Home

Rechtbank Rotterdam, 13-11-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11843, C/10/678664 / HA ZA 24-385

Rechtbank Rotterdam, 13-11-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11843, C/10/678664 / HA ZA 24-385

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13 november 2024
Datum publicatie
28 november 2024
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2024:11843
Zaaknummer
C/10/678664 / HA ZA 24-385

Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid curator in persoon. Maclou-norm. Handelen in hoedanigheid van curator na beëindiging faillissement. Afgifte administratie aan schuldeiser, tevens vereffenaar van de (voormalig) failliete vennootschap. Geen onrechtmatig handelen jegens bestuurders van die vennootschap. Geen causaal verband. Schending van geheimhoudingsbeding in vaststellingsovereenkomst met bestuurders? Vermeerdering van de grondslag van de eis niet conform artikel 130 lid 1 Rv. Geen vernietiging wegens dwaling mogelijk wegens uitsluitend toekomstige omstandigheden.

Uitspraak

vonnis

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/678664 / HA ZA 24-385

Vonnis van 13 november 2024

in de zaak van

1 [eiser 1],

gevestigd te Zwijndrecht,

2. [eiser 2],

wonende te Hendrik-Ido-Ambacht,

eisers,

advocaat mr. F.P.G. Dix te Best,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. M.E. van den Berg te Amsterdam.

Partijen worden hierna [eisers] (of afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2]) en [gedaagde] genoemd.

1 De kern van de zaak en het procesverloop

1.1.

Deze zaak gaat over de vraag of het [gedaagde] als (voormalig) curator vrij stond de administratie van de failliete vennootschap af te geven aan een schuldeiser van die vennootschap. De bijzonderheid doet zich daarbij voor dat het faillissement van die vennootschap inmiddels was beëindigd en dat de vereffening door de rechtbank was heropend, waarbij diezelfde schuldeiser tot vereffenaar was benoemd. Met behulp van de administratie heeft die schuldeiser vervolgens tegen de bestuurders van de vennootschap ([eisers]) een procedure op grond van bestuurdersaansprakelijkheid gevoerd. [eisers] menen dat [gedaagde] in persoon onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de als gevolg hiervan door eisers geleden schade. De rechtbank komt tot het oordeel dat van onrechtmatig handelen geen sprake is en dat ook geen causaal verband bestaat tussen het handelen van [gedaagde] en de schade. Ook de subsidiaire grondslag van de vordering (wanprestatie) leidt niet tot aansprakelijkheid.

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 5 april 2024, met producties;

-

de conclusie van antwoord van 19 juni 2024, met producties;

-

de akte inbrengen aanvullende producties aan de zijde van [eisers] van 6 september 2024;

-

de spreekaantekeningen van de beide advocaten;

-

de mondelinge behandeling van 2 oktober 2024.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft in het verleden opgetreden als curator in het faillissement van [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1]).

2.2.

[eiser 1] was bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1]. [eiser 2] is bestuurder van [eiser 1].

2.3.

[naam bedrijf 1] heeft een vordering van haar schuldeiser [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2]) onbetaald gelaten.

2.4.

Op 6 februari 2018 is [naam bedrijf 1] failliet verklaard, met benoeming van [gedaagde] tot curator.

2.5.

[gedaagde] heeft zich als curator op het standpunt gesteld dat [eiser 2] voorafgaande aan het faillissement van [naam bedrijf 1] onrechtmatige selectieve betalingen aan [eiser 1] heeft gedaan. [eisers] hebben dat standpunt betwist. [gedaagde] heeft [naam bedrijf 2] gevraagd naar haar visie op het feit dat [naam bedrijf 1] sommige schuldeisers – waaronder [eiser 1] – wel heeft betaald en andere – waaronder [naam bedrijf 2] – onbetaald heeft gelaten.

2.6.

Op 31 augustus 2019 hebben enerzijds [gedaagde] (in zijn hoedanigheid van curator) en anderzijds [eisers] een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [eisers] een bedrag van € 14.000,-- aan de boedel hebben betaald tegen finale kwijting. Van de overeenkomst maakt het volgende beding deel uit:

“4. Geheimhouding

Deze vaststellingsovereenkomst wordt zonder instemming van de Bestuurders niet door de Curator verstrekt aan derden, waaronder begrepen de crediteuren van de failliete vennootschap en uitgezonderd de Rechter-Commissaris, en de Curator zal zijn visie omtrent de gestelde onrechtmatigheid van de betalingen niet delen met derden en/of hen van informatie terzake voorzien, behoudens voor zover daartoe een uitdrukkelijke wettelijke of door de rechter opgelegde verplichting bestaat.”

In het kort daarna gepubliceerde openbare faillissementsverslag heeft [gedaagde] vervolgens melding gemaakt van de totstandkoming van deze schikking.

2.7.

Bij brief van 5 februari 2020 heeft de advocaat van [naam bedrijf 2] aan [gedaagde] gevraagd om inzage in de administratie van [naam bedrijf 1] over de periode van 1 juli 2016 tot aan datum faillissement. Volgens de brief wil [naam bedrijf 2] deze informatie gebruiken “om te beoordelen of een vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid een kans van slagen heeft.” [naam bedrijf 2] kondigt in de brief aan een vordering ex artikel 843a Rv tegen [gedaagde] te zullen instellen als hij geen gehoor geeft aan het verzoek tot inzage.

2.8.

Na een aanvankelijke afwijzing van het verzoek, heeft [gedaagde] op 4 maart 2020 (alsnog) de bankmutaties van [naam bedrijf 1] over de periode 2016 tot september 2018 aan [naam bedrijf 2] ter beschikking gesteld. [gedaagde] heeft [eisers] hierover niet geïnformeerd.

2.9.

[gedaagde] heeft het aandelenbelang van [naam bedrijf 1] in een gezamenlijke deelneming met [naam bedrijf 2] aan laatstgenoemde verkocht voor € 1,--.

2.10.

Het faillissement van [naam bedrijf 1] is op 20 maart 2020 geëindigd.

2.11.

Op verzoek van [naam bedrijf 2] heeft deze rechtbank de vereffening van [naam bedrijf 1] bij beschikking van 3 juni 2020 heropend. De rechtbank heeft [naam bedrijf 2] benoemd tot vereffenaar. Uit de beschikking volgt dat heropening van de vereffening nodig was, omdat de levering van de in 2.9 bedoelde aandelen nog moest worden gerealiseerd.

2.12.

Op 27 juli 2020 heeft de advocaat van [naam bedrijf 2] aan [gedaagde] op grond van artikel 193 lid 3 Fw verzocht om overdracht van de bij [gedaagde] aanwezige administratie van [naam bedrijf 1]. Aan dit verzoek heeft [gedaagde] gehoor gegeven. Hij heeft [eisers] daarover niet geïnformeerd.

2.13.

Op 5 januari 2022 heeft [naam bedrijf 2] [eisers] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid gedagvaard voor deze rechtbank. De dagvaarding vermeldt een vordering van ruim € 200.000,--. Ter voorbereiding op deze procedure heeft [naam bedrijf 2] op 24 december 2021 conservatoir beslag doen leggen op onder andere het binnenvaartschip dat [eisers] exploiteren.

2.14.

[eisers] hebben zich tegen de vordering van [naam bedrijf 2] verweerd. Tijdens de mondelinge behandeling in die procedure hebben partijen een minnelijke regeling getroffen. In het kader van deze minnelijke regeling is overeengekomen dat [eisers] een bedrag van € 8.000,-- aan [naam bedrijf 2] betalen en dat ieder de eigen kosten draagt.

2.15.

Op 24 mei 2023 heeft de Toetsingscommissie van INSOLAD klachten van [eisers] over het handelen van [gedaagde] als curator gegrond verklaard.

2.16.

Op 19 juni 2023 hebben [eisers] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die het gevolg is van de schending van het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding en van het onrechtmatig verstrekken van de administratie van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 2]. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing