Rechtbank Rotterdam, 25-01-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:576, C/10/638397 / HA ZA 22-422
Rechtbank Rotterdam, 25-01-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:576, C/10/638397 / HA ZA 22-422
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 25 januari 2023
- Datum publicatie
- 3 februari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2023:576
- Zaaknummer
- C/10/638397 / HA ZA 22-422
Inhoudsindicatie
Bodemverontreiniging. Vordering vernietiging overeenkomst en schadevergoeding. Grondslagen: dwaling, bedrog, onrechtmatige daad. Afwijzing vorderingen wegens verjaring.
Uitspraak
vonnis
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/638397 / HA ZA 22-422
Vonnis van 25 januari 2023
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres01] ,
gevestigd te [vestigingsplaats01] ,
2. [eiseres02] voorheen handelend onder de naam [handelsnaam01] ,
wonende te [woonplaats01] ,
eiseressen,
advocaat mr. L.L. Metselaar te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SHELL NEDERLAND VERKOOPMAATSCHAPPIJ B.V. ,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. J.A.M.A. Sluysmans te Den Haag.
Eiseressen worden hierna afzonderlijk [eiseres01] en [eiseres02] genoemd en gezamenlijk [eiseressen01] Gedaagde wordt hierna Shell genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 3 maart 2022, met producties 1 tot en met 16;
- -
-
het herstelexploot van 26 april 2022;
- -
-
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5;
- -
-
de akte inbrengen productie van Shell, met productie 6;
- -
-
de aanvullende producties 17 en 18 van [eiseressen01] ;
- -
-
de mondelinge behandeling van 21 november 2022.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[naam01] (hierna: [naam01] ) is van 30 september 1977 tot 31 december 1997 bestuurder geweest van [eiseres01] . De vennootschap is per 31 december 1997 ontbonden. [naam01] is tevens bestuurder geweest van de besloten vennootschap [bedrijf01] (hierna: [bedrijf01] ). De vennootschap is per 25 september 2009 ontbonden.
Centraal in deze zaak staat een perceel grond gelegen aan het adres [adres01] te [naam02] , kadastraal bekend als gemeente Enschede [sectie01] nummer [nummer01] (hierna: het perceel). Het perceel heeft een oppervlakte van 1.451 m2 en omvat een flatgebouw met woningen, garageboxen, bergingen en een benzinestation.
Het perceel was eigendom van Nationale Nederlanden B.V. (hierna: NN). Shell huurde een deel van het perceel met daarop een benzinestation. Het benzinestation werd geëxploiteerd door [bedrijf01] .
In de periode vanaf 1989 tot en met 1993 zijn in opdracht van Shell bodemonderzoeken verricht door de besloten vennootschap Milieubedrijf Heidemij Advies B.V. (hierna: Heidemij). Heidemij heeft in maart 1989, juni 1993 en november 1993 rapporten uitgebracht. In deze rapporten wordt de aard en de omvang van de zich op/onder het perceel bevindende bodem- en grondwaterverontreiniging weergegeven.
Op 22 maart 1994 heeft [eiseres01] het perceel van NN gekocht. Het perceel is op 26 juli 1994 geleverd aan [bedrijf01] in de hoedanigheid van lastgever van [eiseres01] .
[eiseres01] en [bedrijf01] zijn met Shell op 21 april 1994 een dealerovereenkomst aangegaan. Daarnaast zijn [eiseres01] en [bedrijf01] met Shell huur en wederhuur overeengekomen van het gedeelte van het perceel dat Shell eerder van NN huurde.
In artikel 3.a van de dealerovereenkomst (hierna: de afkoopbepaling) is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
“ 3.a Afkoop milieuvervuiling
Wij zijn met u overeengekomen dat wij ter finale afdoening van onze eventuele aansprakelijkheid terzake van de vervuiling van grond en/of grondwater op en nabij het verkooppunt aan u zullen voldoen de somma van fl. 205.000,= (...). U verplicht zich met inachtneming van het bepaalde in de AMVB voor tankstations zelf voor sanering van grond en grondwater zorg te dragen. Uitbetaling van dit bedrag zal plaatsvinden nadat de hieronder bedoelde zekerheid is gesteld. U vrijwaart ons van eventuele aanspraken van derden terzake van de hiervoor bedoelde verontreiniging, aanspraken van de overheid daaronder uitdrukkelijk begrepen .”
Op 24 juni 1994 heeft [naam01] het volgende faxbericht aan [naam03] van NN verstuurd. De inhoud luidt – voor zover van belang – als volgt:
“Shell geeft een vergoeding voor ± 550 m2 reinigen in 1998. Overige grond ± 903 m2 grond welke niet gecontroleerd is wil Shell voor de verkoper laten, zodat er geen zicht is op eventuele vervuiling dan wel de kosten voor het opruimen. Rapport voor de 550m2 grond zal ik u toe laten komen.”
Heidemij heeft op 8 juni 1995 een fax gestuurd aan [naam01] met daarin de resultaten naar aanleiding van een aanvullend bodemonderzoek op het perceel. Het ging hierbij om onderzoek naar de verontreiniging van de ± 903 m2 grond (en het grondwater) van het perceel dat niet al in 1993 in kaart was gebracht. Partijen twisten over de vraag in opdracht van wie dit bodemonderzoek is verricht.
Op 8 januari 1999 heeft [eiseres02] het perceel gekocht van [bedrijf01] . Het perceel is op 19 oktober 1999 aan [eiseres02] geleverd. Mevrouw De Jong was de vertegenwoordiger van de toenmalige eenmanszaak Benzine De Jong.
In 1999 is in opdracht van [eiseressen01] bodemonderzoek verricht door De Klinker Milieu Adviesbureau (hierna: De Klinker). Hiervan heeft De Klinker op 12 juli 1999 een rapport uitgebracht. Uit het rapport blijkt onder meer dat op/onder het perceel en het aangrenzende perceel sprake is van ernstige en urgente verontreiniging in de grond en het grondwater.
In oktober 1999 is in opdracht van Benzine De Jong een saneringsplan opgesteld door de besloten vennootschap R&B Milieu Advies B.V. (hierna: R&B Milieu Advies).
Uit het evaluatierapport van R&B Milieu Advies van januari 2001 blijkt dat in september 2000 de bodem van beide percelen succesvol is gesaneerd en dat de bodem aan de streefwaarde(n) voldoet. In totaal is bij de sanering 745,88 ton met brandstof verontreinigde grond ontgraven en afgevoerd. De conclusie met betrekking tot het grondwater is echter dat niet wordt verwacht dat de verontreiniging binnen twee jaar wordt teruggebracht richting de streefwaarde.
In de periode tussen 2000 en 2014 zijn in opdracht van [eiseressen01] meerdere bodemonderzoeken verricht door R&B Milieu Advies. Uit de onderzoeken blijkt dat op/onder het perceel opnieuw bodem- en grondwaterverontreiniging is ontstaan.
Op 8 mei 2019 stuurt de heer [naam04] , projectmanager milieu van Shell, aan [naam01] een e-mailbericht met als bijlage – onder meer – een kopie van het “Afperkend onderzoek bij [naam tankstation01] aan de [adres02] [plaats01] ”. Dit is het rapport uit november 1993 hierboven genoemd (r.o. 2.4) en in dit rapport werden ook de eerder onderzoeken en rapporten uit 1989 en maart 1993 aangehaald (hierna: Heidemij 1993 rapport).
Bij brief van 29 september 2021 heeft [eiseressen01] Shell aansprakelijk gesteld voor de door [eiseressen01] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de bodemverontreiniging op het perceel. Shell heeft de aansprakelijkheid afgewezen en verwezen naar de afkoopbepaling in de dealerovereenkomst.
3. Het geschil
[eiseressen01] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
- vernietiging van de dealerovereenkomst van 21 april 1994 op grond van bedrog dan wel dwaling; voor wat betreft de afkoopbepaling;
- veroordeling van Shell tot vergoeding aan [eiseressen01] van alle materiële en immateriële schade die [eiseressen01] heeft geleden, lijdt en zal lijden en die in causaal verband staat tot de milieuverontreiniging die ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten tussen Shell en [eiseressen01] op/onder het perceel aanwezig was en waarmee Shell bekend was, nader op te maken bij staat;
subsidiair
- een verklaring voor recht dat Shell onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseressen01]
- veroordeling van Shell tot vergoeding aan [eiseressen01] van alle materiële en immateriële schade die [eiseressen01] heeft geleden, lijdt en zal lijden en die in causaal verband staat tot de milieuverontreiniging die ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten tussen Shell en [eiseressen01] op/onder het perceel aanwezig was en waarmee Shell bekend was, nader op te maken bij staat;
primair en subsidiair
- veroordeling van Shell in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eiseressen01] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Shell bij de totstandkoming van de dealerovereenkomst bewust de bij haar bekende informatie omtrent de aard en omvang van de bodemverontreiniging op/onder het perceel niet met [eiseressen01] heeft gedeeld waardoor [eiseressen01] niet op de hoogte was van het feit dat er meer bodemverontreiniging aanwezig was dan dat zij tijdens het aangaan van de dealerovereenkomst dacht. Meer in het bijzonder verwijt [eiseressen01] Shell dat zij het Heidemij 1993 rapport heeft achtergehouden. [eiseressen01] was de dealerovereenkomst met deze afkoopbepaling niet aangegaan als zij bekend was geweest met de informatie uit het Heijdemij 1993 rapport. [eiseressen01] stelt dat daarmee de dealerovereenkomst is ontstaan onder invloed van bedrog aan de zijde van Shell, danwel dat [eiseressen01] heeft gedwaald. Op grond dwaling, dan wel bedrog dient de dealerovereenkomst te worden vernietigd en is Shell gehouden om de door [eiseressen01] geleden schade en nog te lijden schade te vergoeden. Subsidiair legt [eiseressen01] onrechtmatig handelen door Shell aan haar vorderingen ten grondslag.
Shell voert verweer strekkende tot afwijzing van de vorderingen van [eiseressen01] met veroordeling van [eiseressen01] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.