Rechtbank Rotterdam, 28-04-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3663, ROT 23/2681, ROT 23/2682 en ROT 23/2683
Rechtbank Rotterdam, 28-04-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3663, ROT 23/2681, ROT 23/2682 en ROT 23/2683
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 28 april 2023
- Datum publicatie
- 29 april 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2023:3663
- Zaaknummer
- ROT 23/2681, ROT 23/2682 en ROT 23/2683
Inhoudsindicatie
De coördinerende rol van het college is van toepassing indien telecomaanbieders zich min of meer tegelijkertijd melden om hun glasvezelnetwerk uit te rollen in de gemeente. Het door het college bieden van gelijke kansen zal dan moeten worden afgewogen tegen de publieke belangen, zoals het beperken van overlast. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet de voorwaarde ‘In combi aanleggen, overlast omwonenden/hulpdiensten beperken’ die is opgenomen in het aan ODF afgegeven instemmingsbesluit worden begrepen in het licht hiervan. Nog daargelaten of het college de voorwaarde mag stellen dat telecomaanbieders uitsluitend in samenwerking en tegelijkertijd een glasvezelnetwerk mogen aanleggen, geldt dat het doel van het ‘in combi’ aanleggen blijkens het instemmingsbesluit is gericht op het beperken van overlast van omwonenden en het beperken van overlast voor hulpdiensten. Deze voorwaarde mag dus niet worden aangegrepen als een middel om de concurrentie te beperken. Een dergelijke toepassing van dit voorschrift komt neer op misbruik van een bevoegdheid. De voorwaarde dat in combinatie wordt aangelegd, kan dan ook alleen gelden indien er zich tegelijkertijd meerdere aanbieders hebben gemeld die ook min of meer gelijktijdig hun glasvezelnetwerk wensen uit te rollen in hetzelfde gebied. Een dergelijk situatie doet zich hier niet voor. Verder meent de voorzieningenrechter dat het college in haar verweer op een oneigenlijke manier schermt met het Didam-arrest. Dat er belangstelling van andere partijen is met betrekking tot de gronden waarop de door DFN gewenste POP-locaties zouden moeten worden gesitueerd, heeft het college niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het gelijkheidsbeginsel dat ten grondslag ligt aan het Didam-arrest met voorrang moet worden toegepast bij de gebruikmaking van artikel 5.4 Telecommunicatiewet. De voorzieningenrechter acht de handelwijze van het college in strijd met het verbod van misbruik van bevoegdheid (artikel 3:3 Awb) en in strijd met het gelijkheidsbeginsel (dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen), omdat het college aan ODF in strijd met de periode waarop de instemming ziet in feite graafrust oplegt met het oogmerk haar eigen diensten te bevoordelen. Een voorlopige voorziening wordt getroffen die ertoe strekt dat ODF per 1 mei 2023 haar glasvezelnetwerk in de gemeente mag uitrollen.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/2681, ROT 23/2682 en ROT 23/2683
Open Dutch Fiber B.V., uit Bunnik, verzoekster
(gemachtigde: mr. drs. D.P. Kuipers en mr. J. van Roosmalen)
en
het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam, het college
(gemachtigde: mr. S. Smit)
Inleiding
1. In deze zaak is sprake van een geschil over graafwerkzaamheden die ODF wil verrichten in de gemeente voor de uitrol van haar glasvezelnetwerk. Het geschil ziet daar op dat ODF weliswaar beschikt over een instemmingsbesluit van 12 juli 2022 als bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet (Tw), met een gelding voor de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023, maar dat het college geen goedkeuring heeft verleend voor de start van de voorgenomen werkzaamheden op 18 april 2023, omdat het de eis stelt dat sprake moet zijn van een gecombineerde aanleg met twee andere aanbieders, te weten Delta Fiber Netwerk B.V. (DFN) – die heeft verklaard niet als derde partij te willen deelnemen aan de procedure omdat zij niet van plan is op korte termijn haar glasvezelnetwerk uit te rollen – en eigen diensten van de gemeente (eigen diensten), die nog niet gereed zijn.
2. De verzoeken om voorlopige voorziening van ODF van 17 april 2023 zien op de volgende samenhangende besluiten van het college:
-
de afkeuring van 6 april 2023 van de startmelding van ODF;
-
de weigering van 6 maart 2023 tot intrekking van de eerder aan de eigen diensten verleende instemming;
-
de beslissing op bezwaar van 6 maart 2023 tot het niet-ontvankelijk verklaren van ODF in haar bezwaren tegen de eerder aan de eigen diensten verleende instemming;
-
het onderliggende eigen instemmingsbesluit van het college van 23 december 2021.
Tegen het besluit onder iii heeft ODF voorts beroep ingesteld en tegen de overige besluiten heeft zij bezwaar gemaakt.
3. Het college heeft een verweerschrift – door hem zienswijze genoemd – ingediend waarop ODF heeft gereageerd.