Rechtbank Rotterdam, 27-11-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11965, ROT 23/6309, ROT 23/6311, ROT 23/6312 en ROT 23/6318
Rechtbank Rotterdam, 27-11-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11965, ROT 23/6309, ROT 23/6311, ROT 23/6312 en ROT 23/6318
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 27 november 2024
- Datum publicatie
- 2 december 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2024:11965
- Zaaknummer
- ROT 23/6309, ROT 23/6311, ROT 23/6312 en ROT 23/6318
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing die de heffingsambtenaar aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. De hoorplicht zou zijn geschonden en de heffingsambtenaar zou in strijd met de beleidsregels en het zorgvuldigheidsbeginsel hebben gehandeld. De rechtbank komt tot het oordeel dat de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden, maar dat de aanslagen wel terecht zijn opgelegd.
Uitspraak
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/6309, ROT 23/6311, ROT 23/6312 en ROT 23/6318
en
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).
1. Deze uitspraak gaat over de aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing die de heffingsambtenaar aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. De hoorplicht zou zijn geschonden en de heffingsambtenaar zou in strijd met de beleidsregels en het zorgvuldigheidsbeginsel hebben gehandeld. De rechtbank komt tot het oordeel dat de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden, maar dat de aanslagen wel terecht zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met de besluiten van 29 november 2022 en 7 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar de volgende aanslagen aan eiser opgelegd voor de onroerende zaak aan [adres]:
|
Datum beschikking en vorderingsnummer |
Belastingjaar |
Belasting |
Zaaknummer |
|
29 november 2022 1109053864 |
2020 |
Afvalstoffenheffing |
ROT 23/6309 |
|
29 november 2022 1109053945 |
2021 |
Afvalstoffenheffing |
ROT 23/6312 |
|
29 november 2022 1109053946 |
2022 |
Afvalstoffenheffing |
ROT 23/6311 |
|
7 februari 2023 1109377462 |
2023 |
Afvalstoffenheffing en rioolheffing woning |
ROT 23/6318 |
Met de bestreden uitspraken op bezwaar van 16 augustus 2023 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraken op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de heffingsambtenaar.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op de zitting heeft eiser zijn beroepsgrond over de schending van de opbrengstlimiet bij de afvalstoffenheffing ingetrokken. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.
Heeft de heffingsambtenaar de hoorplicht geschonden?
4. Eiser betoogt dat de hoorplicht is geschonden. [naam 3] heeft tijdens het telefoongesprek van 11 juli 2023 niet aangegeven dat het gesprek plaatsvond in het kader van het horen en er is geen toestemming gevraagd voor het telefonisch horen. Ook is artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden. Het horen dient te geschieden door een persoon die niet bij de voorbereiding van het opleggen van de aanslag betrokken was. Voorafgaand aan het opleggen van de aanslagen heeft [naam 3] telefonisch en per e-mail contact gehad met eiser.
De heffing en invordering van gemeentelijke belastingen geschiedt met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).1 De belanghebbende wordt, in afwijking van artikel 7:2 van de Awb, gehoord op zijn verzoek.2 Een belanghebbende kan telefonisch worden gehoord als hij daarmee instemt of daarom verzoekt, en dit horen voldoende zorgvuldig kan geschieden.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de hoorplicht geschonden. Eiser heeft in zijn aanvullende bezwaarschrift van 13 januari 2023 gevraagd om te worden gehoord. Uit de stukken blijkt niet dat eiser heeft verzocht om een telefonische hoorzitting of heeft ingestemd met het telefonisch horen. Het telefoongesprek van 11 juli 2023 kan daarom niet worden aangemerkt als een hoorzitting. De heffingsambtenaar heeft de hoorplicht dus geschonden. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank komt niet toe aan het betoog van eiser over artikel 7:5 van de Awb.
5. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. Eiser heeft op de zitting de rechtbank uitdrukkelijk gevraagd om te beslissen op het onderliggende geschil. De rechtbank zal daarom beoordelen of de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand kunnen blijven of dat zelf in de zaken kan worden voorzien.4
Heeft de heffingsambtenaar in strijd met de beleidsregels gehandeld?
6. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige en WOZ-belanghebbende in een keuzesituatie (de beleidsregels). Op basis van de Verordening afvalstoffenheffing van de gemeente Rotterdam kunnen verschillende personen als belastingplichtige worden aangemerkt. Op grond van artikel 5 van de beleidsregels hadden de aanslagen dan volgens eiser moeten worden opgelegd aan degene die het langst op het betreffende adres woonachtig was.
De afvalstoffenheffing kan worden geheven van degene die gebruik maakt van een perceel.5 Als meerdere leden van een huishouden gebruikmaken van een perceel, kan de heffingsambtenaar een van die leden aanwijzen als belastingplichtige.6 Degene die een perceel in gebruik geeft aan een ander, zoals een verhuurder, kan ook belastingplichtig zijn; de verhuurder mag de heffing wel verhalen op de huurder.7 In de beleidsregels staat dat als er meer personen gebruiker van een perceel zijn, de aanslag wordt opgelegd volgens een voorkeursvolgorde, waarbij als eerste is genoemd degene die het langst op het adres woont.8 De voorkeursvolgorde is erop gericht de aanslag op te leggen aan degene die in staat geacht mag worden de belasting te betalen. Er kan om die reden ook tot een andere keuze gekomen worden dan uit de voorkeursvolgorde zou volgen.9
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar niet in strijd met de beleidsregels gehandeld. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de mogelijkheid om de verhuurder als belastingplichtige aan te merken, is opgenomen om de inning van belasting te vereenvoudigen, met name in het geval van kamerverhuur: de verhuurder kan de heffing makkelijker op zijn huurders verhalen dan een huurder op zijn medehuurders. De gemeente heeft dan bovendien te maken met een eenduidige belastingplichtige.10 Eiser is eigenaar van het perceel en verhuurt kamers in de woning op het perceel via tijdelijke huurovereenkomsten. Eiser mag in staat worden geacht de belasting te betalen: juist voor het geval van eiser is de Wm gewijzigd om de inning te vereenvoudigen. De heffingsambtenaar mocht daarom in afwijking van de voorkeursvolgorde, met toepassing van artikel 9 van de beleidsregels, de aanslagen aan eiser opleggen. Deze beroepsgrond slaagt niet.Heeft de heffingsambtenaar het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door de aanslagen eerst aan de huurders en daarna pas aan eiser op te leggen. De heffingsambtenaar heeft hierbij niet voortvarend gehandeld. De opgelegde aanslagen waren al betaald door de huurder en eiser heeft geen contact meer met de huurder. Eiser betoogt ook dat de aanslagen in strijd met het doel en de strekking van de Wm aan hem zijn opgelegd. De vervuiler dient te betalen. Het is voor eiser lastig dan wel onmogelijk om de aanslagen alsnog op de huurders te verhalen nu er enige tijd is verstreken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden. De heffingsambtenaar heeft eerst een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd aan een van de huurders van eiser. Naar aanleiding van het bezwaar van die huurder heeft de heffingsambtenaar de aanslag vernietigd en vervolgens de aanslagen afvalstoffenheffing voor de belastingjaren 2020 tot en met 2023 opgelegd aan eiser. De aanslagen zijn binnen de daarvoor geldende termijn opgelegd.11 Niet is gebleken dat de heffingsambtenaar onredelijk traag heeft gehandeld. De rechtbank kan bij de toetsing van de keuze van de heffingsambtenaar welke gebruiker hij aanslaat, geen rekening houden met moeilijkheden bij verhaal van de heffing op anderen.12 Zoals hiervoor in 6.2 is overwogen, is de Wm is overwogen, is de gewijzigd om juist in een geval als dit eiser als belastingplichtige aan te kunnen merken. Van strijd met het doel of de strekking van de Wm is daarom geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Aanslag rioolheffing 2023
8. De rechtbank heeft met eiser op de zitting vastgesteld dat hij geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de aanslag rioolheffing 2023. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de rechtmatigheid van deze aanslag.13
Heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding?
9. Eiser betoogt dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding, omdat de hoorplicht is geschonden. Eiser is advocaat en procedeert voor zichzelf. Hoewel hij geen proceskosten heeft gemaakt, is de hoorplicht zo belangrijk, dat de rechtbank de heffingsambtenaar toch zou moeten veroordelen in de proceskosten volgens een forfaitair bedrag. De rechtbank zou daarbij gebruik moeten maken van de mogelijkheid af te wijken van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen recht op een proceskostenvergoeding. De mogelijkheid tot afwijking van het Bpb ziet op het bedrag van de kosten.14 Maar in het geval van eiser staat vast dat er geen kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank kan niet afwijken van artikel 1 van het Bpb.15
Conclusie en gevolgen
10. De beroepen zijn gegrond, omdat de uitspraken op bezwaar in strijd zijn met artikel 7:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar. Omdat de aanslagen terecht aan eiser zijn opgelegd, laat de rechtbank laat de rechtsgevolgen van de uitspraken op bezwaar in stand.16 Dat betekent dat de aanslagen hetzelfde blijven.
Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.