Rechtbank Rotterdam, 22-01-2020, ECLI:NL:RBROT:2020:605, C/10/578443 / HA ZA 19-669
Rechtbank Rotterdam, 22-01-2020, ECLI:NL:RBROT:2020:605, C/10/578443 / HA ZA 19-669
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 22 januari 2020
- Datum publicatie
- 28 januari 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2020:605
- Zaaknummer
- C/10/578443 / HA ZA 19-669
Inhoudsindicatie
Verjaring vorderingen door rechtspersoon op grond van onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en doeloverschreiding (artikel 2:7 Burgerlijk Wetboek) bij handelen door en wetenschap bij de enig en zelfstandig bevoegde bestuurder rechtspersoon.
Uitspraak
vonnis
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/578443 / HA ZA 19-669
Vonnis van 22 januari 2020
in de zaak van
de stichting
[naam eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,
eiseres,
advocaat mr. Th.P. ten Brink te Rotterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST,
mede kantoorhoudende te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [naam eiseres] en de Ontvanger genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 10 juli 2019;
- -
-
de conclusie van antwoord van 4 september 2019;
- -
-
de brief van de rechtbank van 25 september 2019, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- -
-
de brief zijdens [naam eiseres] van 26 november 2019 met producties;
- -
-
de spreekaantekeningen zijdens [naam eiseres] ;
- -
-
de spreekaantekeningen zijdens de Ontvanger;
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 11 december 2019.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
In de statuten van [naam eiseres] is bepaald dat [naam eiseres] door één, alleen bevoegde, bestuurder wordt bestuurd.
Op 26 juli 1999 is dhr. [naam] (verder “ [naam] ”) als bestuurder van [naam eiseres] aangetreden.
[naam] heeft tezamen met zijn echtgenote op 29 april 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de Ontvanger en de Inspecteur van de Belastingdienst Rijnmond (verder “de Inspecteur”). In de vaststellingsovereenkomst (artikel 5) is bepaald dat [naam] en diens echtgenote uiterlijk op 30 april 2013 € 50.000,00 zullen betalen op rekeningnummer [bankrekeningnummer] ten name van de Ontvanger, onder vermelding van “402.41.828 / vaststellingsovereenkomst [naam]”.
Eveneens op 29 april 2013 is op rekeningnummer [bankrekeningnummer] ten name van de Ontvanger een bedrag van € 50.000,00 bijgeschreven onder vermelding van “[nummer] vaststellingsovereenkomst [naam]”.
Na ontvangst van de betaling heeft de Ontvanger de Inspecteur van de betaling op de hoogte gebracht. Daarna heeft de Inspecteur onderzoek gedaan naar de herkomst van het betaalde bedrag.
Het op de bankrekening van de Ontvanger bijgeschreven bedrag is betaald vanaf een bankrekening op naam van [naam eiseres] .
Op 18 oktober 2017 is [naam] als bestuurder van [naam eiseres] teruggetreden en is een nieuwe bestuurder aangetreden.
Bij brief van 14 januari 2019 heeft de (toenmalig) advocaat van [naam eiseres] de Belastingdienst gesommeerd het bedrag van € 50.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, als zijnde onverschuldigd door [naam eiseres] betaald, terug te betalen.
3 Het geschil
[naam eiseres] vordert samengevat - de Ontvanger, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 50.000,00, vermeerderd met rente en kosten.
[naam eiseres] voert hiertoe primair aan dat de betaling van € 50.000,00 van de bankrekening van [naam eiseres] naar de bankrekening van de Ontvanger onverschuldigd is gedaan. Er was geen verbintenis tussen [naam eiseres] en de Ontvanger en er bestond geen rechtsverhouding tussen hen. Subsidiair stelt [naam eiseres] dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de Ontvanger. In de dagvaarding heeft [naam eiseres] voorts gesteld, voor zover nodig de door [naam] verrichtte rechtshandeling, te weten de betaling van € 50.000,00 aan de Ontvanger, krachtens artikel 2:7 Burgerlijk Wetboek te vernietigen.
[naam eiseres] heeft ter comparitie nog aanvullend aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst tussen [naam] en de Ontvanger niet rechtsgeldig is, omdat die niet ook door de echtgenote van [naam] is ondertekend. Daarom al bestond er geen rechtsgeldige grondslag voor de betaling aan de Ontvanger.
De Ontvanger heeft de betaling te kwader trouw aangenomen omdat hij wist dat [naam] de gelden aan het vermogen van [naam eiseres] had onttrokken. De kennis van de Inspecteur kan namelijk tevens geacht worden aanwezig te zijn bij de Ontvanger, aangezien zij een en dezelfde entiteit zijn. Onder deze omstandigheden had de Ontvanger het bedrag niet mogen behouden. Daarnaast heeft de Ontvanger een veel betere verhaalspositie dan [naam eiseres] en dient de Ontvanger het bedrag daarom aan [naam eiseres] terug te betalen, aldus [naam eiseres] ter comparitie.
Het beroep van de Ontvanger op verjaring van de diverse grondslagen kan niet slagen. De verjaringstermijn gaat immers pas lopen op het moment dat [naam eiseres] daadwerkelijk in staat was de vordering(en) in te stellen. Dat was pas vanaf aantreden van de opvolgend bestuurder op 18 oktober 2017, zo stelt [naam eiseres] .
De Ontvanger voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. De Ontvanger voert daartoe aan dat de betaling niet onverschuldigd is gedaan. Met de kennis van haar bestuurder [naam] wist [naam eiseres] namelijk van de betaling en beoogde zij deze ook; althans, de Ontvanger mocht daarop vertrouwen. Van ongerechtvaardigde verrijking is evenmin sprake. Voorafgaand aan de betaling had de Ontvanger immers een vordering ter hoogte van het later betaalde bedrag, zodat de Ontvanger per saldo niet verrijkt is.
Voor zover er al enige grondslag voor een vordering tot terugbetaling uit hoofde van onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking of vernietiging van de rechtshandeling zou (hebben) bestaan, zijn deze vorderingen verjaard. De Ontvanger betwist een betere verhaalspositie te hebben.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.