Home

Rechtbank Rotterdam, 26-04-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:3599, 19-272 ea

Rechtbank Rotterdam, 26-04-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:3599, 19-272 ea

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26 april 2019
Datum publicatie
6 mei 2019
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2019:3599
Zaaknummer
19-272 ea
Relevante informatie
Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 284

Inhoudsindicatie

Verzoek schuldsaneringsregeling afgewezen.

Verzoeker was niet te goeder trouw in het laten ontstaan en/of onbetaald laten van de (zakelijke) schulden op de schuldenlijst die in 2014 t/m 2016 zijn ontstaan.

Tevens is verzoeker bestuurder van een onderneming. Het zijn van bestuurder van een onderneming strookt niet met de beginselen van de schuldsaneringsregeling, vanwege de (financiële) risico’s die daaraan kunnen kleven en de beperkte controlemogelijkheden voor de in de schuldsaneringsregeling aan te stellen bewindvoerder.

Uitspraak

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 26 april 2019

[naam]

[adres]

[woonplaats]

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 18 februari 2019 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van

16 april 2019.

2 De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit een AOW-uitkering en aanvullend pensioen. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet

€ 108.453,18.

3 De beoordeling

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

Verzoeker heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van 2000 tot 2012 werkzaam is geweest voor verschillende ondernemingen die werden gedreven door de aandeelhouders van Rubalas Holding B.V. Als een onderneming failliet ging of werd beëindigd dan begonnen de aandeelhouders een nieuwe onderneming, waarbij verzoeker weer in dienst kwam. Verzoeker heeft verklaard dat hij in de laatste jaren van zijn dienstbetrekking met zijn werkgever afspraken had gemaakt om (een gedeelte van) de loonbetalingen uit te stellen. Volgens verzoeker had hij aan het einde van de dienstbetrekking nog recht op een bedrag aan achterstallig loon van circa € 52.000,00, wat verzoeker als pensioen wilde gebruiken. Binnen de onderneming van de werkgever bleek echter geen geld meer aanwezig om verzoeker te betalen. Om toch in zijn pensioen te kunnen voorzien, heeft verzoeker vervolgens, in samenwerking met een investeerder, in 2013 de eenmanszaak Quake Pub overgenomen. De exploitatie was vanaf het begin niet winstgevend en er ontstonden diverse schulden. Verzoeker heeft voorts verklaard dat hij in 2016 met de investeerder van Quake Pub de afspraak heeft gemaakt dat de onderneming door een ander geëxploiteerd zou gaan worden, waarbij de bedrijfsruimte onderverhuurd zou worden. Verzoeker zou daarbij een commissie van € 750,00 per maand ontvangen onder de voorwaarde dat de huur en andere vaste lasten voldaan zouden worden door de onderhuurder. De onderhuurder heeft echter nooit betaald, waardoor onder andere een huurvordering van bijna € 50.000,00 is ontstaan. Verzoeker is in 2017 gestopt met Quake Pub.

Verzoeker heeft na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd de exploitatie van Quake Pub overgenomen, waarbij de inkomsten als aanvulling op zijn pensioen dienden. Verzoeker had nauwelijks schulden voorafgaand aan het overnemen van deze onderneming. Volgens de schuldenlijst heeft verzoeker in 2014 voor circa € 41.000,00, in 2015 voor € 7.000,00 en in 2016 voor € 57.000,00 aan (zakelijke) schulden laten ontstaan.

De rechtbank is van oordeel dat verzoeker te lang is doorgegaan met de onderneming terwijl deze vanaf het begin in 2013 al noodlijdend was. In plaats van de onderneming te beëindigen, is verzoeker bovendien in 2016 extra risico’s aangegaan in de vorm van een onderhuurconstructie. Gebleken is dat de huur door de onderhuurder nimmer is voldaan, waardoor een huurvordering is ontstaan van circa € 50.000,- (Berkhout De Lange Advocaten), die op verzoeker wordt verhaald.

Gelet op deze gang van zaken was verzoeker niet te goeder trouw in het laten ontstaan en/of onbetaald laten van de (zakelijke) schulden op de schuldenlijst die in 2014 tot en met 2016 zijn ontstaan. De rechtbank betrekt in dit oordeel ook de omstandigheid dat verzoeker de onderneming is gestart en de extra ondernemersrisico’s is aangegaan terwijl voor hem geen noodzaak bestond om inkomsten te verkrijgen. Verzoeker had immers in 2013 nauwelijks schulden en ontving een gegarandeerd inkomen uit zijn AOW-uitkering en (beperkte) pensioenvoorziening.

Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.

Daarnaast is gebleken dat verzoeker in 2017 bestuurder is geworden van een andere onderneming. Verzoeker heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bestuurder van deze onderneming zal blijven zodat hij (indien nodig) de boekhouding kan overleggen aan de FIOD. Het zijn van bestuurder van een onderneming strookt niet met de beginselen van de schuldsaneringsregeling, vanwege de (financiële) risico’s die daaraan kunnen kleven en de beperkte controlemogelijkheden voor de in de schuldsaneringsregeling aan te stellen bewindvoerder. Dat geldt in het geval van verzoeker te meer nu hij een onderzoek van de FIOD naar de activiteiten van de onderneming verwacht.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4 De beslissing