Home

Rechtbank Rotterdam, 01-03-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:12192, C/10/632703 / HO RK 22/39

Rechtbank Rotterdam, 01-03-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:12192, C/10/632703 / HO RK 22/39

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
1 maart 2022
Datum publicatie
17 juli 2023
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2022:12192
Zaaknummer
C/10/632703 / HO RK 22/39
Relevante informatie
Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 384

Inhoudsindicatie

WHOA-zaak. Homologatievonnis

Uitspraak

vonnis

Team insolventie – meervoudige kamer

vonnis homologatie van het akkoord ex artikel 384 Faillissementswet (Fw)

rekestnummer : C/10/632703 / HO RK 22/39

uitspraakdatum : 1 maart 2022

Vonnis op het ingekomen verzoek ex artikel 383 Fw, met bijlagen, in de besloten WHOA-procedure van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam 1] B.V.

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

advocaat: mr. M.J. Noteboom, kantoorhoudende te Gorinchem,

hierna te noemen: verzoekster

1 De procedure

1.1.

Verzoekster heeft op 17 december 2021 een startverklaring ex artikel 370 lid 3 Faillissementswet (Fw) ter griffie gedeponeerd.

1.2.

Op 19 januari 2022 heeft verzoekster het stemverslag op grond van artikel 382 Fw ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd.

1.3.

Vervolgens heeft verzoekster op 27 januari 2022 een verzoek tot homologatie van een akkoord op grond van artikel 383 lid 1 Fw, inclusief bijlagen, ter griffie van deze rechtbank ingediend.

1.4.

Bij beschikking van 4 februari 2022 heeft de rechtbank bepaald dat zij het verzoekschrift strekkende tot homologatie van het akkoord zal behandelen op

15 februari 2022 en dat verzoekster de stemgerechtigde schuldeisers onverwijld in kennis dient te stellen van de beschikking. Voorts zijn verzoekster en het UWV in gemelde beschikking in de gelegenheid gesteld hun standpunt ten aanzien van de vraag of artikel 362 lid 3 Fw aan homologatie van het onderhavige akkoord in de weg staat, voorafgaande aan de zitting schriftelijk aan de rechtbank kenbaar te maken.

1.5.

De hiervoor genoemde schriftelijke standpunten van verzoekster en het UWV zijn op 11 februari 2022 door de rechtbank ontvangen.

1.6.

Het homologatieverzoek is op 15 februari 2022 in raadkamer behandeld. Daarbij zijn (via een videoverbinding) verschenen en gehoord:

- mr. M.J. Noteboom (advocaat verzoekster);

- de heer [naam 2] (middellijk bestuurder verzoekster);

- de heer [naam 3] (financieel adviseur verzoekster);

- mr. dr. [naam 4] (medewerker UWV);

- mr. [naam 5] (medewerker UWV).

1.7.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De voorgangster van verzoekster heeft zich vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw als industrieel dienstverlener toegelegd op de fabricage en bewerking van onderdelen voor (middel)zware installaties en machines ten behoeve van afnemers in onder meer de bouw, scheepsbouw- en baggerindustrie. Vanaf de jaren 2000 is de positie van de voorgangster van verzoekster op de markt veranderd en heeft zij haar productiefaciliteit ingezet voor omringende metaalbedrijven.

2.2.

Op 1 juli 2019 zijn de activiteiten van deze voorgangster via een activa-passiva transactie integraal overgedragen aan verzoekster. De bedoeling van de overname was dat verzoekster na enkele jaren samengevoegd zou worden met [naam 6] B.V. , een onderneming werkzaam op dezelfde markt en met (deels) dezelfde aandeelhouders en klanten als verzoekster.

2.3.

Sinds de overname van de activa en passiva door verzoekster zijn er diverse problemen gerezen. In het najaar van 2021 is de conclusie getrokken dat verzoekster niet langer levensvatbaar is en dat samenvoeging met [naam 6] B.V. bij een ongewijzigde situatie onverantwoord zou zijn. Na beraad over de treffen maatregelen hebben de bestuurder en de aandeelhouders van verzoekster aangegeven dat zij de samenvoeging van beide vennootschappen doorgang willen laten vinden onder de voorwaarde dat er een schuldenreductie plaatsvindt. Na de samenvoeging zal verzoekster worden ontbonden en opgeheven.

2.4.

Het akkoord zal worden gefinancierd door de uitwinning van de debiteuren (waaronder vorderingen op groepsmaatschappijen en een vordering op een werknemer) op de bankrekening van verzoekster en door de verkoop van inventaris en machines aan [naam 6] B.V. onder de voorwaarde dat deze vennootschap alle werknemers en verplichtingen van verzoekster zal overnemen.

2.5.

Verzoekster heeft op 18 november 2021 bij brief een akkoord aan bepaalde groepen schuldeisers aangeboden.

2.6.

Deze schuldeisers – met uitzondering van het Pensioenfonds, die vanwege de (toen nog bestaande) onduidelijkheid betreffende de juridische status van zijn vordering vervolgens buiten het akkoord is gehouden - hebben het akkoord geaccepteerd (hierna: de betrokken schuldeisers), zij het dat het UWV hierbij heeft aangegeven dat zij als voorwaarde stelt dat homologatie van het akkoord dient plaats te vinden. Verzoekster heeft vanwege de opstelling van het UWV een WHOA-traject opgestart.

