Home

Rechtbank Rotterdam, 21-06-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5072, FT RK 22-202

Rechtbank Rotterdam, 21-06-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5072, FT RK 22-202

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21 juni 2022
Datum publicatie
24 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2022:5072
Zaaknummer
FT RK 22-202
Relevante informatie
Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 1

Inhoudsindicatie

Faillietverklaring. Hoewel is gesproken over de omzetting van de vorderingen in aandelen, is dit niet uitgewerkt in bindende afspraken. Daarmee staat de opeisbaarheid van de vorderingen vast. Stelling verweerster dat verkoop onderneming aan fabrikant K. een positieve wending zal brengen, is te weinig concreet. Het indienen van een WHOA-startverklaring (daags voor de zitting) schorst een faillissementsaanvraag niet.

Uitspraak

Team insolventie

Insolventienummer: [nummer]

Uitspraak: 21 juni 2022

VONNIS op het op 24 mei 2022 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Engels recht

TYRE GROUP UK LIMITED,

gevestigd te Groot-Brittannië,

aan de Woburn Read 11 te Eastville Bristol (Bs5 6TT),

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar buitenlands recht

JR WORLD LIMITED FZE,

gevestigd te Verenigde Arabische Emiraten,

in de Hamriyah Free Zone te Sharjah,

te dezer zake domicilie kiezende te Venlo,

aan de Deken van Oppensingel 130 (5911 AG),

verzoeksters,

advocaat: mr B.P.W. van Brink,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

T.T.I. TYRE TRADING INTERNATIONAL B.V.,

statutair gevestigd te Numansdorp (gemeente Hoeksche Waard),

kantoorhoudende te Numansdorp,

aan de Newtonstraat 4 (3281 NM),

verweerster,

advocaat: mr. W.Th. Van Dijk.

1 De procedure

De rechtbank heeft met toepassing van de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de Coronacrisis (hierna: TARIC), verzoeksters en verweerster op 24 mei 2022 schriftelijk geïnformeerd over de behandeling van onderhavig verzoekschrift ter zitting van 14 juni 2022 onder toezending van een formulier waarop verzoeksters en verweerster hun standpunt naar voren konden brengen, met de mededeling dat dit formulier uiterlijk voor 14:00 uur op de dag voorafgaande aan de behandeling door de griffie dient te zijn ontvangen.

Verzoeksters hebben bij e-mailberichten van 8 juni 2022, 13 juni 2022 en 14 juni 2022 voorafgaand aan de behandeling aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden, met bijvoeging van het telefoonnummer voor de zitting conform TARIC.

Verweerster heeft bij e-mailberichten van 13 juni 2022 en 14 juni 2022 voorafgaand aan de behandeling aan de rechtbank een verweerschrift en overige aanvullende stukken toegezonden, met bijvoeging van het telefoonnummer voor de zitting conform TARIC.

Ter zitting van 14 juni 2022 zijn, conform TARIC, in raadkamer telefonisch gehoord:

- mr. L.J.G.M. Kunzeler, advocaat van verzoeksters,

- [naam 1] , (middellijk) bestuurder van verzoeksters,

- [naam 2] , financieel adviseur van verzoeksters,

- [naam 3] , werkzaam bij verzoeksters,

- mr. W.Th. van Dijk, advocaat van verweerster,

- [naam 4] , (middellijk) bestuurder van verweerster.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Standpunten van partijen

Voor zover van belang is door partijen het volgende aangevoerd.

