Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-03-2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1661, 351566

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-03-2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1661, 351566

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25 maart 2020
Datum publicatie
14 mei 2020
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2020:1661
Zaaknummer
351566

Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Bijzondere zorgplicht houdstermaatschappij en bestuurder jegens werknemer dochtermaatschappij, waarvan de werknemers werkzaamheden ten behoeve van de houdstermaatschappij verrichten. Hoge Raad 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033.

Uitspraak

vonnis

Cluster II Handelszaken

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/351566 / HA ZA 18-716

Vonnis van 25 maart 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Papendrecht,

eiser,

advocaat mr. G.E. Doelman te Papendrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INVENT BUSINESS SOFTWARE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Longkamp, Duitsland,

gedaagden,

advocaat mr. J.C. Debije te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en IBS c.s. worden genoemd. Gedaagden worden aangeduid als IBS en [gedaagde sub 2].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 1 mei 2019;

-

de van de zijde van [eiser] aan de rechtbank toegezonden producties 19 tot en met 25;

-

het proces-verbaal van de op 17 september 2019 gehouden comparitie en de ter gelegenheid daarvan door mr. Doelman overgelegde spreekaantekeningen;

-

de akte overlegging producties van IBS c.s., met producties;

-

de antwoordakte.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 2] is enig bestuurder en aandeelhouder van IBS. IBS exploiteert door [gedaagde sub 2] ontwikkelde software. Zij verkoopt licenties voor het gebruik van die software en bijbehorende onderhoudscontracten aan derden die haar daarvoor een vergoeding betalen. IBS heeft geen personeel.

2.2.

IBS is enig bestuurder en aandeelhouder van Gersys B.V. (hierna: Gersys). Volgens een door IBS c.s. overgelegde, tussen haar en Gersys gesloten ‘partnerovereenkomst’ van 1 februari 2013 (productie 5 akte) heeft IBS Gersys het recht verleend om bepaalde software “namens en als IBS” volgens door IBS bepaalde prijzen en voorwaarden op de markt te brengen en aan derden te verkopen tegen betaling door IBS aan Gersys van een in de overeenkomst genoemde provisie. Daarnaast bepaalt de overeenkomst dat Gersys van IBS een vergoeding op uurbasis ontvangt voor werkzaamheden die ten behoeve van IBS of haar klanten zijn uitgevoerd. Deze vergoeding is volgens de overeenkomst gelijk aan “het vastgesteld intern tarief per medewerker, gebaseerd op salariskosten met een opslag van 20%”.

2.3.

Per 1 februari 2013 is [eiser] als projectmanager voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Gersys tegen een brutosalaris van € 4.300,00 per maand, vermeerderd met vakantietoeslag en emolumenten. Voor 1 februari 2013 had [eiser] met [gedaagde sub 2] een bedrijf geëxploiteerd dat zich bezighield met de exploitatie van de door [gedaagde sub 2] ontwikkelde software. Per 1 februari 2013 zijn naast [eiser] de heer [X] als systeemspecialist en [mevrouw Y] (de dochter van [gedaagde sub 2]) als administratief medewerkster bij Gersys in dienst getreden.

2.4.

De door [eiser] tijdens zijn dienstverband met Gersys verrichte werkzaamheden bestonden uit de installatie van door IBS aan derden verkochte software, het inregelen van deze software, ondersteuning van klanten bij het gebruik van de software en het oplossen van storingen. Hij verrichtte deze werkzaamheden vanuit huis of op locatie bij de klanten van IBS. [X] verrichte soortgelijke werkzaamheden.

2.5.

De overeenkomsten voor het verrichten van de hiervoor genoemde onderhoud- en consultancywerkzaamheden werden aangegaan door IBS. IBS heeft deze werkzaamheden uitbesteed aan Gersys. [eiser] en [X] verantwoordden de door hen gewerkte uren in een softwareprogramma van IBS. IBS heeft de vergoeding daarvoor bij haar klanten in rekening gebracht en deze is aan IBS betaald.

2.6.

Tussen IBS en Gersys bestond een rekening-courantverhouding. (Voorschotten op) het salaris van [eiser] zijn zowel door IBS als Gersys betaald.

2.7.

Tijdens het dienstverband heeft [eiser] bij herhaling aan [gedaagde sub 2] verzocht om betaling van (voorschotten op) zijn salaris. Op 14 januari 2016 heeft [eiser] een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter te Rotterdam, waarin hij onder meer heeft gevorderd Gersys te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris.

2.8.

Bij beschikking van 28 april 2016 heeft de kantonrechter – voor zover hier van belang – Gersys veroordeeld tot betaling van € 65.274,00 bruto aan achterstallig loon en overige emolumenten over de periode van 2013 tot en met december 2015 en een bedrag van € 7.171,06 netto aan representatiekosten en onkostendeclaraties over die periode. Daarnaast heeft de kantonrechter Gersys veroordeeld om binnen 14 dagen een deugdelijke salarisspecificatie aan [eiser] te verstrekken op straffe van verbeurte van dwangsommen met een maximum van € 2.500,00. Tot slot is Gersys veroordeeld om de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.159,00 aan [eiser] te betalen en is Gersys veroordeeld in de kosten van het geding, begroot op € 1.373,08. Van de beschikking is geen hoger beroep ingesteld.

2.9.

Gersys heeft niet aan de veroordeling voldaan. De algemene vergadering van aandeelhouders van Gersys heeft Gersys per 31 augustus 2016 ontbonden, waarna zij op de voet van artikel 2:19 lid 4 BW bij gebrek aan baten is opgehouden te bestaan.

2.10.

Ten tijde van de ontbinding had [X] volgens IBS c.s. een vordering van ongeveer € 40.000,00 op Gersys wegens achterstallig salaris. Een vordering van € 42.500,00 van de Belastingdienst op Gersys, heeft Gersys in december 2015 en januari 2016 betaald, nadat IBS dit bedrag aan Gersys had overgemaakt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – voor recht te verklaren dat IBS c.s. aansprakelijk is voor de door hem geleden schade en IBS c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 92.855,91, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Hij legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat IBS en [gedaagde sub 2] in de bestaande constructie, waarbij Gersys een ‘personeelsvennootschap’ was en geen eigen inkomsten genereerde, ervoor dienden te zorgen dat Gersys haar verplichtingen jegens haar werknemers kon nakomen. Volgens [eiser] hebben IBS en [gedaagde sub 2] jegens hem onrechtmatig gehandeld doordat zij bewust hebben bewerkstelligd dat Gersys geen financiële middelen had om aan haar verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst te voldoen en Gersys vervolgens geen verhaal bood. Volgens [eiser] kunnen [gedaagde sub 2] en IBS een ernstig verwijt worden gemaakt. De aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] is tevens gegrond op artikel 2:11 BW. Daarnaast stelt [eiser] dat IBS de schuldeisers van Gersys selectief heeft betaald doordat [X] zijn salaris wel heeft gekregen. [eiser] stelt dat hij als gevolg van de onrechtmatige daad schade heeft geleden die bestaat in de bedragen die Gersys op grond van de beschikking van de kantonrechter diende te betalen, vermeerderd met een vergoeding van € 12.006,83 wegens niet genoten vakantiedagen tot en met 2015 en met wettelijke rente tot 1 oktober 2018 ten bedrage van € 4.371,94 en verminderd met een door IBS betaald bedrag van € 1.000,00.

3.3.

IBS c.s. voert verweer. Zij betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld, dat [gedaagde sub 2] en IBS een ernstig verwijt treft ter zake van de niet-nakoming van de verplichtingen door Gersys en dat [eiser] is benadeeld in zijn verhaal op Gersys. Volgens IBS c.s. werden over en weer bestaande vorderingen van IBS en Gersys verwerkt in de rekening-courantverhouding, heeft IBS Gersys de afgesproken vergoeding voor de door Gersys verrichte werkzaamheden betaald, zijnde € 40,00 exclusief btw, en heeft zij daarenboven onverplicht in feite de belastingschuld van Gersys betaald. Dat Gersys geen verhaal biedt, is het gevolg van de omstandigheid dat er te weinig onderhoud- en consultancywerkzaamheden waren om de salaris- en overige werknemerslasten te betalen en is vooral te wijten aan het onvoldoende functioneren van [eiser], die samen met [X] de omzet van Gersys diende te genereren, zo stelt IBS c.s. Wat de verweten selectieve betaling betreft, stelt IBS c.s. dat [X] afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrecht jegens Gersys in ruil waarvoor IBS een regeling in het vooruitzicht heeft gesteld.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing