Home

Rechtbank Rotterdam, 08-09-2025, ECLI:NL:RBROT:2025:10783, ROT 24/3439

Rechtbank Rotterdam, 08-09-2025, ECLI:NL:RBROT:2025:10783, ROT 24/3439

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
8 september 2025
Datum publicatie
16 september 2025
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2025:10783
Zaaknummer
ROT 24/3439

Inhoudsindicatie

AVG, verzoek om inzage in de FSV, beroep ongegrond, verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/3439

(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),

en

(gemachtigden: mr. drs. M.A.N. van de Kerkhof en mr. L. Woudenberg).

1.1.

Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiseres aan de minister om inzage in haar persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De minister heeft het verzoek van eiseres deels toegewezen en een overzicht uit de FSV verstrekt. In bezwaar heeft de minister deze beslissing gehandhaafd. Eiseres is het niet eens met het besluit op bezwaar. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit op bezwaar van de minister.

1.2.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De minister heeft een volledig overzicht gegeven van alle in de FSV verwerkte persoonsgegevens van eiseres. Wat eiseres in beroep heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Eiseres heeft daarom ook geen recht op schadevergoeding. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.

De minister heeft met het primaire besluit van 16 juni 2023 het inzageverzoek van eiseres deels toegewezen en een overzicht uit de FSV aan haar verstrekt.

2.2.

Met het bestreden besluit van 20 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij het primaire besluit gebleven.

2.3.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.4.

De minister heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft aanvullende gronden ingediend.

2.5.

De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister.

Totstandkoming van het besluit

3.1.

Bij brief van 11 maart 2022 heeft eiseres de minister verzocht om inzage in haar persoonsgegevens die in de FSV en andere toezichtlijsten van de Belastingdienst staan. Ook wil eiseres weten wat de reden van de registratie is, wanneer dat is gebeurd, of haar gegevens in de FSV met derden zijn gedeeld en of zij is gekoppeld aan onder meer projectcode 10431.

3.2.

De minister heeft het inzageverzoek van eiseres aangemerkt als een verzoek in de zin van de AVG.

3.3.

Met het primaire besluit van 16 juni 2023 heeft de minister het inzageverzoek van eiseres deels toegewezen. Gebleken is dat er persoonsgegevens van eiseres zijn verwerkt in de FSV. De minister heeft een overzicht van de persoonsgegevens van eiseres in de FSV met eiseres gedeeld (BSN, voorletters, achternaam en adres). Op dit overzicht staan ook andere gegevens vermeld, namelijk ‘ [gegevens 1] ’ en ‘ [gegevens 2] ’. Over dit laatste staat in het overzicht onder ‘toelichting’ dat het een submenu bevat met daarin de namen en interne code van het belastingkantoor waar de fiscale aangelegenheden van de belastingplichtige worden behandeld waarop het signaal betrekking heeft. De minister heeft in het besluit toegelicht dat de aanleiding voor het risicosignaal in de FSV de selectie en analyse van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2019 van eiseres is geweest. De gegevens van eiseres zijn op 17 juni 2019 in de FSV opgenomen. De minister heeft verder niet kunnen vaststellen dat er bij de Belastingdienst met de FSV vergelijkbare systemen of applicaties zijn waarin persoonsgegevens van eiseres zijn opgenomen, zodat hierin geen inzage kan worden gegeven. Ook is niet vastgesteld dat haar gegevens uit de FSV met derden zijn gedeeld. Volgens de minister zijn de persoonsgegevens van eiseres niet verwerkt in het kader van projectcode 1043.

3.4.

Bij het bestreden besluit van 20 oktober 2023 heeft de minister het bezwaar van eiseres afgewezen. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft de minister nogmaals onderzocht of de persoonsgegevens van eiseres in de FSV zijn gedeeld met derden, maar niet gebleken is dat daarvan sprake is. Volgens de minister kan niet worden nagegaan of de gegevens van eiseres mondeling zijn gedeeld, maar er zijn geen aanwijzingen waaruit blijkt dat de FSV-registratie of persoonsgegevens van eiseres zijn gedeeld met derden. Uit het enkele feit dat eiseres is onderworpen aan controles door de gemeente kan volgens de minister niet worden afgeleid dat deze samenhangen met de FSV-registratie. Ook uit het feit dat een bepaalde aangevraagde toeslag niet wordt toegekend kan niet worden afgeleid dat dit voortkomt uit een registratie in de FSV. De minister wijst er verder nogmaals op dat er (tot op heden) geen met FSV vergelijkbare systemen of applicaties aanwezig zijn binnen de Belastingdienst. De minister kan eiseres daarin dan ook geen inzage geven. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres is gekoppeld aan projectcode 1043. Er is daarom ook geen documentatie aanwezig ter onderbouwing dat zij daar niet aan gekoppeld is.

Ontvankelijkheid van het beroep

4. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is. Volgens de minister is het bestreden besluit met dagtekening 20 oktober 2023 op 13 oktober 2023 ter postverzending aangeboden. De minister heeft hierbij een schermafdruk van de bezwaaradministratie overgelegd waaruit het voorgaande blijkt. Er zijn geen stukken waaruit de verzending van het bestreden besluit blijkt. De minister wijst er verder op dat eiseres in de periode oktober 2023 tot 29 maart 2024 nooit geïnformeerd heeft bij de Belastingdienst naar de status van het besluit, terwijl zij wel kon verwachten dat na het hoorgesprek van 5 oktober 2023 en toezending van het hoorverslag op 6 oktober 2023 spoedig een besluit zou volgen. Er is volgens de minister geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.1.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar gemachtigde op 29 maart 2024 een e-mail aan de Belastingdienst heeft verzonden waarin is aangegeven dat zij nog geen uitspraak op bezwaar heeft ontvangen. Eiseres heeft op diezelfde dag het bestreden besluit per e-mail ontvangen. Zij heeft op 3 april 2024 beroep ingesteld. Het te laat instellen van het beroep is volgens eiseres daarom verschoonbaar. Eiseres stelt verder dat zij niet eerder heeft geïnformeerd naar de stand van zaken van het bezwaar, omdat de Belastingdienst lange behandeltermijnen hanteert, wat volgens haar algemeen bekend is. Daarnaast zou de inspecteur in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift nog extra onderzoek verrichten.

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

4.3.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 juni 20232 volgt dat als de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Daartoe volstaat in eerste instantie het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres door een bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM) geregistreerd postvervoerbedrijf. Omdat de bij deze postvervoerbedrijven aangeboden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd rechtvaardigt het gebruikmaken van deze bedrijven het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Vereist is wel dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat er een deugdelijke verzendadministratie is. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling dat als het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, het vervolgens op de weg van de geadresseerde ligt het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. De geadresseerde hoeft daarvoor niet aannemelijk te maken dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

4.4.

De minister heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat het bestreden besluit op 13 oktober 2023 aan eiseres is verzonden, een schermafdruk overgelegd van zijn bezwaaradministratie. Hieruit valt echter niet af te leiden dat het besluit naar het juiste adres is verzonden. Op de schermafdruk staat het adres van eiseres vermeld, maar er staat ook dat sprake is van een “afwijkend adres belanghebbende”. Verder staat onder “Resultaat behandeling” wel vermeld dat het besluit ter post is bezorgd op 13 oktober 2023, maar blijkt niet dat gebruik is gemaakt van een door de ACM goedgekeurde postleverancier. Gelet op het voorgaande kan er niet van worden uitgegaan dat het bestreden besluit op 13 oktober 2023 per post is verzonden en op het adres van eiseres is ontvangen.

4.5.

Nu de minister het bestreden besluit op 29 maart 2024 per e-mail aan eiseres heeft verzonden en zij daartegen op 3 april 2024 beroep heeft ingesteld, is het beroep tijdig ingediend en dus ontvankelijk.

Beoordeling van de beroepsgronden

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep