Rechtbank Rotterdam, 11-01-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:228, C/10/631948 / HA ZA 22-55
Rechtbank Rotterdam, 11-01-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:228, C/10/631948 / HA ZA 22-55
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 11 januari 2023
- Datum publicatie
- 19 januari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2023:228
- Zaaknummer
- C/10/631948 / HA ZA 22-55
Inhoudsindicatie
Overeenkomst tot procesfinanciering. Schending informatieverplichting. Bestuurdersaansprakelijkheid.
Uitspraak
vonnis
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/631948 / HA ZA 22-55
Vonnis in verzet van 11 januari 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LIESKER PROCESFINANCIERING B.V.,
gevestigd te Breda,
eiseres in conventie,
geopposeerde in het verzet,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. P.J.M. Boomaars te Breda,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf A] ,
gevestigd te [vestigingsplaats A] ,
gedaagde in conventie,
opposante in het verzet,
eiseres in reconventie,
2. [persoon A],
wonende te [woonplaats A] ,
gedaagde in conventie,
opposant in het verzet,
advocaat voorheen mr. Y. Ersoy te Amsterdam, thans niet langer in rechte vertegenwoordigd.
Partijen zullen hierna Liesker en [bedrijf A] c.s. genoemd worden. Afzonderlijk worden [bedrijf A] c.s. aangeduid als [bedrijf A] en [persoon A] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 7 september 2021, met producties 1 tot en met 12;
- -
-
het onder zaaknummer C/10/625739 / HA ZA 21-837 gewezen verstekvonnis van 27 oktober 2021;
- -
-
de verzetdagvaarding van 17 december 2021, waarin tevens een eis in reconventie is ingesteld, met producties 1 tot en met 11;
- -
-
de brief van de rechtbank van 10 februari 2022, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;
- -
-
de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 13 tot en met 15;
- -
-
de brief van [bedrijf A] c.s. van 27 mei 2022, waarbij de eis in reconventie is gewijzigd en producties 12 tot en met 14 zijn overgelegd.
Op 31 mei 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van de rechter mr. J.B. Smits. Beide partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Ter zitting van 31 mei 2022 heeft de advocaat van [bedrijf A] c.s. wraking van de rechter verzocht. Van dat verzoek is proces-verbaal opgemaakt. Bij beslissing van 15 juli 2022 heeft de meervoudige kamer voor wrakingszaken van deze rechtbank het verzoek toegewezen.
Bij brief van 27 juli 2022 zijn partijen opgeroepen voor een nieuwe mondelinge behandeling.
Op 21 september 2022 heeft de advocaat van [bedrijf A] c.s. zich onttrokken. Hoewel daartoe gelegenheid is geboden, heeft zich voor [bedrijf A] c.s. geen nieuwe advocaat gesteld.
Op 29 november 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van de rechter mr. C. Bouwman. [bedrijf A] c.s. zijn daarbij niet verschenen. Van de mondelinge behandeling is geen proces-verbaal opgemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
In 2016 heeft de Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder het Rijksvastgoedbedrijf (hierna: RVB), een openbare biedingsprocedure georganiseerd voor de verkoop van een perceel bouwgrond met ontwikkel- en bouwplicht in Amsterdam.
[bedrijf A] heeft namens een combinatie van drie partijen, te weten Mazabi Gestión S.L., Ten Brinke Bouw B.V. en Bakels en Ouwerkerk Bouwgroep B.V. (hierna gezamenlijk: de combinatie, of elk afzonderlijk: Mazabi, Ten Brinke en Bakels) deelgenomen aan de biedingsprocedure.
Bij brief van 15 juni 2017 heeft de bij de biedingsprocedure betrokken notaris onder meer het volgende geschreven aan [bedrijf A] :
“(...) Onder dankzegging namens het Rijksvastgoedbedrijf (“RVB”) voor uw deelname aan de verkoopprocedure (...) heeft het RVB mij verzocht u mede te delen dat het object niet aan de combinatie, bestaande uit Mazabi Gestión S.L., Ten Brinke Bouw B.V. en Bakels en Ouwekerk Bouwgroep B.V., is gegund.
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft gegund aan de partij die in deze verkoopprocedure de meest aanvaardbare bieding heeft uitgebracht. (...)”
Het door de combinatie uitgebrachte bod was hoger dan het bod van de partij aan wie het project is gegund.
Op 25 januari 2019 is tussen Liesker en [bedrijf A] een overeenkomst inzake procesfinanciering (hierna: de overeenkomst) gesloten. De overeenkomst had betrekking op de financiering door Liesker van een door [bedrijf A] tegen RVB te voeren procedure wegens onregelmatigheden bij voornoemde biedingsprocedure. De overeenkomst is namens [bedrijf A] ondertekend door haar bestuurder [persoon A] .
In de overeenkomst staat onder meer het volgende:
“(...) Verklaren en zijn overeengekomen als volgt:
Voor een succesvolle afwikkeling van de Vordering is een nauwe samenwerking vereist tussen de Cliënt [ [bedrijf A] ; rechtbank], Liesker Procesfinanciering en de in te schakelen advocaat en overige deskundigen. Partijen verplichten zich jegens elkaar tot een loyale samenwerking en verplichten zich meer in het bijzonder om elkaar volledig en tijdig te informeren omtrent alle omstandigheden, die voor een succesvolle afwikkeling van de Vordering van belang kunnen zijn. (...)
De Cliënt verklaart dat:
(...) Er naast de stukken en andere informatie die Cliënt aan Liesker Procesfinanciering ter beschikking heeft gesteld ter beoordeling van de zaak geen stukken of feiten opzettelijk zijn achtergehouden, zodat Cliënt verklaart naar eer en geweten dat hij de feiten zowel voor wat betreft de hoogte van de Vordering, als voor wat betreft de achtergronden volledig en waarheidsgetrouw aan Liesker Procesfinanciering kenbaar heeft gemaakt. (...)
Bij schending van enige verklaring en/of garantie als bedoeld in dit artikel, is Cliënt jegens Liesker Procesfinanciering aansprakelijk voor de schade. De schade is gelijk aan een boete van € 50.000,- alsmede alle gemaakte kosten als bedoeld in artikel 3. (...)
Indien Liesker Procesfinanciering de Overeenkomst op grond van artikel 9.2 of 9.4 middels opzegging tussentijds beëindigd, is de Cliënt gerechtigd de procedure voort te zetten of schikkingsonderhandelingen aan te gaan/voort te zetten en een andere procesfinancier te contracteren teneinde de procedure voor te kunnen zetten. Vanaf de datum van opzegging zijn alle kosten voor rekening van de Cliënt.
Liesker is dan verplicht het pandrecht bedoeld in artikel 5 te beëindigen. De Cliënt is dan verplicht om medewerking te verlenen aan het vestigen van een nieuw pandrecht tot zekerheid voor (maximaal) de aanspraken van Liesker Procesfinanciering genoemd in artikel 9.4. Indien Liesker Procesfinanciering het in artikel 5 genoemde pandrecht niet binnen twee weken na opzegging heeft beëindigd verbeurt zij een direct opeisbare boete van € 100.000,-- onverminderd het recht van Cliënt op vergoeding van de geleden schade. (...)”
Door de toenmalige advocaat van [bedrijf A] is voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst ten behoeve van Liesker een legal opinion geschreven, zodat Liesker een gedegen afweging kon maken of zij de overeenkomst met [bedrijf A] wel of niet zou sluiten. In deze legal opinion staat onder meer:
“(...) [bedrijf A] heeft de Staat daarom per e-mail om nadere toelichting gevraagd. In reactie op het verzoek om aanvullende informatie van [bedrijf A] , weigerde de Staat zijn gunningsbeslissing nader te onderbouwen. De Staat herhaalde enkel dat hij had gegund aan de partij die de meest aanvaardbare bieding heeft uitgebracht.
(...)
[bedrijf A] heeft derhalve nog altijd geen informatie over de beweegredenen van de
Staat om het perceel aan een ander te verkopen.(...)”
Bij brief aan RVB van 2 juni 2020 heeft [bedrijf A] zich op het standpunt gesteld dat RVB heeft gehandeld in strijd met de regels van de openbare biedprocedure. [bedrijf A] heeft RVB aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van dat handelen door haar geleden schade.
