Rechtbank Rotterdam, 29-05-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5213, C/10/502685 / HA ZA 16-535
Rechtbank Rotterdam, 29-05-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5213, C/10/502685 / HA ZA 16-535
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 29 mei 2019
- Datum publicatie
- 2 juli 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2019:5213
- Zaaknummer
- C/10/502685 / HA ZA 16-535
Inhoudsindicatie
Peeters/Gatzen-vordering. Vordering curator en schuldeiser tegen bestuurders van failliete BV wegens benadeling van schuldeisers. Ontvankelijkheid. Verjaring. Rol van door Commercial Court van UK en door Nederlandse rechtbank gewezen vonnis voor deze procedure.
Uitspraak
vonnis
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/502685 / HA ZA 16-535
Vonnis van 29 mei 2019
in de zaak van
1 [naam curator]
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Constructiewerken N.O.B. B.V.,
kantoorhoudende te Dordrecht,
advocaat mr. D.H.P.M. Müskens te Dordrecht,
2. de vennootschap naar het recht van Denemarken
NATIONAL OILWELL VARCO NORWAY AS,
gevestigd te Kristiansand (Noorwegen)
advocaat mr. R.M. Hermans te Amsterdam,
eisers
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HOLLANDIA B.V.,
gevestigd te Krimpen aan den IJssel,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HOLLANDIA HOLDING B.V.,
gevestigd te Krimpen aan den IJssel,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HOLLANDIA VASTGOED B.V.,
gevestigd te Krimpen aan den IJssel,
4. [gedaagde 1],
wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,
5. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,
6. [gedaagde 3],
wonende te [woonplaats gedaagde 3] ,
gedaagden,
advocaat mr. S.A.H.J. Warringa te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de Curator en NOV enerzijds en Hollandia, Hollandia Holding, Hollandia Vastgoed, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] anderzijds genoemd worden. Wanneer alle gedaagden bedoeld zijn worden zij “gedaagden” genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 3 mei 2016;
- -
-
de akte houdende rectificatie tevens overlegging productie 1 tot en met 62 van de zijde van eisers;
- -
-
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van de zijde van gedaagden;
- -
-
de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident van de zijde van de Curator en NOV;
- -
-
het vonnis in het incident van 16 november 2016;
- -
-
de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 20 van gedaagden;
- -
-
de conclusie van repliek met producties 63 tot en met 108 van de Curator en NOV;
- -
-
de conclusie van dupliek met producties 21 tot en met 83 van gedaagden;
- -
-
het tussenvonnis van 14 september 2017 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
- -
-
het proces-verbaal van de op 13 februari 2018 gehouden comparitie van partijen;
- -
-
de akte voorafgaand aan pleidooi, houdende producties 109 tot en met 120 en houdende wijziging van eis van de zijde van de Curator en NOV;
- -
-
de akte reactie producties van gedaagden;
- -
-
het op 23 mei 2018 gehouden pleidooi en de daarbij door partijen overgelegde pleitaantekeningen.
Nadat partijen, na aanhouding voor overleg, de rechtbank hebben laten weten dat dat overleg niet tot een schikking had geleid, heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zou worden gewezen.Van de zijde van de Curator en NOV is nog een verzoek ontvangen voor een nader pleidooi over een ander, eerder nog niet besproken deelonderwerp. Dat verzoek is afgewezen.Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
In dit geding wordt van de navolgende vaststaande feiten uitgegaan.
Tussen PPL Shipyard en Santa Fe International Corporation (thans onderdeel van Transocean Ltd, hierna: GSF) is de bouw c.a. van een Friede & Goldman Millennium ExD Semi-Submersible boorinstallatie overeengekomen.
In juli 2001 heeft GSF aan Hydralift ASA de opdracht verstrekt tot het ontwerp, de bouw en de constructie van twee derricks (hierna: boortorens) met bijbehorende apparatuur in de haven van Singapore. Deze constructies waren onderdeel van de onder 2.1 bedoelde boorinstallatie.
NOV is de rechtsopvolger onder algemene titel van Hydralift ASA. NOV is gespecialiseerd in de levering van boorplatforms en boorapparatuur.
NOV heeft een gedeelte van het onder 2.2 bedoelde, aan haar opgedragen werk in onderaanneming opgedragen aan Bailey.
Bailey B.V. (thans Constructiewerken N.O.B. B.V, beide vennootschappen hierna aan te duiden als: Bailey) hield zich bezig met staalbouw.
