Rechtbank Rotterdam, 03-07-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6533, C/10/669678 / HA ZA 23-1043
Rechtbank Rotterdam, 03-07-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6533, C/10/669678 / HA ZA 23-1043
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 3 juli 2024
- Datum publicatie
- 22 juli 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2024:6533
- Zaaknummer
- C/10/669678 / HA ZA 23-1043
Inhoudsindicatie
Overeenkomsten van borgtocht. Hoofdelijkheid van de drie borgen. Maximale bedrag waarvoor borgen kunnen worden aangesproken in verband met kredietsaldo hoofdschuldenaar. Rente op grond van artikel 7:856 BW. Toewijzing van de vordering van € 500.000 tegen de borgen. Op grond van redelijkheid en billijkheid gehouden in te gaan op redelijk aanbod, ter voorkoming van executie van beslagen op woonhuizen. Om ruimte te bieden wordt aan de veroordeling een opschortende tijdsbepaling verbonden van vier maanden na de datum van het vonnis.
Uitspraak
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/669678 / HA ZA 23-1043
Vonnis van 3 juli 2024
in de zaak van
STICHTING DEBITROOM,
gevestigd te Nieuwkuijk,
eisende partij,
hierna te noemen: Debitroom,
advocaat: mr. J.K. den Haan,
tegen
1 [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],
allen wonende te Barendrecht,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. J.P.M. Borsboom.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 14 september 2023, met de producties 1-5;
- -
-
de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke eis in reconventie, met de producties 1-7;
- -
-
de oproepingsbrieven en de zittingsagenda van de rechtbank;
- -
-
de conclusie van antwoord in reconventie van 21 mei 2024, tevens van repliek in conventie met eiswijziging, met de producties 6-14;
- -
-
de mondelinge behandeling van 21 mei 2024, waarbij het al dan niet nog indienen van een conclusie van dupliek is besproken, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- -
-
de spreekaantekeningen die mr. M.J.P. Peters, behandelend advocate voor [gedaagden], op de zitting heeft overgelegd.
2 De feiten
Debitroom presenteert zich als een platform voor zakelijke kredietverlening. [gedaagden] zijn (middellijk) bestuurders en aandeelhouders van [naam bedrijf] (hierna ook: [naam bedrijf]), een bedrijf dat zonnepanelen verkocht en installeerde.
Debitroom heeft krediet verstrekt aan [naam bedrijf] waarvan de hoogte is gerelateerd aan een aantal factoren, waaronder de uitstaande verkoopfacturen. Op 28 oktober 2020 hebben Debitroom en [naam bedrijf] een kredietovereenkomst gesloten, aangeduid als raamovereenkomst. Op 3 november 2020 zijn pandrechten ten behoeve van Debitroom gevestigd op de vorderingen en roerende zaken van [naam bedrijf]. Aanvankelijk was de kredietlimiet bepaald op € 150.000 (of volgens mededeling van Debitroom op de zitting; € 200.000), waarbij geen andere / nadere zekerheden zijn bedongen.
De kredietlimiet is in februari 2022 verhoogd tot € 500.000. Op verzoek van Debitroom hebben [gedaagden] zich toen borg gesteld. Daarvoor heeft Debitroom drie afzonderlijke, gelijkluidende overeenkomsten van borgtocht opgesteld. Deze zijn op 23 respectievelijk 25 februari 2022 ondertekend door (ieder van) [gedaagden]. Het gaat om drie borgstellingen voor maximaal € 500.000.
Tot eind juli 2022 heeft [naam bedrijf] de facturen van Debitroom voor de kredietverstrekking steeds voldaan. Op 24 januari 2023 is [naam bedrijf] gefailleerd.
Namens Debitroom zijn [gedaagden] bij brieven van 31 mei 2023 aangesproken op grond van de borgstellingen en is ieder van hen een termijn van zeven dagen gesteld voor voldoening van € 500.000.
Bij verzoekschrift van 15 augustus 2023 heeft Debitroom verlof gevraagd voor beslaglegging op de woningen van [gedaagden]. Verlof is verleend voor beslaglegging op de hen toekomende delen van de woningen, voor een bedrag van (ieder) € 500.000, waarna Debitroom de conservatoire beslagen heeft laten leggen.
Op 15 augustus 2023 was het openstaande kredietsaldo € 781.307,32, bestaande uit kredietbedragen en een rentecomponent voor de eerste 90 dagen na verstrekking van het desbetreffende kredietbedrag. De rente die in vervolg daarop door Debitroom is berekend tot genoemde datum beloopt een bedrag van € 100.485,41. Verder heeft Debitroom aanspraak gemaakt op een contractuele boete van € 117.196,10.
Debitroom laat op het totaalbedrag een bedrag van € 24.837 in mindering strekken wegens geïncasseerde verpande vorderingen.
Op 10 augustus 2023 heeft [naam 1] van Debitroom aan [gedaagden] bericht:
“N.a.v. van het faillissement van [naam bedrijf] en de afgegeven zekerheden privé, zijn onze advocaten aan de slag gegaan om de zekerheden in te winnen.
Alle 3 de DGA's hebben gezamenlijk een priveborgstelling afgegeven van EUR 500.000, waarvoor jullie privéwoning als onderpand dient. (...)
Wij kennen een financiële adviseur die op basis van no-cure no pay, met jullie kan kijken hoe jullie gezamenlijk de borgstelling privé kunnen inlossen zonder dat jullie huis hiervoor verkocht hoeft te worden. (...)”.
In een e-mail van 4 januari 2024 van de advocaat van Debitroom aan de advocate van [gedaagden] staat:
“Naar aanleiding van ons telefonisch overleg van zojuist dacht ik nog even na. Ik begreep van u dat twee van uw drie cliënten hun aandeel in de vordering van cliënte thans al kunnen betalen. U sprak daarbij over € 366.000 en € 166.000,-. Dat maakt echter € 532.000,- en niet € 781.000,- wat de hoofdsom is in deze kwestie. De vraag is dan ook even wat uw cliënten precies in gedachten hebben. Ik begreep eerder dat uw cliënten rechtstreeks met cliënte hebben gesproken. Wellicht is daar iets afgesproken waarvan ik geen weet heb. Ik verneem het graag van u. (...)”.
Op 9 januari 2024 heeft gedaagde [gedaagde 3] per e-mail aan [naam 1] van Debitroom bericht:
“ik heb een vraag aan jou, op welk bedrag rekenen jullie als Debitroom, van ons
ik heb toen met [naam 2] gesproken en hij had het over totaal 450k in mijn beleving is het totaal 500k,
hoor graag zo spoedig mogelijk van jou,
mij voorkeur gaat natuurlijk naar de 450k
als ik het juiste bedrag weet kunnen we zo spoedig mogelijk afronden.”.
Bij e-mail van 10 januari 2024 heeft [naam 1] van Debitroom aan [gedaagden] en hun advocate bericht:
“Wij gaan uit van EUR 500k, conform de getekende privé borgstellingen. Weet eerlijk gezegd niet waar de inschatting van [naam 2] vandaan komt.
Hebben jullie concreet al een plan hoe dit gefinancierd zal gaan worden op korte termijn? ik hoor graag van jullie.”.
Op 12 januari 2024 heeft gedaagde [gedaagde 3] per e-mail aan [naam 1] van Debitroom bericht:
“in reactie op jouw mail willen wij Debitroom het volgende concrete voorstel doen.
[gedaagde 2] betaling van € 166.666,— op een nader te bepalen datum max 4 weken na acceptatie voorstel [gedaagde 3] betaling van € 166.666,— op een nader te bepalen datum max 4 weken na acceptatie voorstel [gedaagde 1] verwijdering beslaglegging zodat hij ook de financiën kan regelen voor zijn deel van € 166.666,—.
zowel gertjan als ik zijn bereid om de beslaglegging op onze woning te laten zitten totdat peter het geregeld heeft, verwachte tijd die peter nodig heeft is 2 maanden,
op deze manier hebben jullie van ons het geld en eventueel de zekerheid op de totale betaling van de 500k uiteraard gaan wij ervan uit dat op moment dat peter de betaling gedaan heeft de beslaglegging bij ons verwijderd wordt en alles tegen finale kwijting gebeurt.”
Bij e-mail van 12 januari 2024 heeft [naam 1] van Debitroom aan [gedaagden] en hun advocate bericht:
“Dank voor je email en voorstel. Begrijp ik uit onderstaande email dat [gedaagde 2] en jijzelf de financiering van EUR 166.666 inmiddels geregeld hebben en hebben jullie hiervan onderliggende stukken?
Wat ik dan zou willen voorstellen is dat jullie het bedrag aflossen en dan kunnen wij de beslaglegging bij [gedaagde 1] er afhalen. Nadat zijn herfinanciering rond is, halen wij het beslag bij jullie eraf.(...)”
In een e-mail van 5 maart 2024 van de advocaat van Debitroom aan de advocate van [gedaagden] staat:
“(...) Van overeenstemming over een regeling waarbij er, tegen betaling van € 500.000,- finale kwijting zou warden verleend door cliente is dan ook geen sprake.
Zulks volgt ook al uit mijn e-mailbericht d.d. 4 januari jl. aan u, waarin ik heb aangegeven dat mij van een regeling waarbij deze kwestie met een deelbetaling zou worden afgedaan niets bekend was. (...)”.