Home

Rechtbank Rotterdam, 04-12-2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14432, C/10/709301 / KG ZA 25-1088

Rechtbank Rotterdam, 04-12-2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14432, C/10/709301 / KG ZA 25-1088

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
4 december 2025
Datum publicatie
10 december 2025
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2025:14432
Zaaknummer
C/10/709301 / KG ZA 25-1088

Inhoudsindicatie

Kort geding. Verzekeringszaak. Vorderingen tot verwijdering persoonsgegevens uit het Incidentenregister, IVR, EVR en tot intrekking van de melding bij het CBV toegewezen.

Uitspraak

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/709301 / KG ZA 25-1088

Vonnis in kort geding van 4 december 2025

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. J.N. Pracht,

tegen

[gedaagde] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudend in [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. M.P. Vink.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 november 2025, met producties 1 tot en met 8;- de akte uiteenzetting en duiding feiten en overlegging producties van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 16;- de mondelinge behandeling op 20 november 2025;- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .

2 De feiten

2.1.

[eiser] had een schadeverzekering bij Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Achmea of Centraal Beheer) voor een Toyota Aygo (hierna: de auto).

2.2.

Op 3 januari 2024 heeft [eiser] een schadeverzekering afgesloten bij [gedaagde] voor de auto.

2.3.

Bij de aanvraag van de verzekering bij [gedaagde] heeft [eiser] een vragenlijst ingevuld. Eén van deze vragen luidde: “Heeft een verzekeraar jou in de laatste 5 jaar geweigerd of je contract opgezegd?” [eiser] heeft deze vraag ontkennend beantwoord.

2.4.

Op 3 maart 2024 heeft [eiser] de auto totall loss gereden. [gedaagde] heeft de schade betaald en op 8 maart 2024 een bedrag van € 20.240,00 aan [eiser] uitgekeerd.

2.5.

Bij e-mail van 30 mei 2024 heeft [gedaagde] [eiser] onder meer laten weten dat [eiser] in een telefoongesprek op 18 april 2024 met [gedaagde] heeft verklaard dat [eiser] zijn auto eerder had verzekerd bij Achmea en dat [eiser] door Achmea uit de verzekering is gezet omdat [eiser] de premie niet tijdig betaalde. [gedaagde] heeft hier onderzoek naar gedaan en trekt de conclusie dat [eiser] bij de verzekeringsaanvraag bij [gedaagde] zijn mededelingsplicht niet is nagekomen.

2.6.

Bij e-mail van 28 juni 2024 reageert [eiser] op e-mail van [gedaagde] . Daarin schrijft [eiser] onder meer dat hij zelf de autoverzekering bij Achmea heeft opgezegd.

2.7.

Bij e-mail van 16 december 2024 schrijft [gedaagde] onder meer aan [eiser] dat zij concludeert dat [eiser] [gedaagde] met opzet heeft misleid door het geven van onjuiste informatie bij de verzekeringsaanvraag en dat [eiser] daardoor zijn mededelingsplicht niet is nagekomen. Als gevolg daarvan zegt [gedaagde] de door [eiser] bij [gedaagde] afgesloten verzekeringen op. Daarnaast wordt [eiser] gedurende vijf jaar geregistreerd in het incidentenregister van [gedaagde] , het Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR), het Intern Verwijzingsregister (hierna: IVR) en er wordt een melding gedaan aan het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (hierna: CBV). Verder laat [gedaagde] weten dat zij de op 8 maart 2024 aan [eiser] uitgekeerde schade op hem gaat verhalen.

2.8.

[eiser] maakt bezwaar tegen de conclusie en maatregelen van [gedaagde] . Bij e-mail van 16 januari 2025 laat [gedaagde] weten dat zij haar standpunt handhaaft.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat en zoals nader toegelicht ter zitting – bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair; [gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na dit vonnis alle handelingen te verrichten die nodig zijn om [eiser] te verwijderen uit het Incidentenregister van [gedaagde] en het IVR, in elk geval door de afdeling Legal & Anti-Fraud schriftelijk opdracht te geven de geregistreerde gegevens van [eiser] te verwijderen, en [eiser] een afschrift te sturen van die opdracht en van de bevestiging van Legal & Anti-Fraud dat de gegevens daadwerkelijk zijn verwijderd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag;

II. primair; [gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na dit vonnis alle handelingen te verrichten die nodig zijn om [eiser] te verwijderen uit het EVR, in elk geval door de stichting Centraal Informatie Systeem (hierna: CIS) schriftelijk opdracht te geven de geregistreerde gegevens van [eiser] te verwijderen, en [eiser] een afschrift te sturen van die opdracht en van de bevestiging van CIS dat de gegevens daadwerkelijk zijn verwijderd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag;

III. primair; [gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na dit vonnis alle handelingen te verrichten die nodig zijn om de melding bij het CBV in te trekken, in elk geval door het CBV schriftelijk te informeren dat de eerder gedane melding wordt ingetrokken, en [eiser] een afschrift te sturen van die opdracht en van de bevestiging van het CBV dat de gegevens daadwerkelijk zijn verwijderd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag;

IV. subsidiair; te bepalen dat de registratieduur in het IVR en EVR niet langer mag zijn dan één jaar of een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn en dat [gedaagde] alle handelingen dient te verrichten om ervoor te zorgen dat dit in het EVR en IVR juist staat geregistreerd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag;

V. meer subsidiair; een andere passende voorziening te treffen, zo nodig op straffe van een dwangsom;

VI. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

4 De beoordeling

5 De beslissing