Home

Rechtbank Rotterdam, 17-11-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:11246, C/10/615434 HA ZA 21-261

Rechtbank Rotterdam, 17-11-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:11246, C/10/615434 HA ZA 21-261

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17 november 2021
Datum publicatie
19 november 2021
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2021:11246
Zaaknummer
C/10/615434 HA ZA 21-261

Inhoudsindicatie

Erfrechtzaak. Niet executeur, maar legitimaris kan een vordering instellen jegens begiftigde door inkorting (art. 4:79 BW sub b jo art. 4:89 BW). Geen sprake van gift bij overdracht van gronden in landbouwbedrijf tegen waarde in verpachte staat bij agrarische bestemming.

Uitspraak

team haven en handel

zaaknummer: C/10/615434 HA ZA 21-261

vonnis van 17 november 2021

in de zaak van:

[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] , gemeente [gemeente] ,

en

[eiser 2] ,

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

gezamenlijk handelend in hun hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van:

[erflater] ,

eisers,

advocaat: mr. J.H. van Vliet,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

gedaagde,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens.

Eisers worden hierna [eiser 1] en [eiser 2] genoemd. Gedaagde wordt hierna [gedaagde] genoemd.

1. Verloop van de procedure

De rechtbank wijst vonnis op de volgende processtukken:

  1. de dagvaarding van 11 maart 2021, met producties;

  2. de conclusie van antwoord, met producties;

  3. de brieven van de zijde van [gedaagde] van 23 augustus 2021 en 1 september 2021, met

producties;

4. de brief van de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] van 7 september 2021, met producties;

5. de aantekening van de griffier dat de zitting heeft plaatsgevonden op 22 september

2021;

6. de spreekaantekeningen van mr. Van Vliet.

2. De feiten

2.1

Op 8 december 2017 is te [plaats] overleden de heer [erflater] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] (hierna: erflater).

2.2

Erflater heeft drie kinderen achtergelaten:

-

[persoon A] (hierna: [persoon A] );

-

[persoon B] (hierna: [persoon B] );

-

[gedaagde] .

2.3

Erflater heeft bij testament van 20 juli 2011 over zijn nalatenschap beschikt. Daarbij heeft hij [gedaagde] uitgesloten als erfgenaam.

2.4

Vanaf 1 mei 1979 bestond tussen erflater en [gedaagde] een maatschap waarin zij gezamenlijk een agrarisch bedrijf hebben uitgeoefend. Zij hadden daartoe in gezamenlijk eigendom landbouwgronden van 53.07.10 hectare (hierna: de gronden).

2.5

Op 10 september 1980 hebben erflater en [gedaagde] een maatschapsovereenkomst gesloten. Eveneens op 10 september 1980 hebben zij een overeenkomst gesloten, waarin onder andere is vermeld dat de gronden bij beëindiging van het maatschapsverband door [gedaagde] tegen boekwaarde kunnen worden overgenomen. Voorts hebben zij daarin afgesproken dat als [gedaagde] de eigendom van de gronden verkrijgt tegen boekwaarde of een andere waarde die lager is dan de waarde in het economisch verkeer, een meerwaardeclausule zou gelden, welke clausule niet van toepassing zou zijn bij herinvestering.

2.6

Op 22 juli 1992 hebben erflater en [gedaagde] een aanvullende maatschapsovereenkomst gesloten, waarin onder andere is opgenomen dat bij beëindiging van de maatschap, in het geval de zaken van de maatschap worden voortgezet en overgenomen door de andere maat, de gronden worden gewaardeerd tegen de waarde in verpachte staat.

2.7

Op 14 juli 1998 zijn de gronden getaxeerd. Daarbij is de waarde in het economisch verkeer bepaald op ƒ 75.000,-- per hectare en de waarde in verpachte staat op ƒ 25.000,-- per hectare.

2.8

Bij notariële akte van 31 augustus 1998 zijn erflater en [gedaagde] overeengekomen dat [gedaagde] de onderneming zou voortzetten, dat de gronden zouden worden verdeeld en toegedeeld aan [gedaagde] tegen de waarde in verpachte staat en dat [gedaagde] na verdeling het gebruik van de gronden zou inbrengen in het voortgezette samenwerkingsverband tussen erflater en [gedaagde] .

2.9

Op 14 december 1998 heeft erflater de gronden aan [gedaagde] overgedragen op basis van de (getaxeerde) waarde in verpachte staat bij agrarische bestemming van ƒ 25.000,-- (€ 11.340,--) per hectare.

2.10

De maatschap is ontbonden per 30 april 2000. Bij notariële akte van 29 november 2000 hebben erflater en [gedaagde] vastgelegd dat [gedaagde] nog een bedrag van ƒ 458.475,-- aan erflater verschuldigd was.

2.11

Op 28 februari 2006 heeft [gedaagde] een gedeelte van de gronden aan de gemeente Dordrecht verkocht voor € 225.000,-- per hectare.

2.12

Bij brief van 25 april 2009 heeft erflater aan [gedaagde] bericht dat hij geen juridische stappen zou ondernemen in de kwestie omtrent de gronden.

3. Het geschil

3.1

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om:

  1. [gedaagde] te veroordelen om bij wijze van inbreng aan [eiser 1] en [eiser 2] in hun hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflater te betalen een bedrag groot € 350.534,--, met de wettelijke rente over deze hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van betaling;

  2. subsidiair: te verklaren voor recht dat de door erflater aan [gedaagde] gedane gift(en) tot een bedrag van € 2.864.532,-- deel uitmaken van de legitimaire massa in de nalatenschap van erflater;

  3. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, voor zover deze noodzakelijk zijn, met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na dagtekening van het vonnis tot aan betaling.

3.2

[eiser 1] en [eiser 2] stellen daartoe – samengevat – het volgende.

De gronden zijn bij de transactie van 14 december 1998 overgedragen tegen de aanzienlijk lagere waarde in verpachte staat bij agrarische bestemming dan de waarde in het economisch verkeer. Er is geen sprake van omstandigheden die de lagere waarde rechtvaardigen. Er is geen vervreemdingsbeding of meerwaardeclausule opgenomen waardoor die lagere waarde gecompenseerd kon worden. Volgens de Hoge Raad kan daarmee een giftkarakter worden aangenomen (HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8172).

Primair geldt dat sprake is van een giftmoment op 25 april 2009, toen erflater in zijn brief aan [gedaagde] af zag van aanspraken. Subsidiair geldt dat het giftmoment is gelegen in de gang van zaken rond de bedrijfsoverdracht in 1998. Als peiljaar voor de waarde van de gift wordt 2006 aangehouden: het jaar waarin [gedaagde] de gronden aan de gemeente Dordrecht heeft verkocht. Daarvan uitgaande heeft erflater [gedaagde] voor een bedrag van € 2.834.787,-- bevoordeeld.

De legitieme portie van [persoon A] en [persoon B] is door deze schenking aan [gedaagde] geschonden. De legitimaire tekorten van [persoon A] en [persoon B] kunnen niet uit de boedel worden voldaan, zodat ingekort kan geworden op (onder meer) de gift aan [gedaagde] .

Voorts geldt dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst met erflater van 31 augustus 1998 niet is nagekomen. De samenwerking is niet voortgezet en de gronden zijn niet ingebracht. Daarmee heeft hij wanprestatie gepleegd en heeft erflater schade geleden.

3.3

[gedaagde] heeft – samengevat – als verweer het volgende aangevoerd.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn niet-ontvankelijk in hun primaire vordering. Alleen de legitimaris kan een beroep doen op inkorting, niet de executeurs.

[gedaagde] betwist dat sprake was van een gift aan hem door erflater. Zij zijn uitdrukkelijk overeengekomen dat de gronden door erflater aan [gedaagde] zouden worden overgedragen tegen de waarde in verpachte staat bij agrarische bestemming. In de maatschapsovereenkomst is al opgenomen dat [gedaagde] de gronden zou kunnen overnemen tegen de boekwaarde. Bij de aanvulling in 1992 is uitdrukkelijk de waarde in verpachte staat opgenomen. De enkele omstandigheid dat er is overeengekomen dat de gronden tegen de waarde in verpachte staat konden worden overgenomen, impliceert nog geen gift. Er was geen bevoordelingsbedoeling bij de transactie in 1998. Er is ook afgerekend conform de getaxeerde prijs. Pas door de bestemmingswijziging in 2002 is de grond meer waard geworden; dat was in 1998/2000 nog niet voorzienbaar. Het peilmoment is de transactie in 1998, niet de verkoop in 2006 of de brief van erflater in 2009.

Het niet opnemen van de meerwaardeclausule is uitdrukkelijk tussen erflater en [gedaagde] besproken en door de bij de levering betrokken notaris afgeraden. Als die clausule wel zou zijn opgenomen, geldt dat een afbouw van 10 tot 15 jaar gebruikelijk is en zou het een en ander niet gelden bij herinvestering.

Voorts geldt dat het de wens van erflater was dat [gedaagde] het bedrijf zou overnemen. De verkoopopbrengst is aangewend voor de aankoop van een vervangende boerderij. Dat was ook de bedoeling van erflater en hij was daarbij ook betrokken.

Van wanprestatie is geen sprake. De maatschap is voortgezet en de gronden zijn ingebracht.

4. De beoordeling

5. De beslissing