Rechtbank Rotterdam, 08-03-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1887, C/10/613915 / FT EA 21/261
Rechtbank Rotterdam, 08-03-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1887, C/10/613915 / FT EA 21/261
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 8 maart 2021
- Datum publicatie
- 26 april 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2021:1887
- Zaaknummer
- C/10/613915 / FT EA 21/261
Inhoudsindicatie
art. 376 Fw Verzoek afkondigen afkoelingsperiode en opheffing gelegde beslagen in het kader van de WHOA afgewezen
Uitspraak
beschikking
Team insolventie
afkondigen afkoelingsperiode
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 8 maart 2021
beschikking op het ingekomen verzoek ex artikel 376 Fw, met bijlagen, van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam 2] B.V.
statutair gevestigd te Rotterdam,
verzoekster,
advocaat: mr. S.J.B. Drijber te Velp.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 24 februari 2021 een verklaring ex artikel 370 lid 3 Faillissementswet (Fw) ter griffie gedeponeerd en verzocht een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw te gelasten voor een periode van vier maanden.
Verzoekster heeft gekozen voor een openbare akkoordprocedure buiten faillissement.
Het verzoek is op 1 maart 2021 in aanwezigheid van mr. S.J.B. Drijber, advocaat van verzoekster, en de heer [naam 1] , bestuurder van verzoekster, ter zitting behandeld.
Ter terechtzitting is het verzoek nader toegelicht.
2 De feiten
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
Verzoekster is gevestigd in Rotterdam en oefende daar tot voor kort een onderneming uit gericht op de exploitatie van internationale verbindingen voor goederenvervoer per spoor. Verzoekster heeft haar activiteiten inmiddels gestaakt. De knowhow, het klantenbestand en het personeel is eind februari 2021 overgedragen aan een Duitse vennootschap.
Interface4solutions B.V., een vennootschap naar Belgisch recht, en CTT Rotterdam B.V. hebben op 15 respectievelijk 19 februari 2021, naar Belgisch respectievelijk Nederlands recht, conservatoir beslag gelegd ten laste van verzoekster onder (verschillende) derden, klanten van verzoekster.
In de op 24 februari 2021 gedeponeerde startverklaring heeft verzoekster verklaard dat de crediteuren op korte termijn zullen worden aangeschreven met de mededeling dat een akkoord in voorbereiding is.
3 Het standpunt van verzoekster
Verzoekster heeft onder meer aangevoerd dat zij genoodzaakt was haar activiteiten te staken doordat de Zwitserse autoriteit recentelijk alle subsidies aan verzoekster heeft stopgezet en nog uit te keren subsidies heeft bevroren. Volgens de Zwitserse autoriteit is mogelijk een onjuiste opgave gedaan van verrichte transporten. Een van de voormalig bestuurders, die verantwoordelijk was voor de subsidies, is in verband hiermee inmiddels (met ingang van 17 februari 2021) ontslagen. Door het wegvallen van de subsidies werden de bedrijfsactiviteiten van verzoekster onmiddellijk zwaar verlieslatend, is de onderneming gestaakt en is door verzoekster besloten de kennis, het klantenbestand en de werknemers te verkopen aan een derde partij. Hier was haast bij gezien alle lopende contracten met klanten, die bij een snelle overdracht doorgang konden vinden. Daarop is een biedingsproces opgestart en zijn de bedrijfsactiviteiten aan de hoogste bieder verkocht.
Ten behoeve van een ordentelijke afwikkeling casu quo vereffening van de vennootschap is verzoekster voornemens een onderhands crediteurenakkoord ex artikel 369 Fw aan haar crediteuren aan te bieden.
De verkoop van de activiteiten heeft in totaal € 600.000,- opgeleverd, waarvan een bedrag van € 100.000,- bij de verkoop direct door verzoekster is ontvangen en een bedrag van € 500.000,- op een escrow-rekening is geplaatst. Dit laatste bedrag komt beschikbaar voor de gezamenlijke crediteuren indien een whoa traject succesvol wordt afgerond. Daarnaast heeft verzoekster nog een debiteurenportefeuille van circa € 3.000.000,- waarvan verzoekster verwacht dat zij deze binnen een maand zal kunnen incasseren. Ook dit bedrag is beschikbaar voor het aanbieden van een onderhands akkoord.
Zonder afkoelingsperiode wordt het aanbieden van een akkoord feitelijk onmogelijk omdat individuele crediteuren dan verhaal gaan zoeken op de nog beschikbare vermogensbestanddelen, en de paritas creditorum wordt dan doorkruist. Een afkoelingsperiode is in het belang van de gezamenlijke crediteuren. Als individuele schuldeisers verhaal gaan zoeken op de nog beschikbare vermogensbestanddelen kan verzoekster niet anders dan haar faillissement aanvragen. In een faillissementssituatie zullen de gezamenlijke schuldeisers slechter af zijn als gevolg van de faillissementskosten, nog daargelaten het feit dat een eventuele uitkering dan niet op korte termijn te verwachten is en het de vraag is of voornoemd bedrag van € 500.000,- ook in faillissement beschikbaar zal zijn. Een afkoelingsperiode is daarmee in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Voor zover nu kan worden voorzien, worden de schuldeisers hierdoor niet wezenlijk in hun belangen geschaad.
Ook de beslagleggers worden door de gevraagde opheffing van de beslagen niet wezenlijk in hun belangen geschaad. Zoals aan de orde kwam zal bij verhaalsacties door individuele schuldeisers het faillissement moeten worden aangevraagd. De gelegde beslagen zullen dan vervallen en ook de beslagleggers zullen worden omgeslagen in de algemene faillissementskosten.
Verzoekster heeft er geen bezwaar tegen dat er, indien de rechtbank daartoe aanleiding ziet, een observator, zoals bedoeld in artikel 379 Fw, wordt aangesteld.