Rechtbank Rotterdam, 29-03-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2574, ROT 21/3636
Rechtbank Rotterdam, 29-03-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2574, ROT 21/3636
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 29 maart 2022
- Datum publicatie
- 7 april 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2022:2574
- Zaaknummer
- ROT 21/3636
Inhoudsindicatie
Verzoek aanpassing dan wel rectificatie politiegegevens ogv Wpg. Verweerder deels tegemoetgekomen. Eiser heeft gerechtvaardigd belang bij verdere aanpassing van (deels aantoonbaar onjuiste) politieregistraties. Beroep gegrond, Rb voorziet zelf in de zaak.
Uitspraak
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/3636
en
de korpschef van politie, de politiechef van de regionale eenheid Rotterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. I.D. de Hoop).
Procesverloop
Met het besluit van 18 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser tot vernietiging dan wel rectificatie van politiegegevens deels afgewezen op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn partner [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Voorgeschiedenis
Naar aanleiding van een zogeheten VT-melding op 12 februari 2020, heeft Veilig Thuis het dossier [dossiernummer 1] aangemaakt. Eiser heeft dit dossier bij Veilig Thuis opgevraagd, waardoor hij op dat moment ook bekend is geraakt met het bestaan van het dossier [dossiernummer 2] , dat Veilig Thuis naar aanleiding van een eerdere VT-melding op 1 februari 2019 had aangemaakt. Beide VT-meldingen zijn afkomstig van de politie, eenheid Rotterdam.
Op 23 maart 2020 heeft eiser aan Veilig Thuis verzocht om vernietiging van het dossier [dossiernummer 2] en om aanpassing van het dossier [dossiernummer 1] . Veilig Thuis heeft bij brief van 16 april 2020 geantwoord dat de gevraagde aanpassingen aan het dossier [dossiernummer 1] zullen worden doorgevoerd. Het verzoek om vernietiging van het dossier [dossiernummer 2] heeft Veilig Thuis bij besluit van 1 september 2020 afgewezen.
Eiser heeft vervolgens op 16 oktober 2020 de civiele rechter van de rechtbank Rotterdam verzocht om Veilig Thuis onder meer te veroordelen tot vernietiging van het dossier [dossiernummer 2] en aanpassing van het dossier [dossiernummer 1] , in die zin dat uit dat dossier de gegevens en informatie met betrekking tot het dossier [dossiernummer 2] worden verwijderd.
In zijn beschikking van 1 maart 2021 heeft de civiele rechter - kort samengevat - overwogen dat niet redelijkerwijs aannemelijk is dat het bewaren van de persoonsgegevens van aanmerkelijk belang is voor een ander dan eiser en dat dit betekent dat Veilig Thuis het dossier [dossiernummer 2] dient te verwijderen. Het dossier [dossiernummer 1] dient zodanig te worden aangepast dat dat de gegevens en informatie met betrekking tot het dossier [dossiernummer 2] worden verwijderd uit het dossier [dossiernummer 1] .
Deze procedure
Op 8 maart 2021 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend tot vernietiging of rectificatie van de over hem geregistreerde politiegegevens. Eiser heeft zijn verzoek gebaseerd op artikel 28 van de Wpg en de artikelen 12 en 16 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd:
“(...) Uit de informatie die voorgelezen is tijdens de 'telefonische inzage' en uit de gegevens die Veilig Thuis vanuit de politie heeft ontvangen, blijkt dat een aantal fouten in de dossiervorming is geslopen. Er wordt namelijk ten onrechte zowel door de politie als door Veilig Thuis gesproken van huiselijk geweld en een woningverbod hetgeen een onterecht diffamerende nawerking heeft. Veilig Thuis is inmiddels door de rechter verplicht tot het vernietigen van een dossier en het aanpassen van een aantal gegevens. Ik wil ook u bij deze verzoeken alle onjuiste gegevens te verwijderen zodat ik niet langer onterecht te boek sta als pleger van huiselijk geweld met een woningverbod tot gevolg. Dit heeft voor mij en mijn zoon namelijk verstrekkende gevolgen. (...)”
2. In het bestreden besluit heeft verweerder - kort samengevat - als volgt geoordeeld. De op eiser betrekking hebbende gegevens met registratienummer [registratienummer 1] zijn juist en volledig gebleken. Verweerder heeft daarom het verzoek tot wijziging in zoverre afgewezen en de politiegegevens niet gerectificeerd. Dit betekent dat deze politiegegevens ongewijzigd blijven. Verder heeft verweerder geconcludeerd dat de op eiser betrekking hebbende gegevens met registratienummer [registratienummer 2] aangevuld moeten worden, omdat die feitelijk onjuist want onvolledig zijn. Verweerder heeft het verzoek tot wijziging in zoverre toegewezen. Er is inmiddels een aanvulling gemaakt door de verbalisant met wat de verbalisant zich kan herinneren betreft de melding.
3. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
4. Eiser voert in beroep in de eerste plaats aan dat hij het niet eens is met de termijn waarop het bestreden besluit is genomen. Verweerder heeft zijn verzoek op 9 maart 2021 ontvangen. Het bestreden besluit ontving eiser pas op 19 mei 2021, dus ruim tien weken na het indienen van zijn verzoek, in plaats van binnen de wettelijke termijn van vier weken.
Gelet op de tekst van artikel 28, derde lid, van de Wpg had verweerder eiser binnen vier weken schriftelijk in kennis moeten stellen met betrekking tot de opvolging van het verzoek van eiser. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder het bestreden besluit niet binnen die termijn heeft genomen.
Eiser heeft verweerder bij brief van 18 mei 2021 in gebreke gesteld en verweerder verzocht binnen twee weken schriftelijk uitsluitsel te geven over zijn verzoek. Verweerder heeft het bestreden besluit een dag later, dus binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken, alsnog genomen. Gelet hierop en nu eiser geen gevolgen verbindt aan zijn standpunt dat hij het niet eens is met de termijn waarop het besluit is genomen, kan wat eiser heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
5. In deze zaak staat centraal de vraag of verweerder op goede gronden heeft beslist om een deel van de op eiser betrekking hebbende politiegegevens aan te passen en die politiegegevens voor het overige ongewijzigd te laten. De rechtbank zal dat hieronder per melding beoordelen.
Met betrekking tot de eerste melding (met registratienummer [registratienummer 1] )
6. Uit de door eiser bij zijn beroepschrift overgelegde productie 2 blijkt dat de politie op 1 februari 2019 – voor zover van belang – de volgende melding heeft gedaan bij Veilig Thuis:
“(...) Op vrijdag 01-02-2019 is er op politiebureau Noord aangifte gedaan door de moeder (...), van mishandeling en huisvredebreuk/lokaalvredebreuk gepleegd door de vader ([naam eiser]) [de rechtbank begrijpt: [naam eiser]]. Betrokkenen liggen in een scheiding, maar dit verloopt niet probleemloos. Vader heeft een woningverbod mede omdat er in huis teveel spanning hing waar zoon (...) nadeel aan ondervond. Deze voorlopige voorziening van woningverbod is opgelegd door de rechtbank te Rotterdam.
Op 31-01-2019 kwam het tot een escalatie tussen beide ouders na een taxatie van het woonhuis. Vader heeft uit de schuur goederen gepakt en in zijn kofferbak van de auto gestopt en moeder wilde weten wat. Moeder zegt dat vader een mishandeling gepleegd heeft tegen haar, moeder zegt dat vader de achterklep opzettelijk en met kracht dichtgooide en toen de achterklep het achterhoofd van de moeder raakte. Moeder heeft hier een beurse plek op haar achterhoofd aan overgehouden en hoofdpijn. Moeder zegt dat vader haar met zijn rechterhand beetgepakt heeft, bij haar linker bovenarm en naar achter geduwd. Moeder hield hier een beurse plek op haar bovenarm aan over en last van haar rug.
Specificeer de betrokkenheid van de minderjarigen:
In de familie- of huiselijke kring van deze minderjarige heeft huiselijk geweld plaatsgevonden, waarbij de minderjarige tijdens het geweld niet aanwezig was / geen getuige was. (...)
De betrokkene (...) reageerde als volgt: Bang voor dader (ex man) [naam eiser] [de rechtbank begrijpt: [naam eiser]].
Relevante registraties
Dit betreft de eerste VT-melding voor het gezin. Verder geen relevante registraties op beide personen. (...)”
Eiser heeft de rechtbank – samengevat – verzocht de term 'huiselijk geweld' te laten aanpassen naar 'niet onderzochte aangifte van huiselijk geweld' en de termen 'woningverbod' en 'tijdelijk huisverbod' te laten verwijderen, slechts te noemen dat de woning tijdens de echtscheidingsprocedure door middel van een voorlopige voorziening aan de ex-partner van eiser was toegewezen en dat dit niet mag of kan worden uitgelegd of opgevat als een gevolg van de aangifte van huiselijk geweld, in verband met het onterecht doorwerkende effect hiervan, aldus eiser.
