Rechtbank Rotterdam, 31-03-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2791, 20/2954
Rechtbank Rotterdam, 31-03-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2791, 20/2954
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 31 maart 2023
- Datum publicatie
- 4 april 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2023:2791
- Zaaknummer
- 20/2954
Inhoudsindicatie
Bestuurlijke boete vanwege feitelijk leidinggeven aan overtreding van artikel 115q BGfo en artikel 4:37p Wft door onderneming. De rechtbank heeft de boete gematigd vanwege de kortere overtredingsperiode, het niet tegenwerpen van 1 overtreding ten opzichte van de twee andere feitelijk leidinggevenden. Beroep gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/2954
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM),
(gemachtigden: mr. A.J. Boorsma en mr. S.O. Visch).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de door de AFM aan hem opgelegde bestuurlijke boete van € 50.000,- wegens feitelijk leidinggeven aan de overtreding van artikel 115q van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) gelezen in samenhang met artikel 4:37p van de Wet op het financieel toezicht (Wft) door [onderneming] ( [onderneming] ).
Met het bestreden besluit van 12 mei 2020 heeft de AFM het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De AFM heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser heeft op 20 november 2020 en 8 april 2021 repliek en aanvullende gronden ingediend.
De AFM heeft 2 juli 2021 dupliek ingediend.
De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig met de zaken ROT 20/3122 en ROT 20/3323 op 22 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam 1] ( [naam 1] ), [naam 2] ( [naam 2] ) en de gemachtigden van de AFM, vergezeld door [medewerker 1] , [medewerker 2] en [medewerker 3] , allen werkzaam bij de AFM.
In de zaken ROT 20/3122 en ROT 20/3323 wordt separaat uitspraak gedaan.
Voor zover eiser heeft verwezen naar de gronden van [naam 1] en [naam 2] en deze ook relevant zijn geacht voor eiser zijn deze verwerkt in onderhavige uitspraak.