Rechtbank Rotterdam, 19-03-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2306, ROT 19/5030
Rechtbank Rotterdam, 19-03-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2306, ROT 19/5030
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 19 maart 2021
- Datum publicatie
- 22 maart 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2021:2306
- Zaaknummer
- ROT 19/5030
Inhoudsindicatie
AVG, geen misbruik van recht, begrip ‘verwerker’, ruime uitleg van het begrip 'verwerkingsverantwoordelijke', gegrond
Uitspraak
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/5030
gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren,
en
gemachtigde: mr. R. Geraedts.
Procesverloop
Bij besluit van 29 april 2019 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser, om inzage in de persoonsgegevens die verweerder verwerkt, afgewezen.
Bij besluit van 17 september 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021. Eiser en zijn gemachtigde hebben via een Skype-verbinding aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met zaaknummer ROT 19/4649. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Daarna zijn de zaken gesplitst voor het doen van uitspraak.
Overwegingen
1. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. Eiser heeft op 28 maart 2019 aan verweerder verzocht om informatie op grond van de artikelen 12 en 15, eerste lid, van de Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (de Algemene Verordening Gegevensbescherming: AVG). In zijn verzoek heeft eiser aangegeven dat hij van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) een e-mail heeft ontvangen met gegevens die op hem betrekking zouden hebben en die volgens de DT&V afkomstig zouden zijn van verweerder. Verweerder heeft voornoemd verzoek van eiser afgewezen. Aan deze afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat hij niet de verwerkingsverantwoordelijke is in de zin van artikel 4, onder 7, van de AVG, omdat het onderzoek door de Nederlandse ambassade in Baku (Azerbeidzjan) in dit geval in opdracht van de DT&V heeft plaatsgevonden. De DT&V beschikt over de door verweerder in het kader van de opdracht opgestelde en verzamelde dossierstukken, zodat het AVG verzoek bij DT&V over dezelfde persoonsgegevens gaat. Bovendien is het contact met de persoon die het onderzoek ter plaatse heeft uitgevoerd mondeling verlopen, aldus verweerder. Eiser heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder toegevoegd dat sprake is van misbruik van recht door eiser en verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 april 2019 (ECLI:NL:RBNNE:2019:3761). Verweerder wijst er in dat verband op dat eiser zowel bij verweerder als bij de DT&V een inzageverzoek heeft ingediend en dat eiser de persoonsgegevens wil gebruiken in een andere procedure (een ‘buiten schuld procedure’), zodat het hem uiteindelijk niet gaat om de juistheid van de feitelijke persoonsgegevens. Eiser heeft ook in de ‘buiten schuld procedure’ reeds recht op de op de zaak betrekking hebbende stukken op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of sprake is van misbruik van recht.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen in bijvoorbeeld haar uitspraak van 31 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3553), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van zo’n beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat in dit geval niet worden vastgesteld. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.
De AVG strekt ertoe om betrokkenen (natuurlijke personen) inzage te geven in de wijze waarop onder andere bestuursorganen hun persoonsgegevens verwerken. In zijn verzoek heeft eiser aan verweerder verschillende vragen gesteld, met als doel om de informatie, zoals bedoeld in artikel 15, eerste en tweede lid, van de AVG, te verkrijgen. Gelet hierop kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat het eiser niet daadwerkelijk te doen is om overeenkomstig het doel van de AVG kennis te nemen van de door verweerder verwerkte persoonsgegevens en de wijze waarop verweerder deze persoonsgegevens verwerkt. Dat eiser ook bij de DT&V een inzageverzoek heeft ingediend, maakt dat niet anders, te meer omdat de DT&V te kennen heeft gegeven dat verweerder geen achterliggende informatie aan hen verstrekt, ter bescherming van de ingeschakelde onderzoeker en de door hem ingeschakelde onderzoeksmethoden. Dat eiser eventueel verkregen persoonsgegevens in een andere procedure zal gebruiken, leidt de rechtbank nog niet tot het oordeel dat daarmee sprake is van misbruik van recht. Dat maakt op zichzelf niet dat het doel van het verzoek niet meer in overeenstemming is met het doel van de AVG. De rechtbank verwijst in dat kader ook naar jurisprudentie van de Afdeling, betrekking hebbend op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:265), waaruit volgt dat een verzoek om verstrekking van informatie met het oog op een andere procedure slechts onder bijzondere omstandigheden misbruik van recht oplevert. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover in dit geval anders te oordelen. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn de rechtbank niet gebleken. De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 april 2019 kan tot slot niet slagen, nu van vergelijkbare zaken geen sprake is. In dat geval was de verzoeker immers in het bezit gesteld van de gevraagde stukken en was niet gebleken dat er nog andere persoonsgegevens waren verwerkt.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren vanwege misbruik van het recht.
5. In beroep stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder verwerkingsverantwoordelijke is. De DT&V en verweerder voeren in nevenschikking onderdelen van het beleid uit. Dat het onderzoek in Baku plaatsvond in het kader van een identiteitsonderzoek naar aanleiding van een bemiddelingsverzoek van de DT&V, maakt dat niet anders. Verweerder heeft de gegevens mondeling doorgegeven aan een onbekende/niet nader bekendgemaakte vertrouwenspersoon die mondeling heeft terug gerapporteerd, wat volgens eiser een bijzonder onverantwoordelijke omgang met persoonsgegevens is waarvoor verweerder zelf verantwoordelijk is. De DT&V heeft aangegeven niet over de achterliggende stukken van het bestand ‘ [bestandsnaam 1] and [bestandsnaam 2] ’ te beschikken, waarin de mondelinge rapportage is neergelegd en waarin het bestaan van een ‘death record registration’, een ‘marriage records registration’ en van een paspoort wordt genoemd. Gelet op de schadelijke gevolgen die aan deze informatie worden verbonden, dient eiser in staat te worden gesteld om te zien waarop deze informatie is gebaseerd.
De rechtbank leidt uit artikel 4, aanhef en onder 7 en onder 8, van de AVG af dat een verwerker geen zeggenschap heeft over de verwerkingen en alleen onder de verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke en naar diens instructies mag handelen. Wanneer de verwerker zelfstandig beslissingen gaat nemen over de doelen en de middelen van de verwerking, wordt deze dus zelf verantwoordelijk voor die verwerkingen. Ingevolge artikel 28 van de AVG moet, wanneer een verwerking namens een verwerkingsverantwoordelijke wordt verricht, de verwerking door een verwerker in een overeenkomst worden geregeld, of in een andere rechtshandeling krachtens het Unierecht of het lidstatelijke recht die de verwerker ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke bindt.
Gelet op het doel van de AVG, zoals neergelegd in artikel 1, tweede lid, van de AVG, namelijk om met name het recht van natuurlijke personen op bescherming van persoonsgegevens te beschermen, moet een ruime uitleg worden gegeven aan het begrip ‘verwerkingsverantwoordelijke’. De rechtbank verwijst naar bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 5 juni 2018, Schleswig-Holstein, (C-210/16, ECLI:EU:C:2018:388), punt 26-28. Hoewel dit arrest uitleg geeft aan Richtlijn 95/46/EG, is het ook van belang voor de uitleg van het begrip ‘verwerkingsverantwoordelijke’ in de AVG. Uit overweging 9 van de preambule bij de AVG volgt namelijk dat de doelstellingen en beginselen van Richtlijn 95/46/EG overeind blijven. Ook komt de inhoud van de definities van ‘voor de verwerking verantwoordelijke’, zoals opgenomen in artikel 2, onder d, van Richtlijn 95/46/EG en ‘verwerker’, zoals opgenomen in artikel 2, onder e, van Richtlijn 95/46/EG, vrijwel geheel overeen met de definities van ‘verwerker’ en ‘verwerkingsverantwoordelijke’ in de AVG.
Naar het oordeel van de rechtbank moet verweerder in dit geval, gelet op het voorgaande, worden aangemerkt als verwerkingsverantwoordelijke. Hoewel verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de Nederlandse ambassade in Baku in opdracht van de DT&V onderzoek ter plaatse heeft laten verrichten door een vertrouwenspersoon, dat het door de DT&V vastgestelde doel een identiteitsonderzoek was en dat hij slechts als bemiddelaar heeft gefungeerd, heeft hij hiermee niet afdoende (met stukken) onderbouwd dat de doelen en de middelen van de verwerking door verweerder door de DT&V zijn vastgesteld en dat hij zelf geen feitelijke invloed heeft gehad op de verwerking van de persoonsgegevens van eiser. De stellingen van verweerder ter zitting dat een identiteitsonderzoek in opdracht van DT&V altijd wordt uitgevoerd door inschakeling van een vertrouwenspersoon en dat hij slechts een kleine rol heeft bij het doorgeven van een onderzoeksvraag aan een vertrouwenspersoon, doen daaraan – de ruime uitleg van het begrip ‘verwerkingsverantwoordelijke’ indachtig – niet af. Ook heeft verweerder geen overeenkomst overgelegd of toegelicht in welke andere rechtshandeling krachtens het Unierecht of het lidstatelijke recht de verwerking is geregeld.
Omdat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat hij ‘verwerker’ is, en geen verwerkingsverantwoordelijke, en hij het verzoek van eiser op grond van de artikelen 12 en 15 van de AVG om die reden heeft afgewezen, is het bestreden besluit genomen in strijd met deze artikelen en onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank zal dan ook het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder moet daarom een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1). Voor een vergoeding van de proceskosten in bezwaar zoals verzocht bestaat geen aanleiding, nu niet is voldaan aan de voorwaarde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, namelijk dat sprake is van een besluit dat is herroepen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming
van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. de Vries, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2021.
De griffier is buiten staat
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: