Home

Rechtbank Rotterdam, 08-10-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:13605, ROT 20/678

Rechtbank Rotterdam, 08-10-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:13605, ROT 20/678

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
8 oktober 2021
Datum publicatie
9 september 2022
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2021:13605
Zaaknummer
ROT 20/678

Inhoudsindicatie

AVG-verzoek. Er bestaat geen doorzendplicht voor verweerder.

Uitspraak

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/678

en

gemachtigde: mr. J. Choufoer.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2019 (primair besluit) heeft verweerder het inzageverzoek van eiser gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 24 december 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij brief van 19 juni 2019 heeft eiser verweerder verzocht om - indien verweerder persoonsgegevens van eiser verwerkt - op grond van artikelen 12 en 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) inzage te geven:

- om welke gegevens het gaat;

- wat het doel is van het gebruik;

- aan wie de gegevens eventueel zijn verstrekt;

- welke passende waarborgen van doorgifte getroffen zijn als de gegevens zijn doorgegeven aan een ander land of internationale organisatie;

- hoe lang de gegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen;

- of sprake is van geautomatiseerde besluitvorming en zo ja;

- wat het belang van verweerder bij geautomatiseerde besluitvorming is en wat de te verwachte gevolgen daarvan voor eiser zijn.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 23, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG en artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) op grond waarvan het inzagerecht van artikel 15 van de AVG (gedeeltelijk) buiten toepassing gelaten kan worden, indien dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarbij stelt verweerder dat de politie de instantie is die als enige een belangenafweging kan maken en mededelingen kan doen over de uitvoering van opsporingstaken.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Volgens eiser had verweerder, nu verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat enkel de politie een belangenafweging kan maken, het verzoek van eiser als een verzoek zoals bedoeld in de Wet politiegegevens (Wpg) moeten behandelen en moeten doorzenden aan de politie. Doordat verweerder dit niet heeft gedaan, zou het traject onnodig lang gerekt zijn en meent eiser recht te hebben op schadevergoeding vanwege de immateriële schade die hij zou hebben geleden vanwege dit ten onrechte niet doorzenden door verweerder. Daarnaast had verweerder vanwege het tijdsverloop met betrekking tot de strafrechtelijke procedure zelf meer informatie moeten verstrekken aan eiser. Tot slot stelt eiser dat verweerder in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en Europeesrechtelijke wet- en regelgeving.

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder de door eiser verzochte gegevens heeft verstrekt, maar dat verweerder heeft geweigerd mede te delen of en zo ja, welke gegevens met de politie of opsporingsdiensten zijn gedeeld. Het beroep richt zich uitsluitend tegen dit onderdeel van het bestreden besluit.

6. De stelling van eiser dat verweerder inzichtelijk had moeten maken welke informatie met de politie is gedeeld vanwege het verstrijken van de tijd, wordt niet door de rechtbank gevolgd. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen dat de strafrechtelijke procedure nog niet is afgerond en er nog geen onherroepelijk oordeel ligt, waardoor het verstrekken van informatie mogelijk nog steeds een strafrechtelijk onderzoek kan belemmeren. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat alleen de politie de afweging kan maken of het verstrekken van informatie de opsporing of handhaving kan belemmeren en eiser er terecht op gewezen dat hij een verzoek op grond van de Wpg bij de politie kan indienen. Dat volgens vast beleid geen nadere informatie wordt verstrekt door verweerder wanneer er nog strafrechtelijke procedures lopen, acht de rechtbank niet in strijd met de wet of kennelijk onredelijk.

7.1.

Ter discussie staat verder of verweerder het verzoek van eiser had moeten behandelen als een verzoek zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wpg en het verzoek had moeten doorzenden aan de politie.

7.2.

De doorzendplicht van artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet op de situatie waarin een bestuursorgaan niet bevoegd is om een beslissing te nemen. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat zijn verzoek aan verweerder een verzoek op grond van de AVG betreft en dat hij bewust een verzoek bij verweerder heeft ingediend. Eiser stelt bovendien ook los een verzoek bij de politie te hebben ingediend. Verweerder beschikte over de door eiser verzochte gegevens en was bevoegd om op het verzoek te beslissen. Er bestaat dan ook geen doorzendplicht op grond van de Awb voor verweerder. De uitspraak waar eiser naar verwijst van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:284) waarin is geoordeeld dat het verzoek om gegevensverstrekking aangemerkt moest worden als een Wpg-verzoek en moest worden doorgezonden, is in dit geval niet van toepassing. Anders dan in die zaak, staat in dit geval vast hoe het verzoek moet worden aangemerkt, namelijk als een AVG-verzoek. Dat eiser verder ter zitting heeft gesteld zich reeds tot de politie te hebben gewend met het verzoek de gevraagde gegevens te verstrekken, maar dat de politie heeft gesteld niet over die gegevens te beschikken, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

8. Nu geen doorzendplicht voor verweerder bestaat, bestaat er ook geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding aan eiser vanwege het niet doorsturen van het verzoek om gegevensverstrekking aan de politie.

9. De stelling van eiser dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en Europeesrechtelijke wet- en regelgeving heeft eiser niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Om die reden faalt ook deze beroepsgrond.

10. Dit betekent dat het beroep ongegrond is.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Cras, griffier. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 8 oktober 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

BIJLAGE: wettelijk kader