Home

Rechtbank Rotterdam, 17-05-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4718, ROT 24/3864 en ROT 24/4593

Rechtbank Rotterdam, 17-05-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4718, ROT 24/3864 en ROT 24/4593

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17 mei 2024
Datum publicatie
15 juli 2024
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2024:4718
Zaaknummer
ROT 24/3864 en ROT 24/4593

Inhoudsindicatie

Uitspraak rechtbank en voorzieningenrechter. DNB heeft de Stichting bij e-mail van 12 april 2024 en bij brief van gelijke datum meegedeeld dat het handhavingsverzoek van de Stichting niet in behandeling zal worden genomen, omdat de Stichting volgens DNB geen belanghebbende is bij dit verzoek. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek omdat dit niet van een belanghebbende afkomstig zou zijn en daarom geen aanvraag als bedoeld in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is, kan met toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb bezwaar worden gemaakt. Van een op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit waartegen met toepassing van artikel 6:12 van de Awb beroep kan worden ingesteld was op het moment dat de Stichting haar beroep instelde dan ook geen sprake, ongeacht of zij al dan niet belanghebbende is bij haar handhavingsverzoek. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, wordt het verzoek om voorlopige voorziening dat is ingediend hangende dit beroep, afgewezen.

Uitspraak

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 24/3864 en ROT 24/4593

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2024 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van die wet in de zaak tussen

en

gemachtigde: mr. C. de Rond.

Procesverloop

Bij brief van 14 april 2024 heeft de Stichting beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar handhavingsverzoek van 28 februari 2024 (zaaknummer ROT 24/3864).

Bij brief van 30 april 2024 heeft de Stichting de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer ROT 24/4593).

Bij brief van 30 april 2024 heeft DNB in de beroepsprocedure een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb eveneens uitspraak zonder zitting.

2. Op grond van artikel 6:2 van de Awb worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld:

a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en

b. het niet tijdig nemen van een besluit.

3. DNB heeft de Stichting bij e-mail van 12 april 2024 en bij brief van gelijke datum meegedeeld dat het handhavingsverzoek van de Stichting niet in behandeling zal worden genomen, omdat de Stichting volgens DNB geen belanghebbende is bij dit verzoek.

4. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek omdat dit niet van een belanghebbende afkomstig zou zijn en daarom geen aanvraag als bedoeld in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is, kan - gelet ook op de totstandkomingsgeschiedenis ervan (PG Awb II, p. 383-384) - met toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb bezwaar worden gemaakt (vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juni 2022, overweging 3, ECLI:NL:RVS:2022:1593, en de Centrale Raad van Beroep van 21 maart 2013, overweging 2.3, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5123).

5. Van een op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit waartegen met toepassing van artikel 6:12 van de Awb beroep kan worden ingesteld was op het moment dat de Stichting haar beroep instelde dan ook geen sprake, ongeacht of zij al dan niet belanghebbende is bij haar handhavingsverzoek.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

7. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening dat is ingediend hangende dit beroep, afwijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 17 mei 2024.

griffier (voorzieningen)rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel