Home

Rechtbank Rotterdam, 04-12-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:9621, C/10/561408 / HA ZA 18-1024

Rechtbank Rotterdam, 04-12-2019, ECLI:NL:RBROT:2019:9621, C/10/561408 / HA ZA 18-1024

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
4 december 2019
Datum publicatie
10 december 2019
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2019:9621
Formele relaties
Zaaknummer
C/10/561408 / HA ZA 18-1024

Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid (feitelijk) bestuurder op grond van artikel 23 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf). Geen rechtsgeldige melding betalingsonmacht. Beroep op verjaring, rechtsverwerking, overmacht en matiging slaagt niet.

Uitspraak

vonnis

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/561408 / HA ZA 18-1024

Vonnis van 4 december 2019

in de zaak van

de stichting

STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET SCHOONMAAK- EN GLAZENWASSERSBEDRIJF,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. E. Bakhuis te Amsterdam,

tegen

1 [naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.F. Bienfait te Capelle aan den IJssel,

2. [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.A. Visser te Hendrik-Ido-Ambacht.

Partijen zullen hierna het Pensioenfonds en [naam gedaagden] genoemd worden. [naam gedaagden] zullen afzonderlijk worden aangeduid als [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 19 oktober 2018, met producties;

-

de akte overlegging productie 6 van het Pensioenfonds;

-

de conclusie van antwoord van [naam gedaagde 1] , met producties;

-

de conclusie van antwoord van [naam gedaagde 2] , met producties;

-

het tussenvonnis (de oproepingsbrief) van de rechtbank van 10 april 2019, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

-

het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 18 juni 2019;

-

de ter zitting door mr. Bakhuis overgelegde aantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.

2.1.

Op 15 januari 2016 is [naam bedrijf] (verder: [naam bedrijf] ) in staat van faillissement verklaard.

2.2.

Vanaf de datum van oprichting (22 januari 1997) was [naam gedaagde 1] enig zelfstandig bevoegd bestuurder van [naam bedrijf] .

2.3.

[naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] zijn broers.

2.4.

[naam bedrijf] is (verplicht) deelnemer in het Pensioenfonds en uit dien hoofde bijdragen verschuldigd aan het Pensioenfonds.

2.5.

Bij brieven van 2 oktober 2018 heeft het Pensioenfonds (in de brieven aangeduid als de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg) [naam gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de achterstallige betaling van pensioenpremies door [naam bedrijf] .

2.6.

Na daartoe verkregen toestemming van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het Pensioenfonds op 10 oktober 2018 conservatoir beslag doen leggen op de onverdeelde helft van de aan [naam gedaagde 1] toebehorende onroerende zaak aan de [adres] .

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing