Home

Rechtbank Rotterdam, 21-07-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5959, ROT 21/513

Rechtbank Rotterdam, 21-07-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5959, ROT 21/513

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21 juli 2022
Datum publicatie
22 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2022:5959
Zaaknummer
ROT 21/513

Inhoudsindicatie

Parkeerbelastingzaak. Bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard; verzend- en ontvangsttheorie; belanghebbende heeft de terpostbezorging van de niet-aangetekend verzonden bezwaargronden met verzendadministratie aannemelijk gemaakt, terwijl verweerder het vermoeden van ontvangst daarvan niet ontzenuwd heeft. Het bezwaarschrift had daarom niet wegens het ontbreken van gronden niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard. Daarom is ook ten onrechte van het horen in bezwaar afgezien. Geen terugwijzing; de rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard omdat de verschuldigdheid van parkeerbelasting door bebording ter plaatse voldoende kenbaar was. Beroep gegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 21/513

(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),

en

(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ).

Procesverloop

Verweerder heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting met dagtekening 14 oktober 2020, vorderingsnummer [nummer] , aan eiseres opgelegd van in totaal € 67,00 (de naheffingsaanslag).

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 3 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2022 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op woensdag 30 september 2020 om 17:22 uur stond het voertuig met kenteken

[kentekennummer] (het voertuig) geparkeerd op de Frederikdwarsstraat in Rotterdam zonder dat er parkeerbelasting was betaald. Verweerder heeft daarom de naheffingsaanslag aan eiseres opgelegd. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

2. In geschil is of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder stelt dat eiseres geen gronden van bezwaar heeft ingediend. Eiseres bestrijdt dit.

2.1.

Eiseres stelt dat zij bij brief van 14 januari 2021 (hierna ook: de brief) de gronden van bezwaar heeft aangevuld en dat zij die brief dezelfde dag per gewone post aan verweerder heeft verzonden. Verweerder betwist de ontvangst van deze brief. In deze situatie is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat het stuk op het adres van verweerder is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het stuk op dat adres. Dit betekent dat eiseres in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:418). Onbetwist is dat de brief van 14 januari 2021 is geadresseerd aan het juiste adres van verweerder. Als bewijs van verzending van deze brief heeft eiseres een kopie van de verzendadministratie van het kantoor van haar gemachtigde overgelegd. Onder aan dit stuk staat een ondertekende verklaring van [persoon A] , dat zij de brief, waarvan het kenmerk overeenkomt met dat van de brief van 14 januari 2021, heeft ontvangen en ter post heeft aangeboden op 14 januari 2021. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat [persoon A] als secretaresse werkzaam is bij zijn kantoor en dat zij de brief bij een PostNL-punt heeft ingeleverd. Zij tekent de verzendadministratie zelf af omdat zij van het PostNL-punt desgevraagd geen bevestiging voor verzending per gewone post krijgt. Verweerder heeft deze gang van zaken niet gemotiveerd betwist. De enkele stelling van verweerder dat op de verzendadministratie slechts één brief staat vermeld en dat hij ook zelf zo’n verzend-overzicht kan maken is daarvoor onvoldoende. De rechtbank vindt dat eiseres met de verzendadministratie en de verklaring van [persoon A] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de brief op 14 januari 2021 naar het juiste adres is verzonden. Voor dit oordeel vindt de rechtbank ook steun in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5541, waarin het gerechtshof de terpostbezorging op basis van een zelfde verzendadministratie aannemelijk heeft geacht.

2.2.

Wat hiervoor is overwogen, rechtvaardigt het vermoeden dat de brief op het adres van verweerder is ontvangen. Vervolgens ligt het op de weg van verweerder om dit vermoeden te ontzenuwen (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:418). In wat verweerder aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat aan de ontvangst van de brief op zijn adres redelijkerwijs moet worden getwijfeld. De enkele ontkenning van ontvangst is daarvoor onvoldoende. Ook de stelling van verweerder dat eiseres geen ontvangstbewijs van een aangetekende verzending heeft geleverd, kan verweerder niet baten. Uit de dossierstukken en wat op de zitting naar voren is gebracht blijkt niet dat de brief (ook) aangetekend is verzonden en er is geen rechtsregel die zegt dat dat moet.

2.3.

Gelet op wat hiervoor onder 2.1 en 2.2 is overwogen moet het ervoor worden gehouden dat verweerder de brief van 14 januari 2021 kort na de verzending hiervan heeft ontvangen. Vanwege de in die brief opgenomen bezwaargronden is het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

4. Partijen hebben op de zitting ermee ingestemd om de zaak niet terug te wijzen naar verweerder. De rechtbank zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen en bekijken of zij zelf in de zaak kan voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5. In geschil is of verweerder de verschuldigdheid van parkeerbelasting in de Frederikdwarsstraat in Rotterdam door middel van bebording voldoende kenbaar heeft gemaakt.

5.1

Voor een parkeerder moet voldoende duidelijk zijn aangegeven dat parkeerbelasting moet worden betaald, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een parkeerautomaat of bebording bij de plaats waar geparkeerd kan worden of in de naaste omgeving daarvan. Dit moet op een zodanige manier zijn gedaan, dat daarover redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Daarbij geldt een onderzoeksplicht. Van de parkeerder mag worden verwacht dat hij bij aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of voor het ter plekke parkeren parkeerbelasting verschuldigd is. Dit houdt in dat hij, voordat hij parkeert, oplet of hij een bord ‘betaald parkeren’ of een parkeerautomaat passeert, en dat hij, nadat hij heeft geparkeerd, enige inspanning verricht om te onderzoeken of voor het ter plekke parkeren parkeerbelasting is verschuldigd (vergelijk de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 8 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:90).

5.2.

Verweerder heeft op de zitting op een laptop de bij de controle gemaakte foto’s getoond die ook in het dossier zitten, maar dan van een betere beeldkwaliteit. De rechtbank heeft waargenomen dat op die foto’s achter het voertuig een bord staat. Verweerder heeft toegelicht dat op dit bord het zonenummer, de dagen en de tijden staan vermeld waarvoor parkeerbelasting is verschuldigd. De stelling van de gemachtigde van eiseres dat hij het bord niet kent, is geen gemotiveerde betwisting van wat volgens de toelichting van verweerder op het bord te zien is. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder voldoende kenbaar heeft gemaakt dat op de plek en het tijdstip waar het voertuig stond geparkeerd parkeerbelasting betaald moest worden. Op het moment dat eiseres daar het voertuig parkeerde, had zij dus van deze betalingsverplichting op de hoogte kunnen en moeten zijn. De enkele stelling van eiseres dat zij geen borden heeft zien staan, neemt niet weg dat het bord achter het voertuig stond en dat zij dit bord bij enig onderzoek had kunnen opmerken.

5.3.

Nu verweerder de verplichting tot het voldoen van parkeerbelasting voldoende kenbaar heeft gemaakt terwijl eiseres geen parkeerbelasting heeft voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

Griffierecht

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 49,- vergoeden.

Proceskosten

7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.

7.1.

Proceshandelingen

De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, telkens met een waarde per punt van € 759,-). Omdat de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaart, bestaat geen aanleiding om ook voor de indiening van het bezwaarschrift een punt toe te kennen.

7.2.

Wegingsfactor

Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid. De uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. In parkeerbelastingzaken wordt uitgegaan van wegingsfactor 0,5 (vergelijk de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 17 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:509). Dit is een eenvoudige zaak waarin het gaat over de vraag of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of hij de verschuldigdheid van parkeerbelasting voldoende kenbaar heeft gemaakt. De beperkte bewerkelijkheid en gecompliceerdheid van deze zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener, geven de rechtbank geen aanleiding om in dit geval een andere wegingsfactor dan 0,5 toe te passen. Het totaalbedrag aan proceskosten komt hiermee op (€ 1.518,- × 0,5 =) € 759,-.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit;

-

verklaart het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 759,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2022.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?