Verweerder stelt in het verweerschrift dat in deze melding wordt gesproken over het feit dat aangeefster meldde dat ze was mishandeld en dat dit niet de bevindingen van de politie betrof. De onderste passage van de melding laat echter, indien apart gelezen, ruimte voor de veronderstelling dat de rapporterende politiefunctionaris stelt dat het huiselijk geweld daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Verweerder zal daarom door middel van een te nemen aanvullend besluit de onderste passage van deze melding aanpassen in: Specificeer de betrokkenheid van de minderjarigen: vanuit de familie- of huiselijke kring van deze minderjarige is aangifte gedaan van huiselijk geweld, waarbij de minderjarige tijdens het geweld niet aanwezig was/geen getuige was.” Verder is de aangifte in het politiesysteem terecht ondergebracht in de categorie “huiselijk geweld”, omdat de aangifte daadwerkelijk betrekking heeft op geweld binnen de relationele sfeer. Dat de aangifte niet in behandeling is genomen omdat deze te weinig opsporingsindicaties bevatte om tot eventuele vervolging te kunnen leiden, doet niet af aan het recht van de ex-partner van eiser om aangifte te mogen doen, aldus verweerder.
De rechtbank stelt vast dat verweerder slechts gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiser tegen deze registratie. Hoewel verweerder terecht stelt dat de ex-partner van eiser het recht heeft om aangifte tegen hem te doen, staat tussen partijen vast dat de aangifte nooit is onderzocht en dat dus niet is vastgesteld dat daadwerkelijk sprake is geweest van huiselijk geweld gepleegd door eiser. Verweerder geeft zelf ook aan dat de aangifte niet in behandeling is genomen omdat deze te weinig opsporingsindicaties bevatte om tot eventuele vervolging te kunnen leiden.
Zoals eiser terecht stelt, zijn in de tweede melding de termen “huiselijk geweld” en “woningverbod” aan elkaar gekoppeld. Bovendien stelt eiser dat Veilig Thuis dit heeft overgenomen en aangeeft die zin niet te kunnen aanpassen, omdat dit is wat de politie gemeld heeft.
Eiser heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank aangetoond dat hij als gevolg van de eerste melding ten onrechte te boek staat als pleger van huiselijk geweld en dat dit hem als het ware achtervolgt. Dat dit voor eiser enorm belastend is, komt uit de stukken naar voren en is ook ter zitting van de rechtbank meer dan voldoende gebleken. Hij heeft er daarom een gerechtvaardigd belang bij dat uit de eerste VT-melding ondubbelzinnig het onderscheid blijkt tussen verklaringen van zijn ex-partner en objectieve waarnemingen van politieambtenaren, dat daarin wordt opgenomen sprake is van vermeend huiselijk geweld en dat de aangifte door de ex-partner niet is onderzocht vanwege onvoldoende opsporingsindicaties. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat dat zij hier geen bezwaar tegen heeft.
In het verweerschrift stelt verweerder verder dat, hoewel in de registratie wordt gesproken over een “voorlopige voorziening van woningverbod”, dergelijke registraties voor intern gebruik zijn bedoeld en dus uitsluitend kunnen worden geraadpleegd door politiefunctionarissen, zodat voldoende duidelijk is dat de tevens in de registratie genoemde term “woningverbod” niet een door de burgemeester opgelegde maatregel betreft doch de uitkomst van een voorlopige voorziening. Om eiser ter wille te zijn zal desondanks aan de registratie de volgende tekst worden toegevoegd: “de tekst woningverbod is spreektaal en dient vervangen te worden door de tekst “de voorlopige voorziening dat de heer [naam eiser] [de rechtbank begrijpt: [naam eiser]] niet in de woning mag zijn”, aldus verweerder.
Uit de echtscheidingsbeschikking (productie 4 bij het beroepschrift), blijkt dat de familierechter heeft onderzocht of eiser met zijn ex-partner in de echtelijke woning kon verblijven, maar dat dit bij de ex-partner op bezwaren stuitte. De familierechter heeft daarom, in het belang van de zoon, de woning aan de ex-partner toegewezen. Verder heeft eiser onweersproken gesteld dat hij zijn ex-partner nadien heeft uitgekocht en dat hij inmiddels weer in de woning verblijft.
Voor de rechtbank staat daarmee vast dat de (tijdelijke) toewijzing van de echtelijke woning aan de ex-partner niets met huiselijk geweld te maken had, maar slechts een voorlopige voorziening was in het kader van de echtscheidingsprocedure. Met betrekking tot dit punt is de rechtbank daarom van oordeel dat eiser terecht stelt dat het door verweerder gebruikte “woningverbod”/“tijdelijk huisverbod”, dat naar aanleiding van huiselijk geweld worden opgelegd, een totaal andere betekenis heeft en een andere suggestie wekt dan hoort bij de aard van de hiervoor genoemde getroffen voorlopige voorziening.
Het feit dat eiser als gevolg van de voorlopige voorziening tijdelijk niet in de woning verbleef, maakt niet dat sprake was van een woningverbod. Verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank niet alleen om die reden niet volstaan met de enkele toevoeging dat hier sprake is van spreektaal. Uit de stukken blijkt namelijk, zoals eiser terecht stelt, dat het gebruik van deze 'spreektaal' in officiële documenten al verstrekkende gevolgen heeft gehad, waaronder de doorwerking in de tweede melding. In zijn reactie op het verweerschrift heeft eiser gemeld dat de door Veilig Thuis ingeschakelde maatschappelijk werker van [instelling] [gemeente] eiser bij voorbaat zag als agressor omdat uit aan hem verstrekte informatie zou blijken dat eiser geweld zou hebben gebruikt met een woningverbod tot gevolg. De rechtbank begrijpt dat ook deze doorwerking enorm belastend moet zijn voor eiser. Eiser heeft er daarom een gerechtvaardigd belang bij om de melding ook op dit punt te laten aanpassen, om een dergelijke doorwerking in de toekomst te voorkomen en om, waar mogelijk, die doorwerking ongedaan te laten maken.
Bovendien is de door verweerder gemaakte aanpassing - de zinsnede “niet in de woning mag zijn” - niet zo heel veel anders en binnen de totale context van de VT-melding, zoals die op dit moment luidt, feitelijk niet minder diffamerend dan “een woningverbod heeft”. De stelling van verweerder, dat de registraties voor intern gebruik zijn bedoeld en uitsluitend kunnen worden geraadpleegd door politiefunctionarissen, kan de rechtbank bovendien niet plaatsen. De eerste melding is met deze bewoordingen namelijk in ieder geval doorgegeven aan Veilig Thuis en deze instantie maakt geen deel uit van de politieorganisatie. In dit verband is ook van belang dat Veilig Thuis aan eiser te kennen heeft gegeven dat zij haar dossier niet verder kan aanpassen dan zij al heeft gedaan, omdat dit is wat zij van de politie heeft doorgekregen. Ook in zoverre heeft eiser dus een gerechtvaardigd belang bij een verdergaande aanpassing dan verweerder heeft voorgesteld.
De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat dat zij er geen bezwaar tegen heeft als de registratie op deze punten wordt aangepast in lijn met wat de familierechter heeft geoordeeld.
De conclusie is dat de beroepsgronden met betrekking tot de eerste melding slagen. De rechtbank zal het beroep in zoverre gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen. Zij zal verder met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat de melding op de hiervoor genoemde punten als volgt dient te worden aangepast in het systeem van verweerder:
“(...) Op vrijdag 01-02-2019 is er op politiebureau Noord aangifte gedaan door de moeder (...), van mishandeling en huisvredebreuk/lokaalvredebreuk gepleegd door de vader ([naam eiser]). Betrokkenen liggen in een scheiding, maar dit verloopt niet probleemloos. Vader heeft een woningverbod mede omdat er in huis teveel spanning hing waar zoon (...) nadeel aan ondervond. Deze voorlopige voorziening van woningverbod is opgelegd door de rechtbank te Rotterdam. In het kader van de echtscheidingsprocedure heeft de familierechter de echtelijke woning bij wijze van voorlopige voorziening tijdelijk toegewezen aan de moeder. Dit heeft niets te maken met huiselijk geweld.
Op 31-01-2019 kwam het tot een escalatie tussen beide ouders na een taxatie van het woonhuis. Vader heeft uit de schuur goederen gepakt en in zijn kofferbak van de auto gestopt en moeder wilde weten wat. Moeder zegt dat vader een mishandeling gepleegd heeft tegen haar, moeder zegt dat vader de achterklep opzettelijk en met kracht dichtgooide en toen de achterklep het achterhoofd van de moeder raakte. Moeder heeft naar eigen zeggen hier een beurse plek op haar achterhoofd aan overgehouden en hoofdpijn. Moeder zegt dat vader haar met zijn rechterhand beetgepakt heeft, bij haar linker bovenarm en naar achter geduwd. Moeder hield hier naar eigen zeggen een beurse plek op haar bovenarm aan over en last van haar rug.
Specificeer de betrokkenheid van de minderjarigen:
In de familie- of huiselijke kring van deze minderjarige heeft is aangifte gedaan van huiselijk geweld plaatsgevonden. waarbij dDe minderjarige was tijdens het geweld deze escalatie niet aanwezig was / was geen getuige was. (...)
De betrokkene (...) reageerde als volgt: Bang voor dader (ex man [naam eiser]).