heeft haar aanbevelingen vervat in drie door verzekeraars te gebruiken modellen voor informatieverstrekking over

beleggingsverzekering (de zgn. Modellen De Ruiter).

Artikel 60 Bgfo luidt voor zover hier van belang:

“(...)

i. de premie, verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor elk van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd en, indien deze premies gedurende de looptijd fluctueren, een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de wijze waarop ze worden berekend en van de factoren waardoor het beloop ervan wordt bepaald,

(...)

l. indien de uitkering wordt uitgedrukt in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling:

1°. de kosten die worden ingehouden op de premie, bedoeld in onderdeel i, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;

2°. de kosten die worden ingehouden op de waarde van de rechten van deelneming, onderverdeeld naar eerste kosten, doorlopende kosten en aan- en verkoopkosten;

3°. de kosten die de beheerder van de beleggingsinstelling jaarlijks in rekening brengt voor het beheer van de rechten van deelneming in die beleggingsinstelling;

4°. de invloed van het gemiddelde jaarlijkse percentage van de kosten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°, op het rendement en de uitkering, verbonden aan de overeenkomst;

5°. de wijze waarop de kosten, bedoeld onder 1°, 2° en 3°, worden verdeeld over de looptijd van de overeenkomst met de cliënt;

m. een omschrijving van de gevolgen van een verhoging of verlaging van de premie, met inbegrip van premievrijmaken, en, indien de overeenkomst in die mogelijkheid voorziet, van afkoop, en een opgave van de afkoopwaarde gedurende ten minste de eerste tien jaren van de looptijd, onder vermelding van het voor de berekening gehanteerde rendementspercentage;

(...)”.

3 Het geschil

3.1.

De Consumentenbond vordert – na wijziging van eis – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: waarbij telkens voor "NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten" moet worden gelezen de door NN gesloten overeenkomsten onder de namen Flexibel Verzekerd Beleggen, Bedrijfs Effect Sparen, ING Bank Privé Pensioenplan, ING Bedrijfsspaarpolis, ING Bank Flexibel Spaarplan en alle andere door NN gesloten overeenkomsten waarop (een van de twee versies van de) "Voorwaarden voor verzekeringen op basis van belegging in participaties" (gedeponeerd ter griffie van de rechtbank Rotterdam op 31 augustus 1990 resp. 6 september 2001) (de VvV; zie 2.1) van toepassing worden verklaard,

en waarbij het dan telkens betreft:

Primair: al die beleggingsverzekeringsovereenkomsten;

Subsidiair: de in een bepaalde periode gesloten beleggingsverzekeringsovereenkomsten en/of de beleggingsverzekeringsovereenkomsten waarbij de (aspirant-) polishouder niet, voorafgaand aan het sluiten ervan de door het Verbond van Verzekeraars uitgegeven "Prospectus levensverzekeringen in beleggingseenheden" heeft ontvangen,

verzoek ex art 22 Rv

NN alsnog te bevelen om:

a. van elk van de, in het kader van de uitvoering van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten gedane, inhoudingen uit een te zetten hoe de hoogte wordt berekend waarbij van elk van de inhoudingen zowel de grondslag als de gehanteerde percentages verstrekt moeten worden en tevens wijzigingen in de loop der jaren worden aangegeven;

b. de vragen:

a. hoe en op welke grondslag zijn de Eerste Kosten Verzekeringsmaatschappij/Kosten Bemiddelaar of Verzekeringsadviseur (EKV/KB) in de loop der jaren berekend?

b. zijn de in artikel 3D van de VvV genoemde "administratie- en beheerkosten" gelijk aan de in de meer recente waarde-overzichten genoemde Doorlopende Kosten Verzekeringsmaatschappij (DKV) en Beheerkosten?

c. hoe en op welke grondslag zijn "administratie- en beheerkosten" respectievelijk DKV en Beheerkosten in de loop der jaren berekend?

d. is in de loop der jaren, in het kader van de voorbeeldberekeningen/prognoses die in de diverse offertes zijn opgenomen, steeds rekening gehouden met alle EKV/KB, DKV en Beheerkosten?

e. worden in de offertes voor NN Beleggingsverzekeringsovereenkomsten bij de gegeven voorbeeldkapitalen steeds netto voorbeeldrendementen (na inhouding van Fondsbeheerkosten) gegeven? Zo nee, wanneer en voor welke beleggingsverzekeringsovereenkomsten worden er bruto voorbeeldrendementen (voor inhouding van Fondsbeheerkosten) gegeven?

f. hoe is de overlijdensrisicopremie bij NN Beleggingsverzekeringen in de loop der jaren berekend en welke sterftetabellen en opslagen werden daarbij gehanteerd?

g. welke tabellen voor de berekening van overlijdensrisicopremie zijn in de loop der jaren gehanteerd voor "losse" overlijdensrisicoverzekeringen en welke sterftetabellen en opslagen werden daarbij gehanteerd?

h. is in de loop der jaren, in het kader van de voorbeeldberekeningen/prognoses die in de diverse offertes zijn opgenomen, steeds rekening gehouden met:

- op polis/participatieniveau: de EKV/KB en de Beheerkosten;

- op fondsniveau: de Fondsbeheerkosten;

- op alle niveaus: de Overige Kosten?

te beantwoorden en, voor zover mogelijk, met stukken te onderbouwen alsmede de gevraagde stukken in het geding te brengen;

I) kosten- ontbreken contractuele grondslag

A. te verklaren voor recht dat in het kader van de NN- beleggingsverzekeringsovereenkomsten geen inhouding van Eerste Kosten ("EK") en geen inhouding van Kosten Bemiddelaar of Verzekeringsadviseur ("KB") is overeengekomen;

B. te verklaren voor recht dat NN deze kosten (in waarde-overzichten na 2008 aangeduid als "Kosten Verzekeringsmaatschappij (eerste kosten)" en "Kosten Bemiddelaar of Verzekeringsadviseur (eerste kosten, doorlopende kosten)" ten onrechte heeft ingehouden;

II kosten- oneerlijke bedingen (voorwaardelijk)

C1. als zou worden aangenomen dat er een grondslag voor de inhouding van EK en/of KB is terug te vinden in de bij de NN-Beleggingsverzekeringen behorende algemene voorwaarden ("administratie en - beheerkosten" als bedoeld in artikel 3 D lid 1 VvV of een andere bepaling) de betreffende bepaling(en) aan te merken als oneerlijk(e) beding(en) en deze te vernietigen;

C2. te verklaren voor recht dat NN de betreffende kosten, in waarde-overzichten na 2008 aangeduid als "Kosten Verzekeringsmaatschappij (eerste en doorlopende kosten)", "Kosten Bemiddelaar of Verzekeringsadviseur (eerste kosten, doorlopende kosten)" en Beheerkosten, ten onrechte heeft ingehouden;

ad I en II kosten- oneerlijke bedingen (voorwaardelijk)

D. als zou worden aangenomen dat de standaard gehanteerde voorbeeldkapitalen/rendementen in de offertes contractuele grondslag voor inhouding van kosten zijn en dus als "bedingen" worden aangemerkt, te verklaren voor recht dat de bepalingen omtrent die voorbeeldkapitalen/rendementen dan moeten worden aangemerkt als, althans worden gelijk gesteld aan, bedingen die oneerlijk zijn en deze te vernietigen;

E. als zou worden aangenomen dat er een grondslag voor de inhouding van EK en/of KB is terug te vinden in de door het Verbond van Verzekeraars uitgegeven "Prospectus levensverzekeringen in beleggingseenheden" of andere, voorafgaand aan het sluiten van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomst naast offerte, polis en algemene voorwaarden aan aspirant-polishouders te verstrekken, stukken de betreffende bepaling(en) aan te merken als oneerlijk(e) beding(en) en deze te vernietigen;

III kosten- leemte/maximering (subsidiair)

als de vorderingen onder B, althans C2, (ten onrechte inhouden kosten) niet (geheel) worden toegewezen;

F. te verklaren voor recht dat NN, in het kader van het aangaan van NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten, heeft nagelaten om aspirant-polishouders passend te informeren over de ( hoogte van de) kosten die door NN en door de beleggingsfondsen worden ingehouden en aldus jegens hen ter zake in verzuim is althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld;

G. te verklaren voor recht dat NN ten aanzien van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten niet met de betreffende polishouders is overeengekomen hoe hoog de door de polishouder verschuldigde kosten zijn waardoor sprake is van een leemte in de overeenkomsten die nader dient te worden ingevuld;

H. te verklaren voor recht dat inhoud en strekking van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten met zich brengen dat de leemte zo moet worden ingevuld dat, voor wat betreft de kosten, naast de Fondsbeheerkosten (TER), alleen de blijkens de waarde-overzichten in rekening gebrachte Beheerkosten mogen worden ingehouden;

I. te verklaren voor recht dat een redelijke uitleg van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten met zich brengt dat polishouders erop mogen vertrouwen dat het totaal van de jaarlijks door NN en de beleggingsfondsen gezamenlijk in te houden kosten niet hoger is dan 1%, althans een door de rechtbank nader te bepalen redelijk percentage, van de bij aanvang van dat jaar in de polis opgebouwde waarde;

IV Overlijdensrisicopremie: primair; oneerlijk beding

J. Artikel 3D lid 1 van de bij NN-beleggingsverzekering(sovereenkomst, opm rb) behorende algemene voorwaarden (VvV), voor zover het de overlijdensrisicopremie betreft, als oneerlijk aan te merken en deze te vernietigen;

K. als zou worden aangenomen dat de standaard gehanteerde voorbeeldkapitalen/rendementen in de offertes de contractuele grondslag voor inhouding van de overlijdensrisicopremie zijn en dus als "bedingen" worden aangemerkt, te verklaren voor recht dat de bepalingen omtrent die voorbeeldkapitalen/rendementen dan moeten worden aangemerkt als, althans worden gelijk gesteld aan, bedingen die oneerlijk zijn en deze te vernietigen;

L. te verklaren voor recht dat de overlijdensrisicopremie, als bedoeld in artikel 3 D lid 1 VvV, respectievelijk de, in de door NN verstrekte waarde-overzichten opgenomen, overlijdensrisicopremie, ten onrechte door NN wordt ingehouden;

V Overlijdensrisicopremie: subsidiair: leemte

als de vordering onder L (ten onrechte inhouden overlijdensrisicopremie) niet (geheel) wordt toegewezen:

M. te verklaren voor recht dat NN ten aanzien van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten niet met de betreffende polishouders is overeengekomen hoe hoog de door de polishouder verschuldigde, leeftijdsafhankelijke, overlijdensrisicopremie per ƒ 1.000 of € 1.000 verzekerd kapitaal is;

N. te verklaren voor recht dat deze leemte in de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten wordt ingevuld door, in het kader van de uitvoering van die beleggingsverzekeringsovereenkomsten, telkens de door de polishouder verschuldigde redelijke overlijdensrisicopremie per ƒ 1.000 of € 1.000 verzekerd kapitaal te bepalen;

O. te verklaren voor recht dat die redelijke overlijdensrisicopremie per ƒ 1.000 of € 1.000 verzekerd kapitaal telkens niet hoger zal zijn dan:

primair: het percentage dat op het moment van de betreffende inhouding voor de betreffende leeftijd en het betreffende geslacht is opgenomen in de op het moment van de inhouding meest recente sterftetabel (die als bijlagen bij het als productie 18 bij akte overgelegde rapport van actuaris Van Os zijn gevoegd);

subsidiair: het percentage dat op het moment van de betreffende inhouding voor de betreffende leeftijd en het betreffende geslacht is opgenomen in de op het moment van het sluiten van de betreffende NN-beleggingsverzekeringsovereenkomst meest recente sterftetabel;

meer subsidiair: door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentages;

VI Overlijdensrisicopremie: subsidiair: hefboom/inteereffect

als de vordering onder L (ten onrechte inhouden overlijdensrisicopremie) niet (geheel) wordt toegewezen:

P. te verklaren voor recht dat NN gehouden was om de aspirant-polishouders, voorafgaand aan het sluiten van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten, te waarschuwen voor het zogenaamde hefboom/inteereffect en dat NN die waarschuwingsplicht stelselmatig niet is nagekomen;

Q. te verklaren voor recht dat, als niet voor dit hefboom-/inteereffect is gewaarschuwd, bij NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten met een overlijdensrisicodekking waarvan de hoogte van de uitkering bij overlijden bij het sluiten van de overeenkomst vast staat, NN gehouden is het hefboom/inteereffect te ecarteren, waarbij tenminste dient te gelden dat de maandelijks verschuldigde overlijdensrisicopremie niet hoger mag zijn dan de premie die zou worden berekend uitgaande van belegging in fondsen met een vast rendement waarbij de in de polis opgebouwde waarde aan het einde van de looptijd van de overeenkomst gelijk is aan het bedrag van de overlijdensrisicodekking;

VII Overlijdensrisicopremie: subsidiair: maximering

als de vordering onder L (ten onrechte inhouden overlijdensrisicopremie) niet (geheel) wordt toegewezen:

R. met inachtneming van hetgeen hiervoor onder V en VI uiteen is gezet, te verklaren voor recht dat de in te houden overlijdensrisicopremie steeds in evenwicht dient te zijn met de maandelijks te betalen premie en dat een redelijke uitleg van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten met zich brengt dat het deel van de periodiek verschuldigde premie of koopsom dat ziet op de overlijdensrisicopremie, niet meer mag bedragen dan 20% van de verschuldigde premie respectievelijk koopsom (althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen percentage);

VIII Herberekening opgebouwde waarde

S. te verklaren voor recht dat de, in het kader van elk van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten opgebouwde, waarde door NN moet worden herberekend met dien verstande dat:

a. voor wat betreft de door NN ingehouden/in te houden kosten;

- primair:

- de EK/KB en, bij toewijzing van C 2, ook de Doorlopende Kosten Verzekeringsmaatschappij en Beheerkosten, geheel buiten beschouwing worden gelaten;

- subsidiair:

- bij toewijzing van H: naast de Fondsbeheerkosten alleen beheerkosten in

rekening mogen worden gebracht;

- bij toewijzing van I: de door NN en de fondsen gezamenlijk in totaal in rekening gebrachte/te brengen kosten jaarlijks worden gemaximeerd tot 1%, althans een door de rechtbank nader te bepalen percentage, van de bij aanvang van dat jaar in de polis opgebouwde waarde;

b. voor wat betreft de door NN ingehouden/in te houden OVR- premie:

- primair:

de overlijdensrisicopremie geheel buiten beschouwing wordt gelaten;

- subsidiair:

de hoogte van de overlijdensrisicopremie telkens nader wordt ingevuld als omschreven onder O en wordt gemaximeerd als omschreven onder Q en R;

T. te bepalen dat de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten moeten worden nagekomen in overeenstemming met de gevraagde verklaring voor recht als omschreven onder S en dat al hetgeen meer door NN is ingehouden door de betreffende polishouder onverschuldigd is

voldaan;

U. te bepalen dat, bij de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten die reeds beëindigd zijn, NN gehouden is het verschil tussen het aldus berekende bedrag en het reeds aan de polishouder uitgekeerde bedrag aan de polishouder uit te keren, verhoogd met wettelijke rente vanaf de dag van de beëindiging van de betreffende overeenkomst tot de dag der algehele voldoening;

IX Schending zorgplichten, onrechtmatig handelen

V. te verklaren voor recht dat NN, in het kader van het aangaan van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten, jegens de polishouders haar zorgplichten heeft geschonden en aldus is tekort geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen, althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door:

- de EK/KB niet te melden maar deze vervolgens wel in te inhouden;

- geen informatie over de hoogte van de diverse door NN en de fondsen in te houden kosten te verstrekken waardoor de polishouder geen inzicht kreeg in deze kosten en de totaal ingehouden kosten met als gevolg dat veel meer kosten werden ingehouden en veel minder waarde werd/wordt opgebouwd dan die polishouders mochten verwachten;

W. te verklaren voor recht dat NN, in het kader van de NN-beleggingsverzekeringsovereenkomsten, jegens die polishouders haar zorgplicht heeft geschonden en aldus is tekort geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen, althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door geen informatie over de hoogte van de overlijdensrisicopremie te verschaffen en niet te waarschuwen voor (mogelijke) sterke stijging van die overlijdensrisicopremie in latere jaren;

onder meer door:

a. het hanteren van tabellen waarin de premie per ƒ 1.000/€ 1.000 verzekerd kapitaal stijgt met de leeftijd;

b. tegenvallende waarde-opbouw waardoor hefboom- en inteereffecten optreden met als gevolg dat veel minder waarde wordt opgebouwd dan die polishouders mochten verwachten;

X. te verklaren voor recht dat NN, in het kader van de NN-beleggingsverzekeringsovereen-

komsten, jegens die polishouders haar zorgplicht heeft geschonden en aldus is tekortgeschoten in de nakoming van haar (pre-)contractuele verplichtingen, althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, door in offertes voorbeeldkapitalen/rendementen te doen opnemen die de polishouders misleiden omdat de voor gegeven voorbeeldkapitalen te behalen rendementen in werkelijkheid veel hoger zijn dan voorgespiegeld, hetgeen onder meer wordt veroorzaakt:

a. doordat NN (in ieder geval tot 2000) niet in offertes vermeldde dat werd gerekend met netto rendementen, na aftrek van hetgeen op fondsniveau wordt ingehouden;

b. doordat NN niet duidelijk maakte dat werd gerekend met vaste gemiddelde rendementen terwijl er in werkelijkheid, bij wisselende rendementen, met hetzelfde gemiddelde rendement veel minder waarde wordt opgebouwd;

c. door hefboom- en inteereffecten (in verband met tegenvallende waarde-opbouw) met als

gevolg dat veel minder waarde wordt opgebouwd dan werd voorgespiegeld;

d. door onjuiste berekeningen veroorzaakt door "softwarefouten";

X Aansprakelijkheid voor schade

Y. te verklaren voor recht dat NN jegens die polishouders aansprakelijk is voor de, door elk van die polishouders, in verband met de hiervoor onder V, W en X omschreven zorgplichtschendingen en onrechtmatig handelen geleden en nog te lijden schade;

XI kosten bijstand deskundigen

Z. NN te veroordelen om aan de Consumentenbond te voldoen een vergoeding voor de kosten van de vaststelling van de schade en aansprakelijkheid (de kosten van de advisering door actuaris Van Os voorafgaand en gedurende deze procedure en de kosten van de door Prof. Cherednychenko en mr. Wallinga afgegeven opinie) ter hoogte van in totaal € 20.584,95 verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis tot aan die van de algehele voldoening;

met veroordeling van NN in de kosten van het geding.

3.2.

NN voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van de Consumentenbond in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing