Rechtbank Rotterdam, 09-08-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7352, ROT 23/654
Rechtbank Rotterdam, 09-08-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7352, ROT 23/654
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 9 augustus 2023
- Datum publicatie
- 18 augustus 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2023:7352
- Zaaknummer
- ROT 23/654
Inhoudsindicatie
Belastingrecht – parkeerbelasting – applicatie bezoekersparkeren – gegrond
Uitspraak
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/654
en
gemachtigde: [naam].
Procesverloop
Verweerder heeft eiser bij beschikking van 25 oktober 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer])
Bij uitspraak op bezwaar van 22 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beschikking en de aanslag ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2023.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Aan eiser is een naheffingsaanslag opgelegd waarop staat vermeld dat op 30 september 2022 om 16:18 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto van eiser (kenteken [kenteken]) stond geparkeerd op locatie Crooswijkseweg te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan.
2. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd omdat hij heeft betaald middels de bezoekersparkeerapplicatie van de gemeente Rotterdam. Zone 652 waar de Crooswijkseweg onder valt kon door eiser worden aangeklikt in de applicatie, het kenteken van eiser werd geactiveerd en er zijn eenheden afgeschreven. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een schermafbeelding overgelegd waaruit blijkt dat kenteken [kenteken] op 30 september 2023 was aangemeld van 16:11 uur tot 17:27 uur voor zone 652.
3. Verweerder wijst erop dat zowel in de documentatie die eiser bij zijn parkeervergunning toegezonden heeft gekregen (toekenningsbrief) als op de website staat vermeld, dat gedurende winkeltijden niet op basis van een parkeervergunning aan de Crooswijkseweg mag worden geparkeerd. Parkeren in strijd met de vergunningsvoorwaarden wordt gezien als parkeren zonder vergunning en eiser wordt geacht op de reguliere manier parkeerbelasting af te dragen. Op eiser rust volgens verweerder een onderzoeksplicht. Hij had de vergunningsvoorwaarden moeten raadplegen, de website of de bebording ter plaatse. Verweerder heeft ter zitting erkend dat in de applicatie niet is te zien dat bepaalde uitzonderingen ten aanzien van zones (zoals de winkeltijden) gelden maar de vergunning behoort hier de doorslag te geven. Die is duidelijk. Sedert vergunningverlening is er niets aan de regels veranderd en de gemeente heeft ook niet de indruk gewekt, dat er iets veranderd is.
4. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt. De applicatie die eiser heeft gebruikt is door de gemeente Rotterdam verstrekt. Partijen zijn het erover eens, dat het voor de gebruiker van de applicatie niet zichtbaar is, dat er binnen de sector waar de Crooswijkseweg deel van uitmaakt een apart regime geldt voor winkeltijden. Ter zitting heeft eiser onweerspoken gesteld, dat zijn betaling voor het parkeren aan de Crooswijkseweg door het systeem is geaccepteerd. Verweerder heeft niet gesteld en ook overigens is niet gebleken, dat dat aparte regime van de Crooswijkseweg zo vanzelfsprekend is, dat eiser het – in weerwil van de applicatie – had moeten begrijpen. De onderzoeksplicht van eiser gaat niet zo ver, dat eiser ter controle van de informatie van de applicatie alsnog de borden ter plaatse en/of de website en/of zijn vergunning moet raadplegen en bij verschillen voorzichtigheidshalve van het “strengste” regime uit moet gaan, of nader onderzoek instellen. De rechtbank is van oordeel, dat eiser zijn onderzoeksplicht niet heeft geschonden door uitsluitend af te gaan op de applicatie van de gemeente.
5. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en vernietigt de naheffingsaanslag.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.