Home

Rechtbank Rotterdam, 20-05-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:4071, 638018 / HA RK 22-477

Rechtbank Rotterdam, 20-05-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:4071, 638018 / HA RK 22-477

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20 mei 2022
Datum publicatie
25 mei 2022
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2022:4071
Zaaknummer
638018 / HA RK 22-477

Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen met bepaling dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze procedure niet meer in behandeling wordt genomen. De toelichtingsbrief c.q. het aanvraagformulier kort geding behoort niet tot het procesdossier en behoort niet tot de stukken op basis waarvan een beslissing in kort geding wordt genomen.

Op het verzoek tot het horen van een getuige zou bij kortgedingvonnis zou worden beslist.

De derde wrakingsgrond, dwalingen van de rechtbank omtrent de bewijslast van verzending, betreft geen bezwaren tegen de gewraakte rechter zelf en behoeft geen verdere bespreking.

De voorzieningenrechter heeft de zaak aangemerkt als spoedeisend. Beoordeling van een spoedeisend belang is een procesbeslissing van de rechter. Geen aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing.

Inmiddels het derde wrakingsverzoek in deze zaak. Verzoeker grijpt telkens naar het middel van wraking zodra een verzoek van hem niet wordt gehonoreerd dan wel zodra zich in zijn zaken enige andere omstandigheid voordoet die hem onwelgevallig is. Misbruik van het middel van wraking.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 638018 / HA RK 22-477

Beslissing van 20 mei 2022

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. S. van Buuren,

strekkende tot wraking van:

mr. Th. Veling, rechter in de rechtbank Rotterdam, team handel en haven (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 10 mei 2022 is door de rechter behandeld de vordering in kort

geding tussen Openbaar Lichaam Sociaal (hierna: OLS), bijgestaan door mr. J.C. Hol,

advocaat te Dordrecht, en verzoeker, bijgestaan door mr. S. van Buuren, advocaat te

‘s-Gravendeel. Die procedure draagt als kenmerk: C/10/637762 /KG ZA 22-355. Tijdens die behandeling heeft verzoeker de wraking van de rechter verzocht (hierna: het wrakingsverzoek van 10 mei).

Op 11 mei 2022 is verzoeker uitgenodigd voor de zitting van de wrakingskamer van 12 mei 2022, alwaar het wrakingsverzoek zou worden behandeld door mrs. A.M.H. Geerars, G.A.F.M. Wouters en W.P.M. Jurgens. Bij bericht van 11 mei 2022 heeft verzoeker deze wrakingskamer gewraakt (hierna: het wrakingsverzoek van 12 mei).

Bij beslissing van 17 mei 2022 heeft de wrakingskamer bestaande uit mrs. E. Rabbie, E.I. Mentink en A. Verweij het wrakingsverzoek van 12 mei afgewezen. Tevens is in deze beslissing bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de procedure met kenmerk C/10/637762 /KG ZA 22-355 niet in behandeling wordt genomen.

Op 18 mei 2022 is verzoeker opgeroepen voor de wrakingszitting van 20 mei 2022 voor de verdere behandeling van het wrakingsverzoek van 10 mei 2022. Verzoeker heeft daarop aangegeven verhinderd te zijn, zonder daarvoor een concrete en verifieerbare reden op te geven. Gelet op het spoedeisend karakter van de zaak is namens de wrakingskamer aangegeven dat de zaak ter zitting van 20 mei 2022 zou worden behandeld.Bij e-mail van 18 mei 2022 heeft verzoeker de wrakingskamer bestaande uit mrs. A.M.H. Geerars, G.A.F.M. Wouters en W.P.M. Jurgens opnieuw gewraakt (hierna: het wrakingsverzoek van 18 mei).

Bij brief van 18 mei 2022 is verzoeker de beslissing medegedeeld dat gelet op de uitspraak van de wrakingskamer in deze rechtbank van 17 mei 2022 – met toepassing van artikel 8, lid 2 onder g, in verbinding met artikel 8, lid 3, laatste twee volzinnen, van het

Wrakingsprotocol rechtbank Rotterdam – het wrakingsverzoek van 18 mei door de wrakingskamer zelf buiten behandeling wordt gelaten.

Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van 10 mei 2022.

Verzoeker en de rechter zijn uitgenodigd voor de zitting van 20 mei 2022 waarop het wrakingsverzoek van 10 mei 2022 is behandeld. De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief, ontvangen door de wrakingskamer op 12 mei 2022.

