Rechtbank Rotterdam, 06-09-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8296, 644726
Rechtbank Rotterdam, 06-09-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8296, 644726
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 6 september 2023
- Datum publicatie
- 20 september 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2023:8296
- Zaaknummer
- 644726
Inhoudsindicatie
Vorderingen van de curator op grond van artikel 2:9 BW en artikel 47 e.v. Fw. Bij de beoordeling of de curator in het kader van artikel 2:9 BW aan zijn stelplicht heeft voldaan, speelt in deze zaak onder meer mee welke stukken de curator tot zijn beschikking had ter onderbouwing van zijn stelling dat bepaalde uitgaven en onttrekkingen als niet-zakelijk gekwalificeerd moeten worden. Ook is van belang dat de feiten en omstandigheden die bepalend zijn of bepaalde uitgaven en onttrekkingen een zakelijk karakter hebben of niet, zich in het domein van de bestuurders hebben afgespeeld. De vorderingen worden grotendeels toegewezen.
Uitspraak
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/644726 / HA ZA 22-747
Vonnis van 6 september 2023
in de zaak van
[eiser01] ,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van de stichting [naam stichting01] ,
te [plaats01] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. E.R.P. von Hegedus te Rotterdam,
tegen
1 [gedaagde01] ,
hierna te noemen: [gedaagde01] ,
2. [gedaagde02] ,
hierna te noemen: [gedaagde02] ,
te [plaats01] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde01] en [gedaagde02] ,
advocaat: mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 september 2022, met producties, - de conclusie van antwoord, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie, - de brief van de rechtbank van 29 december 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de brief van de rechtbank van 16 februari 2023 met een zittingsagenda,
- de mondelinge behandeling van 15 maart 2023, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, en de daar overgelegde spreekaantekeningen van partijen.
2 De feiten
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2021 is Stichting [stichting01] (hierna: [afkorting stichting01] ) in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator als zodanig.
Bestuurders van [afkorting stichting01] waren [gedaagde01] en [gedaagde02] .
[afkorting stichting01] exploiteerde een zorgonderneming in de regio Rotterdam en hield zich bezig met de ondersteuning en zorg voor cliënten met een verstandelijke en/of psychische beperking in het kader van de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) en/of de Wet forensische zorg (hierna: Wfz).
Het statutaire doel van [afkorting stichting01] luidt:
“Het als maatschappelijke onderneming door middel van een doelmatige en transparante bedrijfsvoering leveren van cliëntgerichte, veilige en betaalbare zorg van goede kwaliteit in de ruimste zin van het woord, zulks al dan niet op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en/of op grond van een (zorg)verzekering als gedefinieerd in de Algemene Wet Bijzondere ziektekosten en/of de Zorgverzekeringswet en/of Wet Langdurige Zorg”
De verleende zorg onder de Wlz werd gedeclareerd aan Zilveren Kruis. De gemeente vergoedde de zorg onder de Wmo en de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) vergoedde de zorg die [afkorting stichting01] leverde aan haar forensische cliënten.
De curator heeft onderzoek gedaan naar de mogelijke oorzaken van het faillissement en heeft bij brief van 10 november 2021 zijn voorlopige bevindingen gedeeld met [gedaagde01] en [gedaagde02] . Daarnaast heeft de curator een aantal betalingen van [afkorting stichting01] aan het bestuur buitengerechtelijk vernietigd en teruggevorderd van het bestuur. De curator heeft [gedaagde01] en [gedaagde02] verzocht om op een aantal specifieke vragen te reageren over verschillende uitgaven en onttrekkingen bij [afkorting stichting01] . Indien zij hiervoor toegang nodig zouden hebben tot de administratie van [afkorting stichting01] , konden zij een afspraak met de curator maken.
[gedaagde01] en [gedaagde02] hebben via hun advocaat grotendeels afwijzend gereageerd op de voorlopige bevindingen van de curator bij e-mails van 24 december 2021 en 16 februari 2022.
De curator heeft [gedaagde01] en [gedaagde02] vervolgens bij brief van 8 maart 2022 de verschillende uitgaven en onttrekkingen opnieuw opgesomd en aangekondigd dat hiervan betaling van de bestuurders zal worden gevorderd omdat de betreffende bedragen niet kunnen worden verantwoord als zakelijke betalingen.
Op 1 juni 2022 heeft de curator conservatoir beslag laten leggen op de, ieder aan hen in eigendom toebehorende, onverdeelde helft van de woning van [gedaagde01] en [gedaagde02] . Ook heeft de curator ten laste van [gedaagde01] en [gedaagde02] beslag laten leggen onder een aantal banken, welke beslagen geen doel hebben getroffen.
Op 23 juni 2022 heeft tussen de curator en [gedaagde01] en [gedaagde02] een gesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek zijn zij overeengekomen dat [gedaagde01] en [gedaagde02] een concrete en gedetailleerde reactie zouden verstrekken op de aansprakelijkstelling in de brief van 8 maart 2021 om te bezien of partijen overeenstemming zouden kunnen bereiken over een mogelijke regeling. De curator heeft in dat verband de voorzieningenrechter tweemaal verzocht om verlenging van de termijn om de eis in de hoofdzaak in te stellen, welk verzoek is toegewezen. Een minnelijke regeling is niet tot stand gekomen.