Rechtbank Rotterdam, 25-06-2025, ECLI:NL:RBROT:2025:7737, C/10/685073 / HA RK 24-810
Rechtbank Rotterdam, 25-06-2025, ECLI:NL:RBROT:2025:7737, C/10/685073 / HA RK 24-810
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 25 juni 2025
- Datum publicatie
- 9 juli 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2025:7737
- Zaaknummer
- C/10/685073 / HA RK 24-810
Inhoudsindicatie
Verzoek tot inzage in gezinsdossier bij [verweerster] ex artikel 15 AVG. [Verweerster] heeft delen van het dossier van verzoeker zwartgelakt, omdat deze delen zien op informatie over derden. De rechtbank heeft [verweerster] in een tussenbeschikking opgedragen om het ongelakte dossier alleen aan de rechtbank over te leggen, zodat beoordeeld kan worden of de delen terecht zijn zwartgelakt. [Verweerster] weigert dit en beroept zich op haar (afgeleide) verschoningsrecht. De rechtbank oordeelt dat de weigering niet gerechtvaardigd is en wijst het verzoek tot inzage toe. De beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard i.v.m. de mogelijke gevolgen van het overleggen van het ongelakte dossier.
Uitspraak
beschikking
Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/685073 / HA RK 24-810
Beschikking van 25 juni 2025
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [plaats 1] ,
verzoeker,
advocaat mr. L.A. Alderlieste te Rotterdam,
tegen
de stichting
[verweerster] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
verweerster,
advocaat mr. A.K.M.T. Rongen te Rotterdam.
Partijen worden hierna [verzoeker] en [verweerster] genoemd.
1 De kern van de zaak
[verzoeker] verzoekt inzage in zijn gehele gezinsdossier bij [verweerster] . [verweerster] heeft delen daarvan zwartgelakt, omdat deze delen volgens [verweerster] over andere betrokkenen gaan dan [verzoeker] en hij geen recht op inzage in die delen heeft. De rechtbank heeft in een tussenbeschikking [verweerster] opgedragen om het ongelakte dossier alleen aan de rechtbank over te leggen, zodat de rechtbank kan beoordelen of de stukken terecht zijn zwartgelakt. [verweerster] weigert dit, omdat dit volgens haar een ongerechtvaardigde inbreuk op het verschoningsrecht van [verweerster] oplevert. De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] daarom toe, maar met de kanttekening dat deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, zodat [verweerster] de kans heeft om in hoger beroep te gaan zonder dat zij de ongelakte stukken al hoeft over te leggen aan [verzoeker] .
2 De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de tussenbeschikking van 14 april 2025,
- -
-
de mail van [verweerster] van 22 april 2025,
- -
-
de mail van [verzoeker] van 6 juni 2025.
3 De verdere beoordeling
In de tussenbeschikking van 14 april 2025 heeft de rechtbank [verweerster] opgedragen om het ongelakte gezinsdossier alleen aan de rechtbank over te leggen. [verweerster] heeft daarna de rechtbank per e-mail primair verzocht om hoger beroep open te stellen tegen de tussenbeschikking en subsidiair om de zaak voor de verdere behandeling door te verwijzen naar een andere kamer.
[verweerster] stelt dat het overleggen van het ongelakte dossier een onomkeerbare situatie oplevert en dat dit een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het afgeleid verschoningsrecht. Volgens [verweerster] moeten hulpzoekenden erop kunnen vertrouwen dat de informatie die zij in vertrouwen delen geheim blijft en niet bij derden, waaronder de rechtbank, terecht komt. [verweerster] vindt dat de beslissing om vertrouwelijke informatie over te leggen aan de rechtbank moet worden getoetst op rechtmatigheid, voordat de vertrouwelijkheid mogelijk wordt geschonden.
[verzoeker] heeft de rechtbank per e-mail verzocht om een eindbeschikking te nemen. Volgens [verzoeker] is het niet juist dat [verweerster] zich beroept op een onomkeerbare situatie, want alleen de rechtbank zou kennis nemen van de ongelakte stukken. Daarmee worden de stukken in essentie vertrouwelijk behandeld. [verzoeker] benadrukt dat de rechtbank geen beslissing kan nemen zonder de stukken te hebben gezien en stelt dat verwijzing naar een andere kamer niet aan de orde is, omdat de rechter nog geen kennis van de stukken heeft genomen.
De rechtbank oordeelt als volgt. [verweerster] weigert te voldoen aan de beschikking van 14 april 2025. Deze weigering is niet gerechtvaardigd, omdat de vertrouwelijke behandeling van de ongelakte stukken door de geheimhoudingsplicht van de rechtbank is gewaarborgd. Door de zwartgelakte passages uit het dossier desondanks niet overeenkomstig artikel 22, lid 2, Rv alleen aan de rechtbank over te leggen, maakt [verweerster] het de rechtbank onmogelijk om het verzoek van [verzoeker] te beoordelen. Daarmee belemmert [verweerster] de rechtsgang die [verzoeker] op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming ter beschikking staat en maakt zij toetsing van de wijze waarop [verweerster] in gezinsdossiers met persoonsgegevens omgaat deels onmogelijk. Wat [verweerster] aanvoert over haar afgeleide verschoningsrecht, heeft de rechtbank al in de tussenbeschikking beoordeeld en de rechtbank blijft bij haar oordeel dat dat recht geen gerechtvaardigde weigeringsgrond oplevert. Voor verwijzing naar een andere kamer ziet de rechtbank geen grond omdat het zesde lid van artikel 22 Rv toepassing mist in een geval als dit waarin het ongelakte stuk nog niet aan de rechtbank is overgelegd.
In deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om aan de gebrekkige betwisting door [verweerster] van de stelling van [verzoeker] dat de zwartgelakte passages op hem betrekking hebben, de conclusie te verbinden dat die stelling is komen vast te staan en dat de zwartgelakte passages ten onrechte zijn zwartgelakt. Daarom zal de rechtbank het verzoek van [verzoeker] toewijzen. [verweerster] moet het ongelakte dossier dus aan [verzoeker] verstrekken.
De rechtbank begrijpt dat dit een ingrijpende beslissing is en dat het niet uitgesloten is dat de zwartgelakte passages op anderen dan [verzoeker] betrekking hebben. Daarom zal deze beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zodat het instellen van hoger beroep ertoe leidt dat [verweerster] aan [verzoeker] nog geen inzage in het volledige gezinsdossier hoeft te geven.
Proceskosten
Aangezien [verweerster] in het ongelijk is gesteld, moet zij de proceskosten van [verzoeker] betalen. Deze worden tot op heden begroot op:
- griffierecht € 87,00
- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten x tarief € 614,00)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.493,00