2.7.

Verzoekster heeft op 24 december 2021 de betrokken schuldeisers opnieuw aangeschreven. Zij heeft met die brief van 24 december 2021 de stemprocedure in gang gezet, met vermelding van de hoogte van de bijbehorende vorderingen, het uitkeringspercentage en de uitkering onder het akkoord:

Schuldeiser preferent

Hoofdsom

Uitkeringspercentage

Uitkering

Belastingdienst

€ 301.252

63,2%

€ 190.391

Schuldeiser concurrent

Hoofdsom

Uitkeringspercentage

Uitkering

UWV

€ 29.477

31,6%

€ 9.315

[schuldeiser 3]

€ 8.261

31,6%

€ 2.610

[schuldeiser 4]

€ 50.000

31,6%

€ 15.800

[schuldeiser 5]

€ 43.750

31,6%

€ 13.825

[schuldeiser 6]

€ 90.591

31,6%

€ 28.626

[schuldeiser 7]

€ 53.993

31,6%

€ 17.061

Totaal concurrent

€ 276.072

31,6%

€ 87.238

2.8.

De in het akkoord betrokken schuldeisers hebben in de periode van 24 december 2021 tot en met 10 januari 2022 hun stem kunnen uitbrengen.

2.9.

In het verzoekschrift is het volgende vermeld over de selectie van de schuldeisers waarop het akkoord betrekking heeft.

2.10.

Een deel van de crediteuren die buiten het akkoord zijn gehouden, betreft de zogenoemde dwangcrediteuren. Door verzoekster is aangevoerd dat deze dwangcrediteuren zich ofwel kunnen beroepen op verrekening ofwel dat het crediteuren zijn die betaald moeten worden vanwege de continuïteit van de onderneming de komende maanden, zoals bijvoorbeeld crediteuren met een eigendomsvoorbehoud. Het Pensioenfonds met een vordering van € 15.132,- is ook buiten het akkoord gehouden. De handelscrediteuren met een vordering lager dan

€ 1.000,- zullen om economische redenen volledig worden voldaan en dus ook buiten het akkoord worden gehouden. Tot slot zijn (overige) werknemers gerelateerde vorderingen op grond van artikel 369 lid 4 Fw buiten het akkoord gehouden, alsmede de vordering van de bank als separatist, wiens vordering volledig is gedekt door zekerheden.

2.11.

De belastingdienst ontvangt als preferente crediteur bij homologatie en uitvoering van het akkoord een uitkeringspercentage van 63,2%. De overige crediteuren (allen concurrente crediteuren) ontvangen een uitkeringspercentage van 31,6%. In totaal zullen de betrokken schuldeisers een bedrag van € 277.628,- ontvangen, waarvan de uitbetaling in vier gelijke termijnen vanaf 31 maart 2022 zal plaatsvinden.

2.12.

Aan de betrokken schuldeisers wordt een betalingsgarantie verstrekt. Deze garantie houdt in dat voor ieder van hen (met uitzondering van de aan verzoekster gelieerde crediteur [schuldeiser 7] ) een bedrag is gestort op de derdengeldenrekening van de advocaat van verzoekster gelijk aan het bedrag waarop de desbetreffende schuldeiser in het kader van de uitdeling recht heeft. Indien onverhoopt een termijnbedrag niet tijdig wordt betaald, dan wordt op eerste verzoek via die derdengeldenrekening het desbetreffende bedrag aan een schuldeiser betaald.

2.13.

Het stemverslag met het akkoord en de ontvangen stemverklaringen zijn op 19 januari 2022 ter griffie van de rechtbank gedeponeerd.

2.14.

De uitslag van de stemming is in een stemverslag neergelegd. Daarin is onder meer vermeld dat alle betrokken schuldeisers hebben ingestemd met het aangeboden akkoord op voorwaarde dat dit akkoord door de rechtbank wordt gehomologeerd.

3 Het standpunt van verzoekster

3.1.

Verzoekster verzoekt homologatie van het aangeboden akkoord. In het verzoekschrift heeft zij, in aanvulling op het aangeboden akkoord, onder meer het volgende naar voren gebracht.

3.2.

Verzoekster stelt dat aan de vereisten van homologatie is voldaan. Zij verkeert in de toestand als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw. Het akkoord voldoet aan de wettelijke vereisten. Geen van de wettelijke afwijzingsgronden doet zich voor. De stemprocedure voldoet aan de vereisten. Nakoming van het akkoord is voldoende gewaarborgd.

3.3.

Voorts stelt verzoekster dat artikel 362 lid 3 Fw niet aan homologatie van het akkoord in de weg staat. De door verzoekster ontvangen NOW-steun is geen staatssteun. Bovendien heeft de Europese Commissie geen terugvorderingsbesluit genomen, als bedoeld in voornoemd artikel. Verzoekster verwijst in dit verband naar de inleidende opmerkingen van de wetgever bij de Wet terugvordering staatssteun.

4 Het standpunt van het UWV

5 De beoordeling

6 De beslissing