Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-08-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:5504, 6034033

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-08-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:5504, 6034033

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21 augustus 2017
Datum publicatie
29 augustus 2017
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2017:5504
Zaaknummer
6034033

Inhoudsindicatie

Ontbindingszaak; afwijzen e-grond; toewijzen g-grond; afwijzen schadevergoeding ex art. 7:661 BW; discussie indiensttredingsdatum voor bepaling hoogte transitievergoeding, inhoud vaststellingsovereenkomst in (nieuwe) arbeidsovereenkomst is daartoe bepalend (art. 7:902 BW).

Uitspraak

Cluster I Civiele kantonzaken

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 6034033 AZ VERZ 17-45

beschikking d.d. 21 augustus 2017

inzake

de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rasenbergen Bouw B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Roosendaal,

verzoekende partij,

verder te noemen: ‘Rasenberg’,

gemachtigde: mr. F.J.P.J. van Meer, advocaat te Etten-Leur,

tegen

[voornamen verweerder] [verweerder],

wonende te [woonplaats] , aan de [adres] ,

verwerende partij,

verder te noemen: ‘ [verweerder] ’,

gemachtigde: mr. E.F. Gomes, advocaat te Bergen op Zoom.

1 Het procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende stukken:

  1. het verzoekschrift met producties, ter griffe ontvangen op 12 juni 2017;

  2. het verweerschrift met producties, ter griffie ontvangen op 30 juni 2017;

  3. de door mr. Van Meer nagezonden producties 25 tot en met 27;

  4. e door mr. Van Meer nagezonden producties 28 tot en met 32;

  5. de door mr. Gomes nagezonden producties 7 tot en met 12;

  6. de door mr. Gomes nagezonden producties 13 tot en met 15;

  7. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling van partijen, gehouden op 12 juli 2017, met bijbehorend audiëntieblad. Door mr. Van Meer is een pleitnota overgelegd.

1.2

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is op enig moment in dienst getreden bij Rasenberg. Volgens [verweerder] is de indiensttredingsdatum 31 maart 2008; volgens Rasenberg is deze 17 maart 2014. De laatste functie die [verweerder] vervulde, was die van ‘ [functie] ’, met een salaris van € 7.920,10 per maand.

2.2

Bij gesprek en brief van 22 maart 2017 heeft Rasenberg [verweerder] te kennen gegeven het dienstverband te willen beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst. In een vervolggesprek van 31 maart 2017 heeft [verweerder] de ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst geweigerd. Rasenberg heeft [verweerder] daarop vrijgesteld van werk en heeft [verweerder] gevraagd om de bedrijfsauto en -creditcard in te leveren. [verweerder] heeft zich vervolgens ziekgemeld. Rasenberg heeft de bedrijfsauto op 1 april 2017 bij [verweerder] thuis opgehaald.

3 Het verzoek

3.1.

Rasenberg verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, althans onderdeel g BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt Rasenberg ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – verwijtbaar handelen van [verweerder] , althans van een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van haar redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft Rasenberg het volgende naar voren gebracht.

3.2.1

Allereerst heeft [verweerder] de directie van Rasenberg niet (juist) geïnformeerd over de gang van zaken over het project van de verbouwing van het station in Bergen op Zoom. Hierdoor was het Rasenberg niet bekend dat zij hoge contractuele boetes (bij ProRail en Gemeente Bergen op Zoom) verschuldigd raakte, ten gevolge van het niet halen van overeengekomen oplevertermijnen. [verweerder] is amper bij bouwvergaderingen aanwezig geweest, terwijl dit – als eindverantwoordelijke voor dit project – wel van hem werd verwacht. Tijdens deze vergaderingen is de vertraging van de werkzaamheden aan de orde gekomen. [verweerder] heeft Rasenberg niet alleen op geen enkel moment op de hoogte gebracht dat opdrachtgevers aanspraak maakten op de contractuele boetes, maar heeft dit zelfs ontkend op het moment dat Rasenberg daar uitdrukkelijk naar vroeg. Als [verweerder] tijdig bij Rasenberg had gereclameerd, had de verschuldigdheid van de boetes voorkomen kunnen worden, althans waren de boetes niet zo hoog opgelopen.

3.2.2.

Daarnaast is het Rasenberg gebleken dat [verweerder] op tal van momenten afwezig is geweest zonder verlof op te nemen.

3.2.3.

Tot slot heeft [verweerder] zich ook op andere manier ongepast gedragen. Zo heeft [verweerder] tijdens zijn dienstverband verschillende amoureuze relaties onderhouden met diverse dames. [verweerder] is zelfs een liefdesrelatie aangegaan met de echtgenote van een van de werknemers aan wie [verweerder] dagelijks leiding gaf.

3.3.

Rasenberg meent dat het hiervoor omschreven handelen van [verweerder] zodanig verwijtbaar is dat van Rasenberg niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog langer voort te zetten. Tevens is door voornoemd handelen een zodanig verstoorde verhouding ontstaan tussen [verweerder] en (zijn collega’s bij) Rasenberg dat evenmin kan worden gevergd het dienstverband te continueren.

3.4.

Rasenberg verzoekt bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn en verzoekt geen transitievergoeding toe te kennen, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] .

3.5.

Voorts verzoekt Rasenberg [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding van € 220.000,00. Daaraan legt Rasenberg ten grondslag dat ProRail met ingang van 29 augustus 2016 de contractuele vertragingsboete heeft geclaimd. Tot en met 8 maart 2017 bedraagt de totale boete € 89.000,00. Ook Gemeente Bergen op Zoom heeft aanspraak gemaakt op deze vertragingsboete vanaf 20 juni 2016 tot 8 maart 2017, voor in totaal een bedrag van € 131.000,00.

4 Het verweer en het tegenverzoek

5 De beoordeling

6 De beslissing