Ter zitting van 20 mei 2022 waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen de rechter en namens het OLS advocaat mr. J.C. Hol en mw. [naam] . Verzoeker is niet verschenen. De advocaat van verzoeker is met bericht van verhindering eveneens niet verschenen.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van de beslissing van de wrakingskamer van 17 mei 2022.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

1. Verzoeker heeft de toelichtingsbrief van mr. J.C. Hol, gevoegd bij het aanvraagformulier, niet gekregen, dus hij heeft een onvolledig procesdossier. Elke rechter die op basis van een onvolledig dossier rechtspreekt, moet een functioneringsgesprek krijgen.

2. Verzoeker wil zijn recht op een eerlijk proces kunnen uitoefenen door het horen van

de directeur van het OLS als getuige. Een getuigenverhoor is enerzijds om een schikking te beproeven en anderzijds om bewijs te leveren. De rechter hoort op te komen voor een eerlijk proces van verzoeker. Dat doet de rechter niet. De rechter heeft de tijd gehad om de directeur van het OLS alsnog op te roepen, maar heeft dit nagelaten. De rechter reageert niet op dit verzoek.

3. De rechtbank Rotterdam heeft tweemaal gedwaald met bewijslast van

de verzending. De wet biedt de mogelijkheid van verwijzing naar een andere rechtbank wanneer dat wenselijk is, daar is hier evident sprake van omdat de rechtbank Rotterdam in die zaken primair zelf ter discussie staat.

4. Verzoeker heeft als gevolg van te kwader trouw procederen door mr. Hol

onvoldoende voorbereidingstijd gehad in een zaak die al maanden loopt. Verzoeker betwist de spoedeisendheid van de zaak en de overhaaste zitting.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Ad 1

De rechter is niet betrokken geweest bij de planning van de onderhavige

kortgedingzitting. In het desbetreffende aanvraagformulier wordt verwezen naar

een bijgevoegde brief (de in het proces-verbaal bedoelde “toelichtingsbrief”).

Naar de rechter heeft begrepen (op het moment dat de zitting al was gepland) heeft naar

aanleiding van de ontvangst van dat formulier en die brief contact

plaatsgevonden tussen de griffie en de advocaat van eiser. Dit contact heeft er

kennelijk toe geleid dat die advocaat alsnog verhinderdata bij gedaagde heeft

opgevraagd. Daarna is een datum voor de zitting bepaald, waarbij toestemming

is verleend om op verkorte termijn te dagvaarden.

De rechter heeft geen kennis genomen van de inhoud van de brief. De rechter heeft zelfs niet gecheckt of de brief zich in zijn dossier bevond. Dat lijkt hem ook niet nodig,

omdat de brief niet behoort tot de stukken op basis waarvan de beslissing in het

kort geding moet worden genomen. Over díe stukken beschikt verzoeker, zo

heeft hij bij het begin van de zitting bevestigd.

De rechter voegt hieraan toe dat dat het in civiele dagvaardingszaken

(zoals het onderhavige kort geding) niet de rechtbank is die stukken aan partijen

ter beschikking stelt. Partijen dienen daar zelf zorg voor te dragen. Ook gelet

daarop ziet de rechter niet in dat het enkele feit dat verzoeker de desbetreffende brief niet

heeft gekregen een aanwijzing voor vooringenomenheid bevat.

Ad 2

Verzoeker heeft in reconventie gevorderd dat de directeur van eiser wordt

gehoord als getuige. Kennelijk meent verzoeker dat de rechter gehouden was deze

getuige al voorafgaand aan de zitting op te roepen zodat hij tijdens de zitting

aanwezig zou zijn om te worden bevraagd. De rechter begrijpt dit zo dat hij in de ogen

van verzoeker, door hiertoe niet over te gaan, de schijn van vooringenomenheid

heeft opgeroepen. Deze gedachtegang lijkt de rechter om allerlei redenen onjuist.

De wens om de getuige te horen maakt, deel uit van de reconventionele vordering.

De rechter ziet niet in hoe en op welke grondslag op dat deel van de vordering al voorafgaande aan de behandeling ter zitting – en dus de

uitroeping van de zaak zou kunnen zijn beslist, nog daargelaten het beginsel

van hoor en wederhoor. Zoals de rechter ook tijdens de zitting heeft gezegd, zal bij het

vonnis worden beslist op alle onderdelen van de vorderingen, dus ook op dit

punt. Overigens geldt ook hier dat het niet aan de rechtbank is om getuigen te

doen oproepen. Hoe de rechter de redenering van verzoeker ook bekijkt, hij ziet niet hoe

het achterwege laten van het oproepen van de getuige de schijn van

vooringenomenheid kan hebben opgeroepen.

Ad 3

De opmerkingen onder dit punt hebben kennelijk betrekking op beslissingen van

andere rechters. De kwestie van verwijzing naar een andere rechtbank is, voor

zover de rechter zich kan herinneren, niet eerder genoemd dan ter gelegenheid van het

noteren van de wrakingsgronden. In elk geval is een dergelijk verzoek niet

eerder gedaan. Alleen al gelet hierop kan ook op dit punt geen grond voor

wraking worden aangenomen.

Ad 4

De kwalificatie van het handelen van de advocaat van eiser laat de rechter voor rekening

van verzoeker. Juist is dat de zaak op verkorte termijn is gepland. Dat komt

overigens met grote regelmaat voor in de kortgedingpraktijk. Dat heeft bijna

altijd te maken met de aard van het geschil. In deze zaak ging het om een

dreigende executoriale beslaglegging op de rekening van een openbaar lichaam

(een samenwerkingsverband van gemeenten), hetgeen – volgens de eisende

partij – ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor het vanaf die rekening te

verrichten betalingsverkeer. In dergelijke (gestelde) omstandigheden wordt

vaker op verkorte termijn gepland. De rechter kan begrijpen dat deze planning voor de

nodige druk heeft gezorgd bij verzoeker en zijn advocaat om zich goed op de

zitting voor te bereiden. Dat is eigen aan procedures als deze. De rechter constateert dat

verzoeker via zijn advocaat tijdig voor de zitting een uitvoerige conclusie van

antwoord en eis in reconventie heeft ingediend en dat hij ook tijdens de zitting

zijn standpunt uitvoerig heeft toegelicht. Gelet op al deze omstandigheden kan

niet worden gezegd dat de planning op verkorte termijn de schijn van

vooringenomenheid heeft doen ontstaan.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechters door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is.

3.5

Ten aanzien van de eerste wrakingsgrond, een onvolledig procesdossier, overweegt de wrakingskamer als volgt.

De toelichtingsbrief c.q. het aanvraagformulier kort geding behoort niet tot het procesdossier en behoort niet tot de stukken op basis waarvan een beslissing in kort geding wordt genomen. Blijkens het proces-verbaal van 10 mei 2022 heeft de rechter dit ook aan verzoeker uitgelegd. Uit deze gang van zaken kan geen vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.

3.6

Ten aanzien van de tweede wrakingsgrond, schending van het recht op een eerlijk proces door het nalaten oproepen van de verzochte getuige, overweegt de wrakingskamer als volgt.

Het horen van de directeur van het OLS is door verzoeker gevorderd in reconventie, waarop door de rechter nog niet was beslist, maar waarop bij kortgedingvonnis zou worden beslist. De redenering van verzoeker dat de rechter de verzochte getuige al eerder had dienen op te roepen berust op een kennelijke misvatting. Ook uit deze gang van zaken kan geen vooringenomenheid van de rechter blijken.

3.7

Ten aanzien van de derde wrakingsgrond, dwalingen van de rechtbank Rotterdam omtrent de bewijslast van verzending, overweegt de wrakingskamer als volgt.

Nu deze wrakingsgrond geen bezwaren betreft tegen de gewraakte rechter zelf behoeft deze wrakingsgrond in dit kader geen verdere bespreking.

3.8

Ten aanzien van de vierde wrakingsgrond, het ten onrechte aangenomen spoedeisend belang c.q. te weinig voorbereidingstijd voor de verzoeker, overweegt de wrakingskamer als volgt.

De voorzieningenrechter heeft de zaak aangemerkt als spoedeisend. Beoordeling van een spoedeisend belang is een procesbeslissing van de rechter. Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige procesbeslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die procesbeslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing. Het is niet aan de wrakingskamer om de procesbeslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.

Dat kan anders zijn indien een aangevochten procesbeslissing zozeer onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring te geven is dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven en een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

In de door de rechter genomen procesbeslissing ziet de wrakingskamer geen aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing. Deze grond slaagt niet.

3.9.

. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen van de door de verzoeker aangedragen gronden voor de wraking slaagt. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

4 Misbruik van het wrakingsmiddel

5 De beslissing