Rechtbank Rotterdam, 07-10-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:10184, 623992 / FT RK 21-278
Rechtbank Rotterdam, 07-10-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:10184, 623992 / FT RK 21-278
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2021
- Datum publicatie
- 19 oktober 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2021:10184
- Zaaknummer
- 623992 / FT RK 21-278
Inhoudsindicatie
Faillissement ontbonden besloten vennootschap, voldoende belang bij het aanvragen van het faillissement
Uitspraak
Team insolventie
Insolventienummer: [nummer]
Uitspraak: 7 oktober 2021
VONNIS op het op 16 augustus 2021 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
D+F COATINGS B.V.,
gevestigd te Bunschoten Spakenburg,
verzoekster,
advocaat mr. P.M. Jongeling,
strekkende tot faillietverklaring van:
de (ontbonden) besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PAINTBROKER B.V.,
voorheen gevestigd aan de Tinstraat 89, 2984 AN Ridderkerk,
aldaar tevens handelend onder de naam Verf4profs en Verf4profs.nl,
statutair gevestigd te Barendrecht,
verweerster.
1 De procedure
Verzoekster, bij monde van de heer [naam 1] , vertegenwoordiger van verzoekster, hierna [naam 1] , bijgestaan door mr. S. Tuithof, advocaat, en verweerster, bij monde van de heer [naam 2] , voormalig (middellijk) bestuurder, hierna [naam 2] , bijgestaan door de heer [naam 3] en [naam 4] (schriftelijk gevolmachtigden van verweerster), hierna [naam 3] en [naam 4] , zijn op 7 september 2021 in raadkamer gehoord. De behandeling van het verzoekschrift is aangehouden tot 14 september 2021.
Voorafgaande aan de behandeling op 7 september 2021 is namens verweerster een verweerschrift met producties bij de rechtbank ingediend.
Bij e-mail bericht van 10 september 2021 heeft de advocaat van verzoekster de rechtbank verzocht de behandeling van het verzoekschrift aan te houden tot 28 september 2021. Eveneens op 10 september 2021 zijn namens verweerster aanvullende producties aan de rechtbank toegezonden.
In een e-mailbericht van 13 september 2021 heeft de griffier van de rechtbank aan
mr. Tuithof bevestigd dat de rechtbank het verzoek tot aanhouding heeft gehonoreerd en is mr. Tuithof verzocht een daartoe bestemd aanhoudingsformulier aan de rechtbank toe te zenden en verweerster te informeren over de verleende aanhouding. Dit formulier is diezelfde dag door de griffie ontvangen,
Op 14 september 2021 zijn [naam 3] en [naam 4] in raadkamer verschenen. In raadkamer is hen meegedeeld dat de behandeling van het verzoekschrift is aangehouden tot 28 september 2021 en heeft er geen inhoudelijke behandeling plaatsgevonden.
Vervolgens zijn op 28 september 2021 verzoekster, bij monde van [naam 1] , bijgestaan door mr. Tuithof, en verweerster, bij monde van [naam 2] , bijgestaan door [naam 3] en [naam 4] , in raadkamer gehoord.
In raadkamer heeft verweerster een pleitnota overlegd en voor zover nog niet besproken (gedeeltelijk) voorgedragen. Mr. Tuithof heeft aanvullende producties aan de rechtbank overgelegd.
De uitspraak is bepaald op heden.
2 De standpunten
Verzoeksters heeft ter terechtzitting haar verzoek gehandhaafd. Ter zitting heeft verzoekster haar vordering nader toegelicht. Zij heeft daartoe gesteld dat zij nadat tijdige betaling van openstaande facturen ter zake van leveranties van verzoekster achterwege bleef een vaststellingsovereenkomst met verweerster heeft gesloten. Daarin werd een betalingsregeling getroffen, een lening aan verweerster verstrekt, de debiteuren van verweerster aan verzoekster verpand en afspraken gemaakt over overname van een aantal roerende zaken. Verzoekster heeft aangeven, dat haar vordering het eindbedrag is na verrekening van de creditposten op haar oorspronkelijke vordering. Ook de ontvangen betalingen van debiteuren van verweerster op aan verzoekster verpande vorderingen en de creditnota’s en of de tegenvorderingen van verweerster, zoals onder meer een vergoeding voor de overname van de merknaam en voor de overname van een verfmengmachine, zijn verrekend. Over de verrekeningen is de bestuurder continue geïnformeerd. Voorts heeft verzoekster ter terechtzittingen vorderingen van andere crediteuren van verweerster als steunvorderingen overgelegd.
Verzoekster heeft aangevoerd dat een ontbonden vennootschap in staat van faillissement kan worden verklaard, nu in het geval van verweerster sprake is van artikel 2:19 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW). De vennootschap is blijven voort bestaan nu aannemelijk is dat er nog baten zijn. Bestuurder van verweerster is in privé jegens de boedel aansprakelijk voor het boedel tekort vanwege onder meer het verzuim van het niet deponeren van jaarcijfers van verweerster.
Voor het standpunt van verweerster wordt onder meer verwezen naar het verweerschrift en de ter terechtzitting (gedeeltelijk) voorgedragen en overgelegde pleitnotitie. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster geen vordering meer heeft. De tegenvordering van verweerster is ongeveer gelijk aan de vordering van verzoekster. Verzoekster heeft haar vordering onvoldoende onderbouwd ook niet nadat verweerster daarom in een e-mail van
9 september 2021 verzocht heeft. Verweerster heeft ter terechtzitting een beroep op verrekening met tegenvorderingen van verzoekster gedaan. Ten aanzien van de door verzoekster overgelegde steunvorderingen heeft verweerster aangevoerd dat deze steunvordering(en) haar niet bekend zijn en voor de zitting bekend hadden moeten worden gemaakt. Tenslotte heeft verweerster aangegeven dat er geen baten in de ontbonden vennootschap zitten.
3 De beoordeling
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerster op
11 januari 2019 ontbonden is. Blijkens het overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat op 16 januari 2019 geregistreerd is dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn. Voorts is als de bewaarder van de boeken en bescheiden [naam 2] ingeschreven.
Op grond van artikel 2:19 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek houdt een rechtspersoon, indien hij op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, op te bestaan. Indien een schuldeiser, stellende dat een rechtspersoon nog baten heeft, diens faillissement aanvraagt en vervolgens summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn, kan, indien aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan, het faillissement worden uitgesproken en moet de rechtspersoon geacht worden ter afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan (HR 27 januari 1995, NJ 1995, 579).
De rechtbank is van oordeel dat summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er mogelijk baten zijn uit een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. Verweerster heeft immers in haar verweerschrift erkend dat jaarrekeningen over de jaren 2017 en 2018 niet dan wel niet tijdig bij de Kamer van Koophandel zijn gedeponeerd. Dit verzuim kan leiden tot aansprakelijkheid van de (middellijke) bestuurder. Er is dan ook voldoende belang bij het aanvragen van het faillissement.
Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet (hierna Fw) wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Verzoekster heeft gemotiveerd gesteld dat zij een vordering op verweerster heeft. Verweerster heeft daarop aangevoerd dat de vordering van verzoekster op verweerster onduidelijk en niet te verifiëren is. Voorts heeft verweerster aangevoerd dat zij een tegenvordering op verzoekster heeft. Verweerster heeft haar verweer, niet althans onvoldoende door middel van stukken nader onderbouwd of gespecifieerd, dit terwijl [naam 2] vanaf 11 januari 2019 als de Bewaarder van de boeken en bescheiden stond ingeschreven. Het had op de weg van de (voormalig) bestuurder en Bewaarder van de boeken en bescheiden gelegen om namens verweerster, deze betwisting nader te onderbouwen dan wel te specificeren, inzicht te verschaffen in de opbouw van de tegenvordering en de toestand van de boedel op het moment van vereffening, bijvoorbeeld door het overleggen van een overzicht van de debiteuren en crediteuren. Voor het geval dat ten aanzien van de vordering van verzoekster vragen gerezen zijn en of het standpunt was ingenomen dat er nog baten voor de boedel te realiseren waren (doordat de tegenvordering de vordering van verzoekster te boven ging) had daar bij de vereffening het debat met verzoekster moeten worden aangaan. Dat dit gebeurd zou zijn is niet aannemelijk geworden. Integendeel [naam 2] heeft namens verweerster aangevoerd dat hij door het (beweerdelijk) stilzitten van verzoekster erop mocht vertrouwen dat er geen sprake meer van een openstaande vordering.
Op basis van het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank dan ook vast dat verweerster de vordering van verzoekster niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.
Verder is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat verweerster, naast de vordering van verzoekster, meerdere schulden onbetaald laat en zodat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Verweerster heeft erkend dat de aanleiding voor de ontbinding gelegen was in de omstandigheid dat de schulden van verweerster de baten overtroffen.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoekster en van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij is opgehouden te betalen.
Hetgeen er toe leidt dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.
De rechtbank, ziet gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor de door verweerster verzochte proceskostenveroordeling.