Home

Rechtbank Rotterdam, 01-05-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4784, C/10/654309 / HA ZA 23-256

Rechtbank Rotterdam, 01-05-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4784, C/10/654309 / HA ZA 23-256

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
1 mei 2024
Datum publicatie
28 mei 2024
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2024:4784
Zaaknummer
C/10/654309 / HA ZA 23-256

Inhoudsindicatie

onrechtmatige daad; verhaalsbenadeling; gedaagden hebben met de splitsing doelbewust een sterfhuis gecreëerd waarin de schuld aan eiser (in België verbeurde dwangsommen) is achtergelaten, terwijl de bedrijfsactiviteiten zijn voortgezet in de afgesplitste vennootschap, die bovendien de oorspronkelijke naam van de splitsende vennootschap kreeg.

Uitspraak

vonnis

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/654309 / HA ZA 23-256

Vonnis van 1 mei 2024

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht

HET FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN,

gevestigd te Brussel, België,

eiser,

advocaat mr. A.C. Teeuw te Middelharnis,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te Dordrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

gevestigd te Dordrecht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] ,

gevestigd te Dordrecht,

4. [gedaagde 4],

wonende te Dordrecht,

5. [gedaagde 5],

wonende te Dordrecht,

gedaagden,

advocaat mr. L.P. Quist te Dordrecht.

Eiser wordt hierna het FAVV genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk aangeduid als [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en [gedaagde 5]. Gezamenlijk worden zij [gedaagden] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 10 februari 2023, met producties 1 tot en met 66,

-

de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 9,

-

de brief van de rechtbank van 7 juni 2023, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling,

-

de brief van de rechtbank van 1 november 2023, met een zittingsagenda voor de mondelinge behandeling,

-

de akte overlegging producties van het FAVV, met producties FAVV-67 tot en met FAVV-74a-k,

-

de mondelinge behandeling op 21 november 2023 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van het FAVV en [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het FAVV is belast met de controle en naleving van de wetgeving met betrekking tot de voedselveiligheid voor de gehele voedselketen in België.

2.2.

[gedaagde 1] is in 2013 opgericht door [gedaagde 5] en houdt zich bezig met de teelt van groenten in kassen, waaronder paksoi en sla, in Nederland en België. Tot 24 mei 2022 was haar statutaire naam ‘[gedaagde 2]’.

2.3.

[gedaagde 4] is de bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 5] gevolmachtigde. De aandelen van [gedaagde 1] worden gehouden door [gedaagde 3], waarvan [gedaagde 5] de bestuurder en aandeelhouder is en [gedaagde 4] gevolmachtigde.

2.4.

Het FAVV heeft vanaf februari 2020 diverse (her)controles bij [gedaagde 1] in België uitgevoerd. Het FAVV heeft van die controles processen-verbaal opgemaakt, waarin – samengevat weergegeven – is vermeld dat hij overtredingen van EU-regelgeving heeft geconstateerd, onder meer op het gebied van tracering, etikettering, hygiëne en gewasbeschermingsmiddelen.

2.5.

Op 10 augustus 2021 heeft het FAVV [gedaagde 5] gehoord over de onder 2.4 vermelde overtredingen in 2020 en 2021. In het proces-verbaal van verhoor is onder meer vermeld dat [gedaagde 5] heeft verklaard: “te handelen voor rekening van [gedaagde 2] (...) als DGA (Directeur Groot Aandeelhouder)” en dat het FAVV een teelt- en handelsverbod overweegt. In het proces-verbaal is verder verwezen naar een schriftelijke verklaring van [gedaagde 5], waarin hij (onder meer) heeft verklaard: “(...) ik ben bestuurder van de Nederlandse besloten vennootschap [gedaagde 2] (...)”.

2.6.

Op 10 januari 2022 heeft het FAVV opnieuw een hercontrole bij [gedaagde 1] in België uitgevoerd. Hiervan heeft het FAVV een proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal is – samengevat weergegeven – vermeld dat het FAVV gebroken glasscherven tussen het gewas, afval tussen de gewassen, ongediertebestrijding tussen de planten en uitwerpselen heeft geconstateerd.

2.7.

Bij beslissing van 27 januari 2022 heeft het FAVV aan [gedaagde 1] – kort gezegd – een teeltverbod opgelegd en een verbod om producten van alle Belgische locaties op de markt te brengen. [gedaagde 1] heeft beroep tegen deze beslissing ingesteld bij de Belgische Raad van State.

2.8.

Op 8 februari 2022 heeft het FAVV gecontroleerd of [gedaagde 1] de op 27 januari 2022 opgelegde maatregelen (zie 2.7) naleeft. In het rapport dat het FAVV van die controle heeft opgesteld, is vermeld: “Operator respecteert de opgelegde maatregelen niet. Negeert het teelt en handelsverbod. Operator respecteert de inbeslagname niet, maakt onder beslag liggende goederen weg en pleegt zegelbreuk”.

2.9.

Op 10 en 11 februari 2022 heeft het FAVV nogmaals gecontroleerd of [gedaagde 1] de maatregelen van 27 januari 2022 naleeft. In de rapporten van beide controles heeft het FAVV vermeld: “Operator respecteert de inbeslagname niet, maakt onder beslag liggende goederen weg en pleegt zegelbreuk”.

2.10.

Bij uitspraak van 25 februari 2022 heeft de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen op vordering van het FAVV [gedaagde 1] in kort geding veroordeeld tot het naleven en uitvoeren van de door het FAVV op 27 januari 2022 opgelegde administratieve maatregelen (zie 2.7), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag. Deze uitspraak luidt voor zover hier van belang:

“(...)

Gezien [gedaagde 2] elke waarschuwing en maatregel doelbewust naast zich neer gelegd heeft, en dit gedurende 2 jaar, worden de maatregelen opgelegd door het FAVV op 27 januari 2022 niet disproportioneel geacht.

(...)

Gelet op de houding van [gedaagde 2] is het verzoek een fikse dwangsom op te leggen gerechtvaardigd, zelfs noodzakelijk om [gedaagde 2] ertoe aan te zetten de regels inzake hygiëne en traceerbaarheid te doen respecteren. [gedaagde 2] houdt al 2 jaar het been halsstarrig stijf.

(...)”.

[gedaagde 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

2.11.

In februari, maart en april 2022 heeft het FAVV opnieuw hercontroles bij [gedaagde 1] in België uitgevoerd. Hiervan heeft het FAVV processen-verbaal opgemaakt. In deze processen-verbaal is – onder meer – vermeld dat het FAVV overtredingen van het teelt- en handelsverbod en overtredingen van hygiëneregels en voedselveiligheid heeft geconstateerd.

2.12.

Op 7 april 2022 heeft de deurwaarder op verzoek van het FAVV bevel gedaan aan [gedaagde 1] tot betaling van € 3.776.963,72 aan verbeurde dwangsommen en proceskosten. Vervolgens heeft het FAVV beslag doen leggen op roerende zaken van [gedaagde 1] in België.

2.13.

Bij uitspraak van 2 mei 2022 heeft het Hof van Beroep Antwerpen het hoger beroep van [gedaagde 1] tegen de uitspraak van 25 februari 2022 (zie 2.10) ongegrond verklaard en de uitspraak van 25 februari 2022 bevestigd. Deze uitspraak luidt voor zover

hier van belang:

“(...)

Het hoger beroep van [gedaagde 2] wordt ongegrond verklaard en de bestreden beschikking integraal bevestigd, ook voor wat betreft de opgelegde dwangsommen, nu [gedaagde 2] ruim twee jaar de tijd had om zich in regel te stellen, dit blijkbaar blijft weigeren en ook na 27.01.2022 de opgelegde maatregelen blijft naast zich neerleggen. (...)”.

2.14.

Op 24 mei 2022 heeft [gedaagde 1] haar statutaire naam gewijzigd van ‘[gedaagde 2]’ (zie 2.2) in ‘[gedaagde 1]’.

2.15.

Op 31 mei 2022 heeft [gedaagde 4] als bestuurder van [gedaagde 1] een voorstel tot afsplitsing in de zin van artikel 2:334a lid 3 BW ondertekend.

2.16.

Op 10 juni 2022 heeft het FAVV ten laste van [gedaagde 1] in Nederland executoriaal beslag doen leggen onder derden en op 11 augustus 2022 op roerende zaken van [gedaagde 1].

2.17.

[gedaagde 3] heeft ter algemene vergadering van [gedaagde 1] op 15 augustus 2022 besloten tot afsplitsing overeenkomstig het onder 2.15 vermelde splitsingsvoorstel. Vervolgens is [gedaagde 1] bij akte van splitsing van diezelfde datum gesplitst in [gedaagde 1] als splitsende vennootschap en [gedaagde 2] als verkrijgende vennootschap. Bij deze splitsing heeft [gedaagde 2] onder meer twee pachtovereenkomsten verkregen.

2.18.

[gedaagde 4] is de bestuurder van [gedaagde 2]. De aandelen van [gedaagde 2] worden gehouden door [gedaagde 3].

2.19.

Op 1 november 2022 heeft het FAVV ten laste van [gedaagde 1] in Nederland executoriaal derdenbeslag gelegd onder Versland Selection B.V. (hierna: Versland). Hierop heeft Versland aan de deurwaarder geschreven dat zij als gevolg van de splitsing van [gedaagde 1] sinds 15 augustus 2022 geen rechtsverhouding meer heeft met [gedaagde 1], maar met [gedaagde 2].

2.20.

Bij uitspraak van 3 april 2023 heeft de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen [gedaagde 5] en [gedaagde 1] strafrechtelijk veroordeeld voor – onder meer – overtreding van regelgeving op het gebied van voedselveiligheid en hygiëne.

2.21.

Bij uitspraak van 26 oktober 2023 heeft de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen geoordeeld dat [gedaagde 1] over de periode van 26 februari 2022 tot 1 april 2022 een bedrag van € 3.142.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd vanwege overtreding van het teelt- en handelsverbod.

3 Het geschil

3.1.

Het FAVV vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1) voor recht verklaart dat het FAVV de (af)splitsing van [gedaagde 1] heeft vernietigd, althans de (af)splitsing vernietigt,

2) het besluit van [gedaagde 3] tot afsplitsing vernietigt,

3) voor recht verklaart dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onrechtmatig jegens het FAVV hebben gehandeld,

4) voor recht verklaart dat de bestuurders van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] persoonlijk aansprakelijk zijn jegens het FAVV,

5) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 3.953.974,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het verbeuren van de dwangsommen, althans vanaf 15 september 2022, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan die van algehele voldoening,

6) [gedaagde 5] en [gedaagde 4] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 3.953.974,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het verbeuren van de dwangsommen, althans vanaf 15 september 2022, athans vanaf de dag van dagvaarding tot aan die van algehele voldoening,

7) [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling, en in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De conclusie van [gedaagden] strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van het FAVV in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing