Rechtbank Rotterdam, 23-04-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3620, ROT 20/4818
Rechtbank Rotterdam, 23-04-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3620, ROT 20/4818
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 23 april 2021
- Datum publicatie
- 26 april 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2021:3620
- Zaaknummer
- ROT 20/4818
Inhoudsindicatie
proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep. Parkeerbelasting is betaald met behulp van een parkeerapp, maar de app heeft een storing die kort daarna bekend is geworden bij verweerder. Het afwachten van het bezwaar van de benadeelde leidt tot aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.
Uitspraak
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/4818
gemachtigde: mr. M. Lagas,
en
gemachtigde: M.M.W. Curfs.
Procesverloop
Verweerder heeft eiser bij beschikking van 29 juli 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag bedraagt in totaal € 60,75.
Bij uitspraak op bezwaar van 24 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beschikking gegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2021. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat er aanleiding is voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat de verschuldigde parkeerbelasting achteraf gezien wel is voldaan, zodat de naheffingsaanslag bij nader inzien ten onrechte is opgelegd. Om die reden heeft verweerder de naheffingsaanslag vernietigd. Verweerder stelt dat een proceskostenvergoeding echter niet aan de orde is, omdat er geen sprake is geweest van verwijtbaarheid of nalatigheid aan de zijde van verweerder.
3. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover van belang, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing.
4. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Uit de Memorie van Toelichting op de Wijziging Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (TK 1999-2000, 27024, nr. 3, p. 6; hierna: MvT) blijkt dat met aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid wordt bedoeld dat er sprake is van ernstige onzorgvuldigheid. Uit de MvT volgt: ‘Deze opsomming is niet uitputtend; uiteindelijk zal de rechter moeten uitmaken wanneer de besluitvorming ernstig onzorgvuldig is geweest. Daarbij kunnen onder meer ook de complexiteit van het geval – waaronder de complexiteit van de toepasselijke regelgeving – en de opstelling van het bestuursorgaan een rol spelen.’
Vaststaat dat eiser voor het betalen van de parkeerbelasting op 29 juli 2020 van 10.00 tot en met 13.58 uur gebruik heeft gemaakt van de parkeerapp van de Anwb. De Anwb-parkeerapp is gekoppeld aan Yellowbrick. Op 29 juli 2020 om 16.23 uur is de RDW door Yellowbrick per e-mail geïnformeerd over een storing. Niet in geschil is dat verweerder daarmee eveneens op de hoogte is geraakt van de storing. De storing had op die diezelfde dag plaatsgevonden van 03.00 tot 14.00 uur. Yellowbrick heeft de RDW gevraagd om rekening te houden met deze storing bij de naheffingen.
Gelet op het voorgaande was verweerder ervan op de hoogte dat een storing bij Yellowbrick had plaatsgevonden in het hierboven beschreven tijdvak, zodat hij er rekening mee moest houden dat naheffingsaanslagen waren opgelegd aan gebruikers van Yellowbrick die - ondanks de aanvankelijk andersluidende informatie bij verweerder - wel parkeerbelasting hadden betaald. Verweerder heeft vervolgens geen poging ondernomen om de - achteraf ten onrechte - opgelegde aanslag te vernietigen en zo een procedure te voorkomen, maar heeft afgewacht of de gedupeerden bezwaar zouden maken. Door het afwachten van verweerder is eiser in de positie gebracht dat hij een bezwaarschrift heeft moeten indienen, met de daarbij behorende kosten. Dat het technisch niet mogelijk is om in een geval als het onderhavige in het systeem te zien welke kentekens via een parkeerapp zijn aangemeld in het tijdvak dat de storing duurde, is een omstandigheid die niet voor rekening en risico moet komen van eiser. Het is naar het oordeel van de rechtbank daarom onredelijk om in dit geval de kosten van de bestuurlijke (voor)procedure ten laste van eiser te laten. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.
5. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten in bezwaar en beroep. De proceskosten in bezwaar stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 265,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een wegingsfactor van 1). De proceskosten in beroep stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 267,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift. In beroep is uitsluitend de proceskostenvergoeding aan de orde. Daarom is het beroep te kwalificeren als licht, zodat een wegingsfactor van 0,5 moet worden toegepast).
6. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep gegrond;
- -
-
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin het verzoek om proceskosten is afgewezen;
- -
-
bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;
- -
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 532,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.E. Moerkerken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.
De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op: