Rechtbank Rotterdam, 14-04-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3853, C/10/579959 / HA ZA 19-741
Rechtbank Rotterdam, 14-04-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3853, C/10/579959 / HA ZA 19-741
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 14 april 2021
- Datum publicatie
- 3 mei 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2021:3853
- Zaaknummer
- C/10/579959 / HA ZA 19-741
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid. Aannemingsovereenkomst bouw huis. Faillissement aannemer. Niet is komen vast te staan dat de bestuurders de aannemingsovereenkomst zijn aangegaan in de wetenschap dat de vennootschap haar verplichtingen daaronder niet kon nakomen. Eiseres heeft geen schade geleden als gevolg van de door haar gestelde verkeerde voorstelling van zaken door de bestuurders ten aanzien van de kredietwaardigheid van de vennootschap. Geen sprake van betalingsonwil. ‘Leeghalen’ vennootschap is niet komen vast te staan. Afwijzing vorderingen.
Uitspraak
vonnis
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/579959 / HA ZA 19-741
Vonnis van 14 april 2021
in de zaak van
[persoon A] ,
wonende te [woonplaats A] ,
eiser in het incident,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. M. Hoogesteger te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf B] ,
gevestigd te [vestigingsplaats B] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf C] ,
gevestigd te [vestigingsplaats C] ,
3. [persoon D],
wonende te [woonplaats D] ,
4. [persoon E],
wonende te [woonplaats E] ,
verweerders in het incident,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. M.W. Huijzer te Rotterdam.
Eiser in conventie, verweerder in reconventie zal hierna [persoon A] genoemd worden. Gedaagden in conventie, eisers in reconventie zullen hierna afzonderlijk [bedrijf B] , [bedrijf C] , [persoon D] en [persoon E] , en gezamenlijk [persoon D] c.s. genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 31 juli 2019, met producties 1 t/m 23;
- -
-
de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 t/m 15;
- -
-
de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 24 t/m 44;
- -
-
de conclusie van repliek in conventie tevens van antwoord in reconventie, met producties 45 t/m 48;
- -
-
de conclusie van dupliek in conventie, met producties 16 t/m 24;
- -
-
de door [persoon A] op 13, 20 en 22 oktober 2020 overgelegde producties 49 t/m 64;
- -
-
de akte inhoudende incidentele vordering afschrift bescheiden ex artikel 843a Rv van [persoon A] ;
- -
-
het proces-verbaal van comparitie gehouden op 26 oktober 2020;
- -
-
de pleitaantekeningen van mr. Hoogesteger;
- -
-
de pleitaantekeningen van mr. Huijzer;
- -
-
de brief van 17 november 2020 van [persoon A] , met een reactie op het proces-verbaal;
- -
-
de antwoordakte in het incident ex artikel 843a Rv tevens akte uitlating producties van [persoon D] c.s.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.
[bedrijf F] (hierna: [bedrijf F] ) hield zich onder andere bezig met het uitoefenen van een bouw- en aannemingsbedrijf. Bestuurders van [bedrijf F] zijn [bedrijf B] (hierna: [bedrijf B] ) en [bedrijf C] (hierna: [bedrijf C] ).
Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf B] is [persoon D] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf C] is [persoon E] .
Op 24 juli 2018 heeft [bedrijf F] aan [persoon A] een opdrachtomschrijving/offerte doen toekomen met betrekking tot - kort gezegd - de bouw/verbouwing van een woonhuis met bijgebouw (gastenverblijf) door [bedrijf F] voor [persoon A] aan de [adres 1] te Ridderkerk.
Partijen hebben vervolgens op 30 augustus 2018 door ondertekening van de opdrachtomschrijving een aannemingsovereenkomst gesloten (hierna: de aannemingsovereenkomst). De aanneemsom bedroeg € 650.000,00.
[persoon A] heeft vanaf eind januari 2019 de betaling van de facturen van [bedrijf F] opgeschort.
Op 1 maart 2019 heeft de toenmalige advocaat van [persoon A] , mr. Heere, aan [bedrijf F] het volgende geschreven:
“Tot mij wendde zich de heer [persoon A] , met het verzoek zijn belangen terzake van het project aan de [adres 1] te Ridderkerk te behartigen. (...)
Gaarne overleg ik op meest korte termijn met u over de thans bestaande, voor cliënt uiterst
nijpende situatie. Graag doe ik dat begin volgende week. De situatie maakt dat noodzakelijk.
In ieder geval stel ik u c.q. [bedrijf F] namens cliënt aansprakelijk voor alle door cliënt geleden en nog te lijden schade tengevolge van het niet nakomen van de gemaakte afspraken. (...)”
Op 11 maart 2019 vond tussen partijen een overleg plaats, onder meer over de kwaliteit van het reeds uitgevoerde werk. Medio maart 2019 werd de bouw op initiatief van [persoon A] stilgelegd.
Bij e-mailbericht van 15 maart 2019 heeft de toenmalige advocaat van [bedrijf F] , mr. Smith, aan mr. Heere onder meer het volgende geschreven:
“ (...) Afgelopen maandag hebben partijen elkaar gesproken over de bouw van de woning van uw cliënten. (...)
Ik heb u al gewezen op de bouwplaatskosten aan de zijde van cliënte die doorlopen. Dat had niet gehoeven. Dat cliënte genoemde werkzaamheden niet kan uitvoeren, ligt niet in haar risicosfeer. Dat de datum van oplevering verder verschuift, is dan ook niet aan haar te wijten.
(...) Cliënte verzoekt uw cliënten haar in de gelegenheid te stellen om de werkzaamheden weer op te pakken. (...)”
In opdracht van [persoon A] heeft het bureau PlanGarant op 5 april 2019 een rapport uitgebracht met betrekking tot een door haar uitgevoerde inspectie naar de kwaliteit van het door [bedrijf F] geleverde werk.
Met ingang van 11 april 2019 heeft [bedrijf F] een beroep gedaan op haar retentierecht en de bouwplaats vergrendeld.
Bij brief van 19 april 2019 heeft de advocaat van [persoon A] namens [persoon A] aan de toenmalige advocaat van [persoon D] c.s., mr. Smith, geschreven de aannemingsovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. [persoon A] heeft daarbij aangegeven [bedrijf F] aansprakelijk te houden voor de te lijden en geleden schade, waaronder kosten van herstel van het gebrekkige werk en ten onrechte te veel betaalde bedragen.
Mr. Smith heeft op 23 april 2019 gereageerd en geschreven dat [bedrijf F] de beëindiging van de aannemingsovereenkomst opvat als een opzegging en dat [bedrijf F] dan ook tot een eindafrekening zal overgaan.
De advocaat van [persoon A] heeft op 7 mei 2019 per e-mailbericht het volgende geschreven aan mr. Smith:
“(...)
Onder verwijzing naar onze telefoongesprekken van gisteren, stuur ik hierbij in concept een brief voor een verzoek om een spoedplaatsopneming/bindend advies. Zoals besproken stel ik voor dat we dit verzoek gezamenlijk doen aan de heer [persoon G] , zoals bekend een oud arbiter van de Raad van Arbitrage voor de bouw en een zeer ervaren deskundige in bouwgeschillen. Graag verneem ik uw reactie. Voorts verneem ik graag de verhinderdata van u en uw cliënte van deze maand.
Laten wij de hoop en de intentie uitspreken dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt in deze vervelende situatie.
Client verzoekt uw cliënte de container die nog op zijn terrein staat te verwijderen. Voorts staat de informatie over het project van cliënt ook nog steeds staat op de website van [bedrijf F] en [bedrijf H] . Ik verzoek uw cliënte nogmaals ook die informatie te verwijderen. (...)”
Op 9 mei 2019 heeft mr. Smith als volgt gereageerd:
“(...) Zoals zojuist al telefonisch besproken:
- -
-
Cliënte is akkoord met een bindend advies;
- -
-
Cliënte is akkoord met de heer [persoon G] ; mocht hij niet kunnen dan heeft cliënte de voorkeur aan een (voormalig) arbiter die kennis heeft van zowel de bouwtechniek als het juridische;
- -
-
Dat bindend advies zou voor dit moment moeten zien op 1) de stand van het werk tot nu toe en 2) de vraag of het werk voldoet aan het door de opdrachtgever aangeleverde ontwerp, de omgevingsvergunning en voorts voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk;
- -
-
Cliënte is er mee akkoord dat partijen de kosten van een bindend adviesprocedure delen, in die zin dat beide partijen de helft van de kosten voldoen.
Uw brief is voor mij niet akkoord, die is voor mij niet neutraal genoeg. De achtergrond (communicatie van partijen, vertragingen) is voor bovenstaande vragen voor mijn gevoel niet van belang. Laten we eerst zien of wij deze naar mijn inzicht objectief bepaalbare kwesties kunnen beslechten door een bindend advies. (...)”
Op 10 mei 2019 heeft mr. Hoogesteger de heer [persoon G] (hierna: de bindend adviseur) verzocht om op te treden als bindend adviseur in het tussen partijen gerezen geschil. Hiertoe heeft zij onder meer het volgende geschreven:
“(...)
Partijen wensen zo spoedig mogelijk gezamenlijk bij wege van bindend advies:
- -
-
de huidige toestand en staat van het werk te laten vastleggen, om zo een duidelijke ‘scheidslijn’ aan te kunnen brengen in het werk van Aannemer en het werk dat in de toekomst zal worden opgeleverd door een derde partij;
- -
-
te laten beoordelen of het geleverde werk voldoet aan de aannemingsovereenkomst, het ontwerp, de omgevingsvergunning, de (naar uw oordeel geldende) technische en bouwkundige (wettelijke) eisen en eisen van goed en deugdelijk werk;
- -
-
De prijs voor het geleverde werk te laten bepalen op basis van de redelijkheid en billijkheid. (...)”
De bindend adviseur heeft op 22 mei 2019 een opdrachtbevestiging gezonden naar partijen. De opdrachtbevestiging vermeldt onder meer:
“(...) U hebt mij geïnformeerd dat uw resp. cliënten [persoon A] en [bedrijf F] het
voornemen hebben hun contractuele relatie m.b.t. de in opdracht van [persoon A] door [bedrijf F] verrichte bouw/verbouw werkzaamheden op het perceel [adres 1] te Ridderkerk te beëindigen.
Gaarne ben ik bereid in deze te adviseren, meer in het bijzonder tot het uitbrengen van een
Bindend Advies (1) terzake de eindafrekening.
Voorts houdt mijn advisering in:
2. Beoordelen of er volgens ontwerp is gebouwd.
3. Het vaststellen van de stand van het werk (een zgn. plaatsopneming).
4. Een oordeel over vermeende gebreken en het bepalen van de herstelkosten c.q.
waardevermindering.
(...)
Mijn honorarium bedraagt € 200,-- excl. BTW per uur waarvan ik partij [bedrijf F]
verzoek bij wijze van voorschot € 4.000,-- naar mijn rekening [rekeningnummer] over te maken. Mr. Hoogesteger heeft bij mail d.d. 21.05.2019 bevestigd dat partij [persoon A] € 4.000,- zal overmaken naar haar Derdenrekening. (...)”
Op 26 juni 2019 heeft de bindend adviseur een advies uitgebracht. In dit bindend advies staat onder meer het volgende:
“(...)
Bij het eerder genoemde intakegesprek heeft [bindend adviseur] in overleg met beide raadslieden bepaald dat hij zich zal conformeren aan de aanneemovereenkomst, hetgeen wil
zeggen dat hij zich gebonden acht aan hetgeen partijen daarin hebben vastgelegd; kort
samengevat: contract = contract.
(...)
Ondergetekende bepaalt de waarde van het bijgebouw en hetgeen is gerealiseerd van het
hoofdgebouw op A-/-B+C-/-D ofwel (271,323,89 -/- 65.460,28 + 44.193,99 -/- 2/3 x 12.148,28
-/- 2/3 x offerte sloopkosten) € 241.958,75 incl. BTW maar excl. Sloopkosten.
Het Bindend Advies luidt dat [persoon A] binnen één week [bedrijf F] een marktconforme offerte incl. BTW voor het slopen van de werkvloer van het hoofdgebouw zal doen toekomen en waar [persoon A] € 367.500,- heeft betaald dat [bedrijf F] [persoon A] een creditfactuur ten bedrage van (367.500,- -/- 241.958,75) € 125.541,25 incl. BTW, vermeerderd met 2/3 van deze offerte doet toe komen. [bedrijf F] zal dit bedrag binnen twee weken conform aan [persoon A] overmaken. (...)”
Op 29 juni 2019 heeft Force Demolition B.V. aan [persoon A] een offerte uitgebracht voor een bedrag van € 7.850,- exclusief btw voor het verrichten van renovatie- en sloopwerkzaamheden.
Bij brief van 4 juli 2019 aan [bedrijf F] (en tevens aan [persoon D] c.s.) heeft [persoon A] [bedrijf F] althans [persoon D] c.s. gesommeerd tot het versturen van creditfacturen alsmede tot terugbetaling van een bedrag van € 132.507,25 en tot betaling van de schade van [persoon A] . [bedrijf F] heeft dit nagelaten.
Bij vonnis van 23 juli 2019 is [bedrijf F] in staat van faillissement verklaard, na eigen aangifte faillietverklaring.
Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [persoon A] op 24 juli 2019 ten laste van [bedrijf F] en [persoon D] c.s. conservatoir (derden)beslag gelegd op diverse (on)roerende zaken en tevens onder diverse banken.
3. Het geschil
[persoon A] vordert - na vermindering van eis - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [persoon D] c.s. te gebieden om binnen een week na dagtekening van dit vonnis aan [persoon A] afschrift te verstrekken van:
“het volledige verzoek eigen aangifte faillietverklaring van [bedrijf F] ., inclusief alle bij het verzoek ingediende bijlagen, waaronder de oorzaak omschrijving en begeleidende brief aan de Rechtbank (...)
op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag voor iedere dag dat gedaagden verzuimen de nodige inzage aan eiser te verschaffen dan wel de stukken over te leggen, met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.”
De conclusie van [persoon D] c.s. strekt tot afwijzing van de vordering van [persoon A] , met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in conventie
[persoon A] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“
1. Gedaagden hoofdelijk, dan wel meerdere gedaagden hoofdelijk, dan wel één van de gedaagden te veroordelen, om aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 184.883,05 inclusief BTW vermeerderd met de pro memorie posten, althans een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2019 dan wel 18 juli 2019 dan wel een in goede justitie te bepalen datum tot en met de dag van de algehele voldoening;
2. Gedaagden hoofdelijk, dan wel meerdere gedaagden hoofdelijk, dan wel één van de gedaagden te veroordelen om aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 2.775,-- aan buitengerechtelijke kosten, althans buitengerechtelijke kosten op te maken door de Rechtbank in goede justitie, vermeerderd met de wettelijke rente over het verschuldigde bedrag berekend vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
3. Gedaagden hoofdelijk, dan wel meerdere gedaagden hoofdelijk, dan wel één van de gedaagden te veroordelen;
a) in de kosten van deze procedure, het salaris van de advocaat van [persoon A] daaronder mede begrepen;
b) in de beslagkosten;
c) in de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 jo. 239 Rv;
Te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn voor voldoening.”
[persoon A] heeft aan zijn vorderingen - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat [persoon D] c.s. aansprakelijk zijn voor de schade van [persoon A] als gevolg van het onbetaald blijven van zijn vordering op [bedrijf F] . Volgens [persoon A] hebben [persoon D] c.s. als (indirect) bestuurders van [bedrijf F] onrechtmatig gehandeld jegens [persoon A] , zodat zij zijn gehouden tot betaling van de schade van [persoon A] .
De conclusie van [persoon D] c.s. strekt tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] , met veroordeling van [persoon A] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten. [persoon D] c.s. hebben betwist dat [bedrijf F] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens [persoon A] , nu [persoon A] de aannemingsovereenkomst eenzijdig heeft opgezegd en [bedrijf F] niet de mogelijkheid heeft gegeven om het werk af te maken. [persoon D] c.s. hebben voorts betwist dat hen een persoonlijk ernstig verwijt treft. Ook hebben [persoon D] c.s. betwist dat [persoon A] de gestelde schade heeft geleden.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
[persoon D] c.s. vorderen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
“ - alle door [persoon A] ten processe bedoelde conservatoire (derden)beslagen, zoals die zijn genoemd in de dagvaarding en productie 23 daarbij, op te heffen, althans [persoon A] te veroordelen om deze beslagen op zijn kosten binnen 48 uur na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- (of een door U E.A. passend geacht bedrag) per dag of deel van een dag dat [persoon A] hiermee in gebreke blijft; en
- [persoon A] te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan gedaagden vanwege de onrechtmatige beslaglegging(en), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede tot betaling aan gedaagden van een voorschot op deze schadevergoeding ad € 10.000,-- (althans een ander door U E.A. te bepalen redelijk bedrag aan voorschot op deze schadevergoeding); (...)”
met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten.
De conclusie van [persoon A] strekt tot afwijzing van de vorderingen van [persoon D] c.s., met veroordeling van [persoon D] c.s., voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten alsmede de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.