Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-07-2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:5654, STR-13_700031
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-07-2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:5654, STR-13_700031
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 25 juli 2013
- Datum publicatie
- 29 juli 2013
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2013:5654
- Zaaknummer
- STR-13_700031
Inhoudsindicatie
Beslissing bezwaarschrift ex artikel 182 Sv. Bevoegdheid rechter-commissaris wordt ingeperkt door de aanvang van de zitting (anders dan LJN BZ7275) .
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02/700031-13
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaarschrift ex artikel 182, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering, d.d. 2 mei 2013 van de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats],
wonende te[woonplaats], [adres]
gedetineerd in het huis van bewaring in de penitentiaire inrichting Breda, 4811 DG, Breda, Nassausingel 26.
1 Hetverloopvandeprocedure
De verdachte is op 4 april 2013 gedagvaard tegen de (pro forma) terechtzitting van de meervoudige kamer van 25 april 2013. De raadsvrouw van verdachte heeft de rechter-commissaris per brief van 18 april 2013 verzocht verschillende onderzoekshandelingen te (laten) verrichten.
De rechter-commissaris heeft dit verzoek bij beschikking van 19 april 2013 afgewezen, omdat het agendatechnisch niet haalbaar was het door de raadsvrouw gevraagde onderzoek vóór de terechtzitting van 25 april 2013 uit te (laten) voeren.
Ter terechtzitting van 25 april 2013 heeft de raadsvrouw de in haar brief van 18 april 2013 geuite onderzoekswensen herhaald, met uitzondering van die tot het doen van toxicologisch onderzoek. De rechtbank heeft de verzoeken van de verdediging zelfstandig beoordeeld en de stukken deels in handen van de officier van justitie en deels in handen van de rechter-commissaris gesteld, voor het verrichten van de in het proces-verbaal van die terechtzitting genoemde onderzoekshandelingen. De rechtbank heeft de overige onderzoekswensen van de verdediging afgewezen.
Op 2 mei 2013 is het op diezelfde datum gedateerde bezwaarschrift per e-mail ontvangen op de griffie van het kabinet van de rechter-commissaris in deze rechtbank. Het is ingediend namens verdachte door diens raadsvrouw, mr. Vroegh, advocaat te Haarlem, en is gericht tegen de beslissing van de rechter-commissaris, doch uitsluitend voor zover het betreft de onderzoekswensen die door de rechtbank ter terechtzitting van 25 april 2013 zijn afgewezen.
De rechtbank heeft, naast voormeld bezwaarschrift, kennisgenomen van het door de officier van justitie in dit arrondissement overgelegde dossier van de strafzaak tegen verdachte met bovenvermeld parketnummer.
Het bezwaarschrift is door de meervoudige raadkamer behandeld op 11 juli 2013. Tijdens de behandeling zijn gehoord de raadsvrouw van verdachte en de officier van justitie in dit arrondissement, mr. Rammeloo. Verdachte is behoorlijk opgeroepen maar niet ter terechtzitting verschenen.
2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat zij ontvankelijk is in het bezwaar nu dit binnen de in artikel 182, zesde lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) genoemde termijn is ingediend en het een verzoek tot het verrichten van onderzoekshandelingen betreft dat voor de pro forma zitting van 25 april 2013 bij de rechter-commissaris reeds was ingediend.
De verdediging handhaaft het bezwaar slechts ter zake het sporenonderzoek aan de fles frituurolie, aan de tiewraps en aan het lingeriesetje alsmede ter zake van het horen van getuige[getuige]. De verdediging stelt dat deze onderzoeken in het belang zijn van de waarheidsvinding en dat de door de rechter-commissaris aangevoerde reden voor afwijzing is komen te vervallen nu de zaak nadien voor onbepaalde tijd is aangehouden.
3 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en subsidiair tot ongegrondverklaring daarvan, omdat de rechtbank inmiddels op de terechtzitting van 25 april 2013 over de door de verdediging geuite onderzoekswensen heeft geoordeeld. Indien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaart zou de beslissing op het verzoek tot het verrichten van de onderzoekswensen thans hetzelfde dienen te luiden als die van de rechtbank ter terechtzitting van 25 april 2013, met uitzondering van die ten aanzien van het sporenonderzoek aan de tiewraps. Indien deze zijn aangetroffen en veiliggesteld voor onderzoek, zou daarop al dan niet DNA-materiaal van een/de verdachte(n) kunnen worden aangetroffen, wat kan bijdragen aan de waarheidsvinding met betrekking tot eventueel uitgeoefende dwang.