2.1

Standpunt verzoeksters

Verzoeksters hebben in het verzoekschrift gesteld dat zij elk een opeisbare vordering op verweerster hebben, uit hoofde van leveranties van autobanden en verstrekt leverancierskrediet. Verzoekster sub 1 heeft € 2.127.007,84‬ exclusief wettelijke rente en kosten te vorderen van verweerster; de vordering van verzoekster sub 2 bedraagt € 431.950,63 exclusief wettelijke rente en kosten. Verzoeksters stellen dat ondanks herhaalde sommaties nog steeds geen (volledige) betaling van verweerster is ontvangen. Daarnaast is sprake van meerdere schuldeisers, te weten: de bank, de Belastingdienst, Atradius en Falken, hetgeen door verweerster bij e-mailbericht van 27 mei 2022 is erkend. Dat verweerster aanvoert dat er afspraken zouden zijn gemaakt over omzetting van de vorderingen in aandelen van de onderneming van verweerster, is onjuist. Hoewel er gesproken is over deze mogelijkheid, heeft dit nimmer geleid tot bindende afspraken. Nu er op korte termijn geen zicht is op betaling van de vorderingen van verzoeksters, en er sprake is van meerdere schuldeisers, verkeert verweerster in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Verzoeksters persisteren derhalve bij hun verzoek tot faillietverklaring.

2.2

Standpunt verweerster

Verweerster heeft bij monde van haar advocaat het volgende aangevoerd. Zij stelt dat er met verzoeksters afspraken zijn gemaakt over de omzetting van de vorderingen in aandelen in de onderneming van verweerster. Omdat partijen daarover nog in gesprek zijn, in tegenstelling tot wat verzoeksters stellen, betwist zij de opeisbaarheid van de vorderingen. Verweerster voert aan dat het daarom niet passend van verzoeksters is om een faillissementsaanvraag in te dienen, en het in strijd is met de zorgplicht (zoals die bij banken ook geldt bij financieringen) om rauwelijks de leverancierskredieten stop te zetten. Dat verweerster actief inspanningen verricht om de onderneming uit het slop te trekken, blijkt uit het feit dat zij reeds gesprekken met een geïnteresseerde fabrikant van autobanden (Kenda) voert - teneinde deelname in dan wel overname van de onderneming van verweerster te onderzoeken -, en uit het feit dat op 13 juni 2022 bij de rechtbank Rotterdam een WHOA-startverklaring is gedeponeerd. Verweerster verzoekt de rechtbank derhalve het verzoek tot faillietverklaring af te wijzen.

3 De beoordeling

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl ten minste één vordering opeisbaar is.

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat summierlijk is gebleken van het bestaan van vorderingen van verzoeksters op verweerster. De rechtbank stelt verder vast dat, hoewel verzoeksters en verweerster hebben gesproken over de omzetting van de vorderingen in aandelen, dit niet is uitgewerkt in bindende afspraken. Daarmee staat de opeisbaarheid van de vorderingen vast. Verweerster wordt niet gevolgd in haar stelling dat het verzoeksters niet vrij zou staan over te gaan tot opeising van die vorderingen. Niet is gebleken van afspraken die zouden zijn gemaakt in dat verband terwijl op basis van de gedingstukken ook niet kan worden uitgegaan van een zorgplicht van verzoekers die aan (onmiddellijke) opeisbaarheid van de vorderingen in de weg zou staan. Op grond van het voorgaande staat ook de pluraliteit van schuldeisers vast, nog afgezien van het feit dat verzoeksters hebben gesteld dat er naast verzoeksters meer schuldeisers zijn en verweerster dat ook heeft erkend.

Wat de toestand van te hebben opgehouden te betalen betreft wordt het volgende overwogen. Vaststaat dat de vorderingen na herhaalde sommaties onbetaald zijn gebleven, en dat er ook geen zicht is op betaling. De stelling van verweerster dat de verkoop van de onderneming aan fabrikant Kenda een positieve wending zal brengen, is te weinig concreet. Kenda heeft slechts een kort e-mailbericht aan verweerster gestuurd waarin zij globaal haar interesse kenbaar maakt. Daaruit volgt niet dat de onderneming op korte termijn verkocht zal worden en de vorderingen van verzoeksters dan betaald zullen worden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende aannemelijk geworden dat verweerster verkeert in een toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.

Verweerster heeft daags voor de mondelinge behandeling van het verzoek een WHOA-startverklaring gedeponeerd. Zoals ter zitting ook besproken wordt daarmee de behandeling van een faillissementsaanvraag niet geschorst. Desgevraagd heeft verweerster verklaard dat de mogelijkheden voor een WHOA-traject worden onderzocht, maar dat er nog geen concrete verzoeken in voorbereiding zijn. De deponering van de startverklaring leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.

3 De beslissing