Home

Rechtbank Rotterdam, 16-07-2020, ECLI:NL:RBROT:2020:13312, C/10/589268 / KG ZA 20-12

Rechtbank Rotterdam, 16-07-2020, ECLI:NL:RBROT:2020:13312, C/10/589268 / KG ZA 20-12

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16 juli 2020
Datum publicatie
2 september 2021
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2020:13312
Zaaknummer
C/10/589268 / KG ZA 20-12

Inhoudsindicatie

Kort geding, vordering tot verdeling en meewerken verkoop voormalige echtelijke woning in conventie, vordering tot bijdrage kosten verzorging en opvoeding kinderen en levensonderhoud in reconventie.

Uitspraak

vonnis

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/589268 / KG ZA 20-12

Vonnis in kort geding van 16 juli 2020

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.M. Wigman te Den Haag,

tegen

[persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J. Nieuwstraten te Rotterdam.

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 17 januari 2020, met producties 1 tot en met 10;

-

de brief van mr. Wigman van 10 februari 2020, met aanvullende producties 11 tot en met 20;

-

de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 21;

-

de aanvulling op de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 10 februari 2020;

-

de pleitaantekeningen van mr. Wigman;

-

de mondelinge behandeling gehouden op 12 februari 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling is op 12 februari 2020 aangehouden in afwachting van mediation. Bij faxbericht van 20 mei 2020 heeft mr. Wigman bericht dat de mediation is beëindigd zonder dat dit tot een oplossing heeft geleid. Mr. Wigman heeft verzocht de kortgedingprocedure te hervatten.

1.3.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-

de brief van mr. Wigman van 17 juni 2020 tevens inhoudende wijziging van eis, met producties 21 tot en met 27;

-

de tweede aanvulling op de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie van 16 juni 2020, met producties 22 tot en met 27;

-

het faxbericht van mr. Wigman van 24 juni 2020, met aanvullende producties;

-

de zittingsaantekeningen van mr. Nieuwstraten;

-

de voortgezette mondelinge behandeling gehouden op 25 juni 2020.

1.4.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 12 februari 2018 van de Rechtbank Oost-Brabant is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

2.2.

Uit het huwelijk van partijen zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren.

2.3.

Partijen hebben op 18 januari 2018 een ouderschapsplan en op 22 januari 2018 een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) opgesteld. Beide zijn opgenomen in en gehecht aan de echtscheidingsbeschikking van 12 februari 2018. De echtscheiding is op 20 februari 2018 ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers van de burgerlijke stand.

2.4.

Tot de ontbonden huwelijkse gemeenschap van partijen behoort onder meer de echtelijke woning gelegen aan de [adres] te [postcode] Rotterdam (hierna: de woning).

2.5.

In het convenant is voor zover van belang het volgende opgenomen:

“(...)

A1. Partneralimentatie

(...)

Partijen hebben thans beiden onvoldoende draagkracht om een onderhoudsbijdrage te voldoen ten behoeve van de andere partij. Voor zover er op latere termijn wel draagkracht zal bestaan, laten partijen de mogelijkheid open om alsnog een bijdrage vast te stellen.

(...)

K3. Kinderalimentatie

De man zal maandelijks aan de vrouw € 212,27 bij vooruitbetaling voldoen als bijlage in de kosten van verzorging en opvoeding van iedere minderjarige (totaal dus € 424,53). Het bedrag zal voor het eerst voldaan dienen te worden per datum van de echtscheidingsbeschikking. Verder zal het bedrag jaarlijks per 1 januari worden verhoogd met de wettelijke indexering.

De vrouw is bevoegd de kinderbijslag te innen en ten goede van de minderjarigen te besteden. Zij is gehouden de minderjarigen voldoende te verzekeren tegen ziektekosten en wettelijke aansprakelijkheid.

(...)

V3. Echtelijke koopwoning

Tot de huwelijkse gemeenschap van partijen behoort de echtelijke woning gelegen aan de [adres] te [postcode] Rotterdam, kadastraal bekend gemeente IJsselmonde, sectie [sectie] , nummer [nummer] (WOZ € 263.000,-).