De onderaannemingsovereenkomst van 29 oktober 2001 (hierna: de onderaannemingsovereenkomst) tussen NOB en Bailey luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“(...) WHEREAS:
A) Santa Fe International Corporation (hereinafter called the "Client"), has awarded a contract dated 19th of July 2001 (hereinafter called the "Main Contract") to Hydralift for the performance of project management, engineering and equipment provision services for a Well Activity CenterTM (Second WAC) regarding a Friede & Goldman Millennium ExD Semi-submersible drilling unit bearing Hull No. P.2004 (hereinafter called the "Vessel") at PPL Shipyard Pte. Ltd., Singapore, (hereinafter called "PPL"), with PPL for the construction and sale of .
B) Hydralift now wishes to utilise the services of Bailey to perform the Services referred to in Article 3 herein, as more particularly specified in Exhibit I hereto, all of which Services comprise a portion of the Work to be performed by Hydralift under the Main Contract.
(...)
ARTICLE 3 - THE SERVICES
The Services to be performed by Bailey under this Agreement consist of the supply of the "Derrick" for Friede & Goldman Millennium ExD Semi-submersible drilling unit bearing Hull no. P.2004 at PPL, all as more particularly specified in Exhibit I hereto, all of which Services comprise a portion of the Work, and the Subcontractor shall execute, complete, perform and maintain the Services in accordance with this Agreement and the Exhibits hereto and to the satisfaction of Hydralift and the Client and the Subcontractor shall further ensure that the portion of the Work subcontracted to it meets the requirements of the Main Contract both in the manner of performance,
schedule and in the completed results, this all within the design responsibility for the Work, including the Services, of Hydralift.
Bailey shall provide all labour, materials, plant and equipment required for the execution and completion of the Services.
(...)
ARTICLE 4 - OBLIGATIONS OF THE SUBCONTRACTOR (...)
In no event, including but not limited to those mentioned in Articles 4.5, 4.6, 7.2, 7.3, 8.4, 9.1, 9.2 and 10.2 of this Agreement, shall Bailey's total cumulated liability towards Hydralift under this Agreement, including but not limited to direct damages, repair/replacement costs, penalties, losses and expenses, exceed 20% of the Price, except if the liability has resulted from gross negligence or wilful misconduct by Bailey. As a consequence thereof, Hydralift is not entitled to any right which exceed[s] the cumulated amount for which Bailey at that moment is liable - maximum 20% of the Price -, except if resulting from gross negligence or wilful misconduct by Bailey, and/or to withhold, deduct, compensate and/or seize more than the cumulated amount for which Baileyc at that moment is liable - maximum 20% of the Price -, except if
resulting from gross negligence or wilful misconduct by Bailey.”
Op 24 mei 2004 heeft zich een ernstig ongeval voorgedaan met de onder 2.2 bedoelde boortorens (hierna: het ongeval). Bij (de voorbereiding van) een test zijn balken van de watertafel van één van de boortorens losgekomen en is het crown block en de crown block stool van de boortoren naar beneden gevallen.
Bij het ongeval heeft een toenmalige medewerker van GSF, [naam 1] (hierna: [naam 1] ), letsel opgelopen; voor de daaruit voortvloeiende schade is NOV aansprakelijk is gesteld. NOV heeft eind 2012 onder betwisting van aansprakelijkheid met [naam 1] een schikking getroffen op basis waarvan NOV aan [naam 1] een bedrag van USD 142.500 heeft betaald.
Onder meer Det Norske Veritas (hierna: DNV) heeft onderzoek gedaan naar het ongeval. DNV heeft over de uitkomsten van haar onderzoek gerapporteerd op 28 juni 2004, en heeft op 13 augustus 2004 een (nader) rapport uitgebracht.
Ook Dekra en de TU Delft hebben onderzoek gedaan naar het ongeval en daarover gerapporteerd.
In 2004 heeft de Bailey-groep haar structuur gewijzigd. Op 31 december 2004 heeft Bailey Holding B.V. de aandelen die zij in Bailey hield verkocht aan HBK Holding B.V. De activa van diverse vennootschappen, waaronder Bailey, zijn toen gekocht door Hollandia B.V. (hierna: Hollandia oud), een andere vennootschap dan het in deze procedure betrokken Hollandia B.V. Doel daarvan was om tot een samenvoeging van diverse aan elkaar gelieerde vennootschappen te komen die zou opereren onder één naam (Hollandia). In 2005 hebben de bedoelde activatransacties plaatsgevonden.
Op 8 december 2005 heeft NOV aan Hollandia oud een factuur doen toekomen voor een bedrag van ruim 2,8 miljoen USD inzake “replacement of damaged equipment” en ruim 4,5 miljoen USD inzake “service and repair work”. Deze factuur heeft betrekking op schade ten gevolge van het ongeval.
Bij brief van 23 december 2005 heeft Hollandia oud in reactie op voormelde factuur aan NOV bericht:
“(...) We are convinced, that there is no legal liability for and on our behalf. Never you have put forward to us the legal grounds for your alleged claim. (...)”
Bij brief van 10 mei 2006 heeft J.D. Page, de Amerikaanse advocaat van NOV, het volgende aan Bailey meegedeeld:
“Dear Bailey Technogroup:
I am writing on behalf of my client Hydralift ASA, now operating as Hydralift AS, to request and demand indemnity and insurance pursuant to your October 29,2001 Contract for Supply and Other Services of a “Derrick” for a Friede & Goldman Millenium ExD Semi-Submersible Drilling Unit (...). Hydralift has been sued in the case referenced above, Cause No. 2005-34664, styled [naam 1] v. GlobalSantaFe Corporation et al., pending in the 152nd Judicial District Court of Harris County, Texas. Pursuant to the October 29, 2001, Contract, including without limitation paragraph 4.5, Hydralift and its related entities National Oilwell, L.P.; National Oilwell, Inc. and National Oilwell Varco, Inc. request and, to the extent that the same is necessary, demand indemnity from Bailey. Further, Hydralift, National Oilwell, L.P.; National Oilwell, Inc. and National Oilwell Varco, Inc. request and, to the same the extent is necessary, demand that you notify all of your insurers of the claims made by Mr. [naam 1] , and that you and your insurers defend and cover all possible losses of Hydralift and National Oilwell, L.P.; National Oilwell, Inc. and National Oilwell Varco, Inc.
(...)”
Op 23 april 2007 heeft de heer [naam 2] namens Bailey per faxbericht, voor zover hier van belang, het volgende aan NOV meegedeeld:“We take advantage of this opportunity to inform you, that our client (Bailey; opmerking rechtbank) has a negative equity.”
GSF heeft NOV aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van het ongeval had geleden. In 2007 heeft NOV in verband met de aansprakelijkstelling en schade van GSF een schikking getroffen met GSF voor een bedrag van USD 10 miljoen. In het kader van deze schikking zijn alle vorderingen van GSF op Bailey overgedragen aan NOV.
In 2008 is het Hollandia-concern gereorganiseerd. Hollandia oud is in dat kader op 29 maart 2008 gefuseerd met HBK Holding B.V., onder gelijktijdige fusie van HBK Holding B.V. met S3C Holding B.V., waarna S3C Holding B.V. is opgegaan in Hollandia Vastgoed B.V.
Op 30 maart 2008 heeft Hollandia Vastgoed B.V. twee nieuwe vennootschappen afgesplitst: Hollandia Holding B.V. en Hollandia Werkmaatschappij B.V. Ook Hollandia Vastgoed B.V. bleef bestaan. Op 30 maart 2008 zijn voorts de aandelen in het kapitaal van Hollandia Werkmaatschappij B.V. door Hollandia Vastgoed B.V. overgedragen aan Hollandia Holding B.V., waardoor Hollandia Werkmaatschappij een dochteronderneming van Hollandia Holding B.V. werd. Op 1 april 2008 is de naam van Hollandia Werkmaatschappij B.V. gewijzigd in Hollandia B.V. (gedaagde sub 1 in deze procedure).
Als gevolg van de onder 2.17 bedoelde herstructurering zijn de aandelen in het kapitaal van Bailey overgegaan naar Hollandia Holding B.V., zodat Bailey sinds 30 maart 2008 een dochtermaatschappij is van Hollandia Holding B.V.
NOV is op 3 juni 2009 een procedure gestart tegen Bailey waarbij zij vergoeding heeft gevorderd van de volgens haar door het ongeval door haar geleden schade. Omdat tussen NOV en Bailey een forumkeuze voor de Commercial Court, Queen’s Bench Division of the High Court of England and Wales te Londen (hierna: de Commercial Court) was overeengekomen, heeft NOV de procedure tegen Bailey aldaar aanhangig gemaakt.
De vordering van NOV in deze procedure omvatte (1) schade aan zaken van NOV ad USD 2.810.110,-, (2) kosten voor het herontwerpen en herbouwen van de boortorens, (3) schade verband houdend met vertraging in de oplevering van de boortorens en (4) schade verband houdend met de met GSF getroffen schikking voor een bedrag van USD 10 miljoen.
Op 3 juni 2011 heeft de advocaat van NOV een brief met de volgende inhoud gestuurd aan [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en Hollandia Vastgoed B.V., Hollandia B,V. en Hollandia Holding:
“NOV holds the addressees of this letter all liable for its damage next to Bailey B.V. on
the following grounds.