Op 16 juli 2020 heeft RVB inhoudelijk gereageerd op de brief van 2 juni 2020. RVB heeft elke aansprakelijkheid betwist. Bij deze brief zijn 19 bijlagen gevoegd, onder meer betreffende e-mailcorrespondentie tussen de bij de biedingsprocedure betrokken notaris en [persoon A] namens [bedrijf A] in de periode mei/juni 2017, alsmede brieven van Ten Brinke en Bakels van 14 mei 2017, 16 mei 2017 en 29 mei 2017 aan die notaris.
In de brief van Ten Brinke aan de notaris van 14 mei 2017 staat onder meer het volgende:
“(...) Door [bedrijf A] zijn bij u twee biedingen uitgebracht op het grondstuk. Ten Brinke Bouw BV is de beoogd aannemer die in opdracht van [bedrijf A] de ontwikkeling zal kunnen bouwen en heeft in dat verband referenties afgegeven. Op basis van de aanmelding/biedingen zou de indruk kunnen bestaan dat de bieding mede is uitgebracht namens en in volmacht van Ten Brinke Bouw BV. Dit is niet het geval. [bedrijf A] heeft de biedingen voor eigen rekening en risico gedaan en niet op basis van volmacht namens Ten Brinke Bouw BV. Ten Brinke is geen partij bij de biedingen en evenmin aan te merken als partij bij de combinatie van (rechts)personen. (...)
De inhoud van deze brief is door [bedrijf A] voor akkoord bevonden. (...)”
In de brief van Ten Brinke aan de notaris van 16 mei 2017 staat onder meer het volgende:
“(...) De biedingen die door [bedrijf A] . zijn uitgebracht op het grondstuk, zijn niet uitgebracht namens en in volmacht van Ten Brinke Bouw B.V. [bedrijf A] . heeft de biedingen voor eigen rekening en risico gedaan zonder ons daarin te kennen en zonder daarvoor vooraf onze instemming te vragen. De biedingen hebben niet plaatsgevonden op basis van geldige en toereikende volmacht namens Ten Brinke Bouw B.V. Als er al een rechtsgeldige volmacht is afgegeven, had [bedrijf A] . niet de volmacht om namens ons deze biedingen te doen. Een eventuele volmacht aan [bedrijf A] . is tot stand gekomen onder invloed van een wilsgebrek en/of dwaling en deze wordt hierbij door Ten Brinke Bouw B.V. vernietigd. Voor zover deze volmacht nog zou bestaan, wordt deze hierbij herroepen. (...)”
In de brief van Bakels aan de notaris van 29 mei 2017 staat onder meer het volgende:
“(...) Hierbij willen wij u in kennis stellen dat wij de door ons afgegeven volmacht (...) intrekken inzake het perceel Oostenburgermiddenstraat te Amsterdam. Eveneens delen wij u mede dat wij niet mee doen in de biedingsronde. (...)”
In een e-mail van de notaris aan [persoon A] van 8 juni 2017 staat onder meer het volgende:
“(...) Overigens hecht het Rijksvastgoedbedrijf er aan op te merken dat zij - ondanks herhaaldelijk verzoek - nimmer de verzochte informatie of bevestiging(en) van u heeft ontvangen waaruit blijkt dat de deelnemers namens wie u de biedingen heeft uitgebracht, deze biedingen bevestigen en met de gevolgen hiervan, die ik reeds eerder in een e-mail op 22 mei jl. heb verwoord, instemmen. Gelet hierop zal het Rijksvastgoedbedrijf zich bij haar afwegingen omtrent de gunning baseren op de haar thans bekende gegevens. (...)”
De toenmalige advocaat van [bedrijf A] heeft in een e-mail van 17 juli 2020 aan [bedrijf A] en Liesker onder meer het volgende geschreven:
“(...) De staat heeft per brief inhoudelijk gereageerd. (...) Ik heb de brief en bijbehorende bijlagen inmiddels gelezen. Voor mij was een groot deel van de informatie nieuw. Indien de inhoud van de brief juist is, dan zet dit de zaak mogelijk toch wel in een ander perspectief. (...)”
Liesker heeft bij e-mail van 28 juli 2020 onder meer het volgende geschreven aan [bedrijf A] :
“(...) Inmiddels hebben wij het antwoord van Pels Rijken [de advocaat van RVB; rechtbank] alsmede de daarbij ingestuurde bijlages bestudeerd.
Van al deze bijlages waren er slechts enkele bij ons bekend, terwijl het daarbij handelt over schriftelijke communicatie tussen [bedrijf A] enerzijds en de notaris anderzijds, die al die tijd in jouw bezit is geweest.
Niet alleen waren wij hiervan niet op de hoogte, maar ook de door jou aangezochte advocaat kende deze stukken niet, terwijl deze stukken een totaal ander licht op de zaak werpen.
Helaas moeten we vaststellen, dat je in ieder geval ons willens en wetens onjuist en onvolledig hebt ingelicht, zodat wij hierbij een beroep doen op het bepaalde in artikel 1.4 van onze overeenkomst. Op grond van dit artikel ben je verplicht om de door ons gemaakte kosten te vergoeden vermeerderd met een boete van € 50.000,-. (...)
Gezien de thans gebleken feiten staat daarnaast wel vast dat een eventuele procedure tegen de Staat op voorhand kansloos is, zodat wij ook hebben besloten om geen verdere kosten meer te financieren. (...)”
Bij e-mail van 24 september 2020 heeft Liesker aan [bedrijf A] medegedeeld dat de door haar gefinancierde kosten € 32.767,02 bedragen.
3. Het geschil
Liesker heeft in de verstekprocedure gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
-
de overeenkomst partieel te ontbinden, namelijk voor zover het betreft de eventuele verbintenissen van Liesker tot het verstrekken van procesfinanciering voor de periode na 28 juli 2020;
-
[bedrijf A] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 82.767,02, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 28 juli 2020 tot en met de dag van algehele voldoening;
-
[bedrijf A] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.602,67 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot en met de dag van algehele voldoening;
-
[bedrijf A] c.s. te veroordelen in de kosten van de procedure.
Liesker voert, kort gezegd, aan dat [bedrijf A] c.s. opzettelijk een onjuiste en onvolledige voorstelling van zaken hebben gepresenteerd, door voor de beoordeling van de zaak wezenlijke informatie achter te houden. [bedrijf A] is daarmee toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op grond van artikel 1.2 van de overeenkomst op haar rustende verplichting. Liesker komt het recht toe de overeenkomst partieel te doen ontbinden door de rechtbank (voor zover het de verbintenissen van Liesker tot het verstrekken van procesfinanciering na 28 juli 2020 betreft). Op grond van artikel 1.4 van de overeenkomst maakt Liesker jegens [bedrijf A] aanspraak op de boete van € 50.000,00 en de door haar gemaakte kosten van € 32.767,02. [persoon A] treft als bestuurder van [bedrijf A] een persoonlijk ernstig verwijt, zodat ook hij aansprakelijk is.
Bij het verstekvonnis van 27 oktober 2021 zijn de vorderingen van Liesker integraal toegewezen en zijn [bedrijf A] c.s. veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Liesker tot de dag van de uitspraak vastgesteld op in totaal € 3.288,52.
[bedrijf A] c.s. vorderen in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van Liesker alsnog worden afgewezen, met veroordeling van Liesker, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de verzetprocedure, te vermeerderen met nakosten en met wettelijke rente.
Daartoe voeren [bedrijf A] c.s., kort gezegd, aan dat van een opzettelijke onjuiste en onvolledige informatieverstrekking jegens Liesker geen sprake is geweest.
in reconventie
De eis in reconventie (die is aangepast in die zin, dat deze is ingesteld door alleen [bedrijf A] en niet (ook) door [persoon A] ) luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
-
te verklaren voor recht dat Liesker de overeenkomst ten onrechte partieel heeft ontbonden jegens [bedrijf A] ;
-
te verklaren voor recht dat Liesker haar verplichtingen in de overeenkomst, in het bijzonder artikel 9.5, heeft geschonden jegens [bedrijf A] ;
-
Liesker te veroordelen tot betaling van een boete van € 100.000,00 aan [bedrijf A] ;
-
Liesker te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten aan [bedrijf A] ;
-
Liesker jegens [bedrijf A] te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met nakosten en met wettelijke rente.
Naast haar verweer in conventie heeft [bedrijf A] daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat Liesker haar verplichtingen uit artikel 9.5 van de overeenkomst niet is nagekomen en daarom de in dat artikel bedoelde boete verschuldigd is.
Liesker voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering in reconventie, met veroordeling van [bedrijf A] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen. Zij voert daartoe, kort gezegd, dezelfde gronden als in conventie aan.
in conventie en in reconventie
Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.