Op de echtelijke woning rust(en) de volgende hypothecaire geldlening(en):

Argenta Spaarbank Leningnummer: [leningnummer]

Partijen hebben een (of meerdere) Spaar-/Effecten-/Levensverzekering(en):

Argenta Spaarverzekering Polisnummer: [polisnummer]

De man neemt de woning over:

De woning wordt toegescheiden aan de man, evenals het houderschap en de waarde van de voor de woning afgesloten hypothecaire geldlening(en), spaarpolissen, levensverzekeringen en effectenpolissen. Op de man rust de verplichting de hypothecaire geldlening(en) te voldoen als zijn eigen schuld met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, uiterlijk binnen 8 weken na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. De toescheiding van de echtelijke woning en de hypothecaire geldlening(en), spaarpolissen, levensverzekeringen en effectenpolissen, vindt plaatst onder de opschortende voorwaarde dat de hypotheeknemer (de financierende partij, zoals de bank) de vrouw ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid betreffende voornoemde hypothecaire geldlening(en). De man zal hieraan zijn volledige medewerking verlenen. De vrouw machtigt hierbij de man onherroepelijk om op basis van deze scheiding en deling de onroerende zaak aan zich te leveren c.q. de wijzing tenaamstelling te doen uitvoeren. De kosten van het transport c.q. wijziging tenaamstelling van de echtelijke woning, alsook wijziging van de hypothecaire geldlening(en) of verkrijgen ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid zijn voor rekening van de man.

Waarde van de woning

Partijen hebben onderling afgesproken dat de ‘vrije verkoopwaarde’ van de woning is € 382.800,-. Onder ‘vrije verkoopwaarde’ wordt verstaan, de prijs, die bij onderhandse verkoop bij aanbieding vrij van huur en gebruik op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze, na de beste voorbereiding, door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed.

Waarde van de woning is als volgt berekend:

Vrije verkoopwaarde 382.800,-

Hypothecaire geldlening 316.000,- -/-

Afkoopwaarde Verzekering (d.d. 31/12/2017) 22.730,-

-------------+

Overwaarde woning 89.530,-

50% van de overwaarde € 44.765,-

Ter zake van overbedeling wordt verwezen naar V9.

Als de financiering niet slaagt:

Ingeval de financiering voor de overname van de hypothecaire geldlening(en) niet tijdig slaagt, dan zal de woning alsnog te koop worden gezet. De verkoopprijs zal vermeerderd met de waarde van de hypothecaire geldlening(en) verbonden levensverzekerings-/effecten-/spaarpolis(sen), onder aftrek van de verkoopkosten en onder aftrek van de hypothecaire geldlening(en), worden gedeeld bij helfte, ook ingeval het saldo negatief is. Indien een der partijen meer heeft ingelegd in waardeopbouw dan wel de aflossing van de echtelijke woning, dan zal diegene in dat geval een vordering op de ander hebben ter hoogte van de helft opbouw/aflossing.

Gebruik van de woning

Zolang partijen de gemeenschappelijke huishouding niet hebben verbroken, zullen partijen de woonlasten van de echtelijke woning delen op de wijze zoals zij dat voorheen deden. Dit houdt in dat de man alle woonlasten draagt.

Zodra de vrouw beschikt over alternatieve zelfstandige woonruimte maar uiterlijk op 1 augustus 2019, is zij verplicht de echtelijke woning te verlaten. Zodra de vrouw de woning heeft verlaten zal man het exclusieve gebruiksrecht van de woning krijgen en zal hij zelfstandig alle woonlasten dragen.

Indien geen der partijen in de echtelijke woning woont, dan zullen partijen alle lasten van de woning dragen bij helfte, totdat de woning zal zijn geleverd aan een derde-koper.

(...)

V8c. Geen waarde verdeling

Het houderschap (de tenaamstelling) en de waarde/het saldo/de schuld vanaf de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank, wordt als volgt verdeeld:

Schuld de heer [persoon A] € 7.200,- man

Interbank Doorlopend Krediet [contractnummer 1] man

DEFAM Doorlopend Krediet [contractnummer 2] man

Ter zake van overbedeling wordt verwezen naar V9.

V9. Partijen stellen vast dat de verrekening van waarde ten aanzien van de onderdelen V3 en V8c kan plaatsvinden met ‘gesloten beurs’, omdat het een gelijke waarde vertegenwoordigd.

(...)”

2.6.

De man is op 18 maart 2018 naar China vertrokken om daar te wonen en te werken. De vrouw is, conform de afspraak tussen partijen, na het vertrek van de man met de kinderen in de woning blijven wonen. De man is op 15 april 2019 naar Nederland teruggekeerd.

2.7.

De vrouw is bij dagvaarding van 9 oktober 2019 een kort gedingprocedure gestart bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin zij heeft gevorderd om de co-ouderschapsregeling zoals opgenomen in het convenant en het ouderschapsplan te schorsen totdat in een bodemprocedure is beslist over het verzoek tot wijziging en een (andere) regeling is vastgesteld die in het belang van de kinderen wordt geacht. In reconventie heeft de man onder meer gevorderd om te bepalen dat de echtelijke woning per direct en zo spoedig mogelijk dient te worden verkocht.

2.8.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2019. Bij beschikking van 24 oktober 2019 van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals opgenomen in het ouderschapsplan gewijzigd in die zin dat de man en de minderjarige kinderen van partijen voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar éénmaal per veertien dagen. De reconventionele vordering van de man is afgewezen omdat de voorzieningenrechter onvoldoende samenhang zag met de conventionele vorderingen van de vrouw. Daarnaast is hierover nog het volgende in het vonnis opgenomen:

“(...)

Afgezien daarvan is ter zitting ook gebleken dat de vrouw zeer recentelijk het plan heeft opgevat om de echtelijke woning over te nemen en dat zij deze mogelijkheid thans nog onderzoekt. Het is dan ook wenselijk dat deze ontwikkeling wordt afgewacht alvorens tot een bevel tot verkoop van de woning over te gaan. (...)”

2.9.

Op 18 maart 2020 hebben partijen overeenstemming bereikt over de verkopende makelaar, te weten Huysvisie Rotterdam.

2.10.

Bij e-mailbericht van 12 mei 2020 heeft de bank aan partijen bericht dat sprake is van een achterstand van 3 maanden op de maandelijkse hypotheekverplichting. Naar aanleiding van dit bericht heeft de man een bedrag van € 1.526,00 overgemaakt.

2.11.

De vrouw verblijft momenteel in de woning met de kinderen van partijen. De woning is nog niet verkocht en staat niet te koop.

2.12.

De comparitie van partijen in de bodemprocedure die door de man aanhangig is gemaakt staat gepland op 29 juli 2020. De vrouw heeft daarnaast een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv aangevraagd, met als doel een voorlopige verhoging kinderalimentatie en voorlopige bijdrage partneralimentatie. Dit verzoek zal eveneens op

29 juli 2020 worden behandeld.

3. Het geschil in conventie

3.1.

De man vordert – na wijziging van eis – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

  1. te bepalen dat de woning per direct zo spoedig mogelijk dient te worden verkocht, waarbij Huysvisie te Rotterdam de verkopende makelaar zal zijn in opdracht van beide partijen, en te bepalen dat deze makelaar al datgene kan en mag doen om het verkooptraject per direct in gang te zetten en in gang te houden, met bepaling dat de vrouw aan het voorafgaande haar onvoorwaardelijke medewerking dient te verlenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft;

  2. te bepalen dat beide partijen zich conformeren aan de adviezen van de verkopende makelaar, zoals de vraag- en laatprijs, met bepaling dat er geen herstel- en reparatiewerkzaamheden meer zullen plaatsvinden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft;

  3. te bepalen dat beide partijen per datum vonnis en zolang de echtelijke woning niet is verkocht, ieder 50% van de eigenaarslasten voldoen, met bepaling dat de gebruikerslasten volledig voor rekening van de vrouw komen en tijdig door haar dienen te worden voldaan;

  4. met bepaling dat de vrouw een bedrag van € 443,39 binnen één week na datum vonnis aan de man dient te voldoen in verband met door hem voorgeschoten kosten betreffende de SVHW en de WOZ-belasting;

  5. te bepalen dat de man recht heeft op een gebruikersvergoeding ter hoogte van € 298,00 per maand per 1 januari 2020, althans per datum die de rechtbank redelijk acht, zolang de echtelijke woning niet is verkocht en de vrouw de echtelijke woning bewoont;

  6. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

De man legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. De man is, vanwege de huwelijkse schuld bij Interbank, niet in staat om de woning over te nemen. De vrouw heeft aangegeven het aandeel van de man in de woning te willen overnemen maar heeft dit niet geconcretiseerd. Conform de tussen partijen in het convenant vastgelegde afspraken dient de woning daarom te worden verkocht. De vrouw is gehouden deze afspraken na te komen. De vrouw heeft daaraan echter geen medewerking verleend. De man wenst niet langer in onverdeeldheid te blijven en heeft daarom een spoedeisend belang bij het gevorderde. Daarnaast heeft hij inmiddels met zijn nieuwe partner een woning in Rotterdam gekocht, waardoor hij niet meer in staat is om nog langer bij te dragen in de woonlasten van de echtelijke woning. Ook om die reden moet de woning zo spoedig mogelijk worden verkocht. Totdat de woning is verkocht is het redelijk dat de vrouw wordt gehouden voor 50% bij te dragen in de eigenaarslasten van de woning. Nu de vrouw het volledig gebruiksgenot van de woning geniet dient zij ook een gebruiksvergoeding te voldoen die is vast te stellen op 4% van de overwaarde van de woning, zijnde een bedrag van € 298,00 per maand.

3.3.

De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van het gevorderde met compensatie van de proceskosten. De vrouw voert daartoe het volgende aan. Dat de man de woning niet kan overnemen is niet aannemelijk. De bank heeft hem voldoende draagkrachtig geacht voor de aan hem en zijn nieuwe partner verstrekte hypotheek van € 572.000,00 voor de nieuwe woning die gekocht is voor een koopsom van € 650.000,00. De man heeft niet met bewijsstukken aangetoond dat de financiering van de overname van de woning niet is geslaagd, waardoor aan de voorwaarde voor verkoop van de woning niet is voldaan. De man kan daarom geen nakoming van het convenant van de vrouw vorderen. Bovendien is het de vrouw tot op heden niet gelukt om voor haar en de kinderen van partijen een andere passende woonruimte te vinden. Een voorstel van de vrouw om de woning aan een derde te verkopen is door de man afgewezen. Met betrekking tot de woonlasten heeft de vrouw het volgende aangevoerd. Dat partijen ieder voor 50% draagplichtig zijn in de woonlasten kent geen grondslag. In het convenant is dit niet geregeld. Ten tijde van het huwelijk hebben partijen ervoor gekozen om de eigenaarslasten naar rato van het inkomen te verdelen. De inkomensverhoudingen komen thans neer op ongeveer 20/80. De vordering met betrekking tot de gebruiksvergoeding is declaratoir van aard en hoort daarmee thuis in de bodemprocedure. Dat de man een bodemprocedure niet kan afwachten is niet gebleken. Voor het geval toch wordt geoordeeld dat de woning moet worden verkocht vordert de vrouw primair dat de woning pas zal worden verkocht indien partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de overwaarde van de woning en de vrouw andere passende woonruimte heeft gevonden. Subsidiair vordert de vrouw dat haar een redelijke termijn wordt gegund om in de woning te blijven wonen teneinde andere passende woonruimte te kunnen vinden.

4. Het geschil in reconventie

5. De beoordeling in conventie

6. De beoordeling in reconventie

7. De beslissing